Dirigent Hans Vonk; Ik geloof in het hiernietsmaals

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Iedere maand spreekt Frénk van der Linden met iemand die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht heeft in geloof, dood of liefde. Over deze drie kernthema's van het leven deze week een gesprek met dirigent Hans Vonk. 'De directe confrontatie met mijn sterfelijkheid heeft me geleerd dat ik veel dingen goed zie.'

Hans Vonk (52) was dirigent van onder andere het Radio Blazers Ensemble, het Residentie Orkest en de Staatskapelle in Dresden. Momenteel is hij verbonden aan het Kölner Rundfunk Sinfonie Orchester. In 1996 wordt hij chef-dirigent van het Amerikaanse Saint Louis Symphony Orchestra.

Ik dirigeer in geleende tijd. Je moet prudent zijn met grote woorden - ik haat die circusdirecteurentaal van tegenwoordig - maar sinds mijn ziekte voel ik het zo. De wedstrijd wordt voor onbepaalde tijd verlengd. Eigenlijk verdien ik het niet: ik was een over-achiever, werkte me het apezuur, reisde me rot, moest uit pure muziekliefde overal en altijd wel íets dirigeren. Dat 'van hogerhand' werd ingegrepen, was terecht. Ik mag dankbaar zijn dat ik geen beroerte, zware attaque of maagzweer kreeg. En dat ik er niet eens een scheve bek aan over hield. Kerngezond kan ik gebruik maken van mijn extra speeltijd.

Laatst las ik dat mensen van boven de veertig voortdurend aan hun dood denken maar het onderwerp nooit aanroeren. Als je er vertrouwd mee bent geraakt, lost dat taboe op. Vroeger verkeerde ik in de luxe omstandigheid dat ik de dood uit de weg kon gaan, nu verkeer ik in de nóg luxere omstandigheid dat de dood een realiteit, nee, een normaliteit is. Dat ik er lakoniek over praat komt ook doordat het thema in mijn vak dagelijkse kost is. Jezus, er wordt wat afgestorven in de klassieke muziek! Tristan en Isolde hangt van doodsverlangen aan elkaar, in Salomé sneven ze bij bosjes, in de Vier letzte Lieder viert men geen moment feest, de Matthäus Passion zit vol wrede teksten als Und hib ihn ein Ohr ab... de concertzaal kan een slagveld zijn, een kerkhof.

Ik weet niet precies waarom ik de meeste affiniteit heb met het lijden en de pathos van de late romantiek: Bruckner, Wagner, Schönberg. Het zou kunnen zijn dat ik - net als Mulisch dat met zijn schrijven probeert - de dood wil temmen. Ik ga niet méé in het passionele, ik heb een hekel aan zwelgen. Ik streef naar controle. Verbaasd en geïrriteerd kijk ik naar dirigenten die als wilde romantici voor een orkest wegdruipen en na afloop een brancard nodig hebben. Critici verwijten mij soms koelheid. Ik ben een verschrikkelijk emotioneel mens, maar met dat stokje in mijn hand poog ik afstand te nemen en overzicht te scheppen. Anders wordt het troebel. Ik gedraag me als een rekenmeester: het gaat over een zestiende noot die een onderdeel van een seconde eerder of later moet komen, over maten, over de balans van een akkoord, over frasering. Mathematisch millimeterend krijg ik grip op de muziek, op het leven. Ik hoop niet dat ik iemand teleurstel, excuses - ik ben in zekere zin een wiskundige.

Mijn vader moet op zijn sterfbed hebben gezegd: 'Laat Hans in godsnaam geen musicus worden.' Hij speelde viool in het Concertgebouworkest, bij ons om de hoek. Een bescheiden man, niet brutaal en gewiekst genoeg om in dat spijkerharde milieu het hoogste te bereiken. Ik heb waarschijnlijk een groter incasseringsvermogen dan hij: als slow starter werd ik jarenlang gejend en uitgeprobeerd door orkesten, hooguit getolereerd, terwijl leeftijdsgenoten als Edo de Waart triomfen vierden. Ik kan rustig zeggen dat ik door het vagevuur ben gegaan. Maar ik was koppig. En trots. Ik redde het. In die gevechten was de muziek niet alleen mijn doel maar ook mijn middel, mijn zuurstof. Dirigeren stond gelijk aan inhaleren. Als de muziek ooit wegvalt, dacht ik, kun je me begraven. Tot het moment kwam dat ze me zo ongeveer kónden begraven. Toen was er zelfs voor muziek geen plaats meer. J e vindt jezelf op een dag terug aan een ijzeren long, infusen, snoeren, buizen, bliepende toestellen. Ik had geen flauw idee wat het allemaal voor dingen waren, merkte dat ik ook niet in staat was het te vragen: ik kon niet meer spreken. Mijn hart functioneerde nog, mijn ogen, mijn hersens op laag niveau - de rest bleek verlamd. Het had wel iets weg van Kafka's Die Verwandlung, over de man die tot zijn schrik zomaar verandert in een kever.

Woensdag 9 november 1988 was ik thuis opgestaan met een vreemde spierpijn in mijn rechterkuit. Het arbeidsethos in mijn vak schrijft voor dat je vrijwel nooit afzegt; niet komen opdagen vond ik indertijd nog een doodzonde. Samen met een lid van het Residentie Orkest reed ik naar het Bayer Erholungszentrum in Leverkusen om daar te concerteren. Ik pakte mijn spullen uit de auto, sjokte naar een trap en constateerde dat ik die Mount Everest nooit van mijn leven op zou komen. Mijn ledematen leken te bestaan uit lood. Optreden was out of the question. Sterker: voor ik het wist bevond ik me op de neurologische afdeling van een hospitaal. 'Als u beslist terug wilt naar Amsterdam', zeiden de Duitse artsen, 'moet u onmiddellijk vertrekken. En héél hard naar het VU-ziekenhuis rijden.'

Mijn collega zag onderweg een man naast zich zitten die in hoog tempo verstijfde en dood gewicht werd. Mijn lichaam ging pijnloos op slot. Ik kon niet eens meer laten merken hoe groot de paniek was. Uiteindelijk sleepten drie verplegers me uit die wagen, werd ik in een rolstoel gekwakt en belandde ik in een bed, waar - floep - het licht voor tien dagen bij me uit ging. Ik zou ruim een maand op de intensive care verblijven. Mijn kwaal heette het Syndroom van Guillain Barré. Workaholics die voortdurend verkoudheden, koorts en griep wegwuiven, kunnen naar verluidt een overdosis produceren van de antistoffen die een mens normaal gesproken gezond houden. Cynisch uitgedrukt: je vergiftigt je ik. De zenuwwortels in het ruggemerg raken ontstoken, waardoor je op een polio-patiënt gaat lijken. Verdomd grappig hoor, de natuur. I k heb een zeer katholieke opvoeding genoten. Na de dood van mijn vader liet mijn moeder het protestantisme plotseling vallen om zich... nou ja, tot de paus te bekennen. Bekeerlingen zijn de strengsten, de ergsten. Ze hebben iets goed te maken, lijken een religie als een regime te beleven, worden uiterst devoot. En ze sláán hun kinderen bij wijze van spreken de kerk in. Mijn moeder stuurde me bovendien naar het Ignatiuscollege om les te krijgen van jezuïeten. Ik wil mezelf niet afschilderen als het slachtoffer van roomse terreur, dat zou belachelijk zijn, maar ik heb op die manier wel oog gekregen voor fanatisme. Daar moet ik absoluut niets van hebben. Ben ik allergisch voor. Een systeem, ook een godsdienstig of filosofisch systeem, gaat per definitie ten koste van mensen. Het doet geen recht aan de unieke individuen die wij stuk voor stuk zijn. Ik heb nooit tot een stroming, een partij of een sekte behoord, ik heb me nooit ergens mee geëncanailleerd. Ook niet in mijn puberteit en adolescentie. Iemand achterna lopen ligt niet in m'n aard, het leidt op den duur tot zelfverloochening. Om met de schrijver-schilder Apie Prins te spreken: ik ga mijn eigen baan.

In dat ziekenhuisbed had ik álle tijd om na te denken over gemaakte keuzes, de zin van het leven, blablabla. Ik dácht alleen niks. Het zal ongetwijfeld hol klinken, maar alles wat telt is die derde longontsteking, de zoveelste keer dat er trombosegevaar dreigt, een lever die begint op te spelen. Je wordt je lijf - althans de stand, de conditie van je lijf. Ik lag op de vijfde verdieping, beneden op straat zag ik een wonderlijk fenomeen: fietsende mensen! Fietsen, dat was toch onmogelijk? Hoe kón iemand dat nou? Jij ligt daar tenslotte alleen maar te zijn. Je hebt zelfs het vermogen om te hopen verloren.

Op het moment dat ik de tunnel inging, zeiden mijn dokters: 'De prognose is honderd procent genezing.' Een leugen om bestwil. Ik wist niet dat mijn hartspier en hersens ook aangetast konden raken. Niettemin begin je op een gegeven moment hilarisch te dromen over de dood. 's Nachts werd ik - in lavendelgeur en warme wind, flessen Médoc onder handbereik - op een Zuidfrans strand tevergeefs geopereerd door een paar wanhopige chirurgen: 'Oeps! Mis! Jakkes, naai maar dicht jongens, wordt niks.' Overdag speelde ik met relativerende gedachten. Goed, ik wilde liefst blijven leven, mijn eventuele overlijden kwam te vroeg, maar was het nou zo'n ramp? Ik had toch alles gezien, gezegd en gedaan, alles gedirigeerd? Berlijn, New York, Londen, Wenen: geen kans gemist, geen gelegenheid voorbij laten gaan. Redenen voor opstandigheid en zelfbeklag ontbraken. Ik ben sowieso geen Sombermans, hoe graag men dat mij ook aansmoest.

Halverwege de jaren tachtig raakte ik op de Autobahn verzeild in een ernstig ongeluk. Drie, vier pirouettes, vervolgens een frontale botsing. In alle eerlijkheid: geen moment doodsangst gevoeld. Zo was het ditmaal ook. Er maakte zich hooguit een vage, prettig-verdovende melancholie van mij meester: Goh zeg, jammer, met name voor mijn vrouw Jessie - ons feestje had best een tijdje door mogen gaan. Ik wens iedereen op zulke ogenblikken die mengeling van berusting en doodnuchtere Hollandsheid toe. G od? Ik zag hem niet, ik miste hem niet, ik verlangde niet naar hem. Hij - of zij, of het - was blijkbaar definitief achter de horizon verdwenen. In mij welde geen seconde iets religieus op. Er is niks: geen Heer, geen hel, geen hemel. Ik geloof in het hiernietsmaals. Veel mensen schijnen op het moment suprême te vragen naar een priester, smeken om absolutie, denken zich zo te te verzekeren van toegang tot het paradijs. Vind ik stiekum en laf. Lafheid is in mijn ogen het ergste van het ergste, niets is verwerpelijker dan lafheid - ik probeer uit alle macht nóóit laf te zijn.

Vraag me niet van waaruit ik leef. Ik kan daar geen antwoord op geven. Het zou onzin zijn om quasi-ingewikkelde dingen over het humanisme of de joods-christelijke traditie te roepen. Heb ik ook niet de minste behoefte aan. Ik doe gewoon mijn best. Ik zie onvoorstelbaar veel slechtheid, modieus gekoketteer en opportunisme om me heen. Wil ik niet, ben ik wars van. Mijn doel is simpel: een uitstekende muzikant zijn. Pretentieloos in de goede zin van het woord. Hopelijk slaag ik erin op weg naar dat doel anderen te ontzien, nauwelijks te kwetsen en schade aan te richten. Is dat niet voldoende? A ls ziekenbroeders het gordijn rondom mij dichttrokken, kreeg ik last van claustrofobie. Ik wilde mensen zien. Tegelijkertijd kon ik niemand verdragen: ik vond het vreselijk medelijden te wekken. De meesten konden niet liplezen, stonden me goedbedoelend maar blanco aan te staren. Dat versterkt het idee van op jezelf teruggeworpen zijn. Je communicatiemogelijkheden slinken tot die van een baby: janken of niet janken.

Jessie was een van de weinigen die de woorden moeiteloos uit mijn mond plukte. Het drong tot me door dat de situatie redelijk absurd was. In '74 stond ik waar zij nu stond, lag zij waar ik nu lag. Precies hetzelfde ziekenhuis; ze werd heen en weer geslingerd tussen leven en dood. Jessie haalde het maar net. Ik wil er graag kort en ontheatraal over zijn: wij weten beiden wat het is om op het punt te staan je partner te verliezen. Zoiets verdiept, verankert de bestaande verhouding. Mij is verteld dat Amerikaanse wetenschappers momenteel uitgebreide studies verrichten naar het geheim van decennialange relaties; in de VS achten ze geslaagde verhoudingen zo langzamerhand in strijd met de logica. Jessica en ik zouden de perfecte proefkonijnen zijn.

Als zieke kon ik naast mensen ook dat ándere essentiële in mijn bestaan niet aan m'n kop velen: muziek. M'n hele leven was ik het eens geweest met Stravinsky. 'Muziek', zei hij, 'kan en wil niets uitdrukken.' Extreem geformuleerd, maar voor mij volkomen herkenbaar. Ik genoot altijd van composities als composities, ik beschouwde ze niet als voertuigen voor de grote emoties, niet als middel om je te laten meevoeren - ik consumeerde de muziek sec, gebiologeerd door haar intrinsieke schoonheid. Nou, voor de patiënt Vonk ging die vlieger niet op. Ik kreeg een walkman in mijn handen geduwd, dacht even weg te kunnen doezelen bij een klarinetconcert van Mozart... knal! Huilen. Iedere noot was zout in de wond. Het ging te diep, het was te subliem. Verdriet en geprikkeldheid streden om de voorrang: ik ergerde me kapot, in die tijd was ik niet eens in staat mijn rechterarm op te heffen - toch geen onbelangrijk gebaar in mijn vak. Je bent een levende mummie, je wordt tegen je zin meegesleept. Buitengesloten maar opgezogen - heel gek. Dus weg met die koptelefoon, uit dat ding, uit! Ik wilde niets van mijn wereld weten zolang ik geen houvast had, er niet werkelijk in kon manoeuvreren.

Eenmaal aan de beterende hand luisterde ik naar Thelonious Monk, mijn favoriete jazz-pianist. Op die tonen - speelser, oppervlakkiger - zette ik de eerste stappen richting genezing. Er is geen medicijn tegen Guillain Barré; je moet complete rust nemen en wachten tot je spieren opnieuw gaan werken. Als het zaakje eindelijk in beweging komt, halen ze de beademingsappatuur weg. Ongelovig sloeg ik mezelf gade, ik vond mezelf een hele piet: Meneer ligt hier helemaal zelfstandig zijn longen vol te zuigen. Nee, ik had geen Lazarus-achtige ideeën. Je denkt niet in termen als wederopstanding. Je gaat snel over tot de orde van de dag, en je bent met tamelijk banale vragen bezig: wat zullen de mensen in dit ziekenzaaltje - onversneden Amsterdams pratende figuren - van mijn stem vinden? Kom ik niet te bekakt over? Zo klein, zo onzeker zijn wij mensen. D e fysiotherapeut, zeg ik vaak, was als een jonge broer die mij omtoverde van een stommelend Frankenstein-monster in een huppelende jonge god. Ik geloof dat we samen geen revalidatierecord heel hebben gelaten. In eerste instantie bleven drie tenen ongevoelig, maar die zijn het de afgelopen jaren weer gaan doen. Fysiek én psychisch reikt de invloed van de ziekte-ervaring op mijn leven lang niet zover als-ie volgens sommigen - inclusief spreker dezes, hoor - zou moeten doen. Van loutering, onthechting of vergeestelijking is geen sprake. Tot mijn verbazing kan ik nog steeds vloeken en tieren, blijf ik zonodig conflicten met musici aangaan, wind ik me op over details. Al in mijn beginperiode haalde ik bijvoorbeeld foutjes uit een orkest die andere dirigenten jarenlang hadden laten zitten.

Mensen zouden graag horen dat ik een metamorfose heb ondergaan. Sorry, integendeel. Dit valt waarschijnlijk onder het hoofdstuk 'Hans Vonk blijft Hans Vonk': net zo min als ik me in de houdgreep laat nemen door politieke of religieuze types, geef ik mijn identiteit prijs vanwege een ziekte. Ooit schreef een Engelse criticus over mij: 'He is his own man.' Ik ken geen betere typering.

Vergeef me de arrogantie, maar de directe confrontatie met mijn sterfelijkheid heeft me geleerd dat ik veel dingen goed zie. Al op het conservatorium besefte ik dat talloze dirigenten zichzelf ten onrechte bekijken als een godsgeschenk aan de mensheid. Ze koesteren almachtsfantasieën. Denken het centrum van het universum te zijn. Doen alsof niet de componist, maar zíj het eeuwige leven hebben. Beschamend. Arturo Toscanini had gelijk: 'Dirigeren is een nederig, dienend beroep. We brengen voor het voetlicht wat door anderen is bedacht. Laten we niet vergeten dat creëren de hoogste vorm van kunst is - wij zijn eenvoudige uitvoerders, begeleiders.'

Tussen mijn zevende en zeventiende heb ik behoorlijk wat stukken geschreven: een sonate links, een symfonietje rechts. In tegenstelling tot veel hedendaagse componisten durfde ik aan zelfkritiek te doen. Het waren kwaliteitsarme, niet bijster originele stukken; ik stopte acuut. Voor iemand die muziek lief heeft, bestaat er geen grotere teleurstelling. Het is en blijft een stap terug. Sinds dat besluit ben ik gaan walgen van de egotrippers en praalhanzen in mijn professie. Waarom was Mengelberg zo fout, zo naïef in de Tweede Wereldoorlog? Waarschijnlijk omdat grootheidswaanzin en dictatoriale neigingen hem verblindden.

De schuimkloppers vormen een ras dat nooit zal uitsterven. Ik noem geen namen van nog levende collega's. Iedereen ziet ze rondlopen, ook in Nederland. Ik vind het spijtig dat het publiek zich door hen laat verleiden. Het is veel interessanter stil te staan bij onijdele, natuurlijke dirigenten als Klemperer, Furtwängler, Abbado. Mensen met wie ik me verwant voel, mensen die effectbejag verafschuwen, zichzelf wegcijferen en de muziek centraal stellen. De beste dirigenten zijn naar mijn overtuiging doorgaans anti-dirigenten. I k zal tot mijn laatste ademtocht met de vraag worden achtervolgd: was het geen deceptie dat jij, de voor de hand liggende opvolger van Haitink, niet werd benoemd tot eerste man van het Concertgebouworkest? Ja en nee. Het was inderdaad mijn natuurlijke biotoop: mijn vader had er gespeeld, de musici kwamen bij ons over de vloer, ik bezocht van jongs af aan de concerten, op mijn 27ste werd ik Bernards assistent... enzovoorts. Toch stemde de afwijzing mij niet bitter. Ik maakte me voornamelijk kwaad over de onvoorstelbare onzorgvuldigheid van de selectie-procedure, de plompverloren wijze waarop Chailly naar voren werd geschoven. Verder was het niet zo heavy; naar iets verlangen is niet hetzelfde als ergens op rekenen.

Mijn ziekte heeft bijgedragen aan de verwerking van die episode. Alles, zélfs het veelgeprezen Concertgebouworkest, bleek betrekkelijk. Wat aan wroeging resteerde, is verdwenen door mijn recente aanstelling bij het Saint Louis Symphony Orchestra - exact tien jaar na die onverkwikkelijke affaire. De orkestleden hebben me unaniem gekozen. Ik ervaar deze benoeming als de definitieve erkenning: het Saint Louis behoort tot het handjevol Amerikaanse toppers, twee seizoenen terug trad het gezelschap hier nog op in de serie 'Wereldberoemde Symfonie-orkesten'. Need I say more?

Veel verder dan dit kan ik niet willen. Innerlijke rust; uiterlijke bevestiging. Als kind was ik volledig ambitieloos. Ik heb altijd terugverlangd naar die tijd. En kijk nou eens. Niets hoeft, niets moet, niets meer te vrezen.