De vrijhandelszone is volkomen leeg en aan de kade ligt geen enkel schip; Pyongyang kan schijn niet meer ophouden

De kluizenaarsstaat Noord-Korea kan zijn economische problemen niet langer voor zich houden. Het land heeft een schreeuwend gebrek aan graan, brandstof en bouwmateriaal. Het regime zal de grenzen moeten openen om het land draaiende te houden, maar vreest daarmee de 'verderfelijke' invloed van buitenlandse ideeën, waarmee het zijn eigen ondergang over zich kan afroepen.

PYONGYANG/SEOUL, 3 JUNI. 105 verdiepingen meet het piramidale Ryugyong Hotel in het centrum van Pyongyang, een fraai vormgegeven betonblok van ruim 300 meter hoog. Dit had het boegbeeld moeten worden van communistisch kunnen, het ultieme bewijs van de superioriteit van de Democratische Volksrepubliek Korea op het Koreaanse schiereiland. Maar de kraan op de top staat al geruime tijd stil, de betonmolens draaien niet meer. Het materiaal ontbreekt om de 5.000 kamers tellende kolos af te maken.

Autarkie, zelfredzaamheid was het loffelijk streven van Kim Il Sung, stichter van de Democratische Volksrepubliek Korea in 1948. Met veel steun uit de Sovjet-Unie en China slaagde hij er lange tijd in het land draaiende te houden, zonder noemenswaardige contacten met het buitenland. Noord-Korea was er trots op van niets en niemand afhankelijk te zijn.

De opheffing van de Sovjet-Unie in 1991 en het dichtdraaien van de geldkraan uit Moskou, betekende een grote klap voor Pyongyang. Nu wreekte zich de afwezigheid van buitenlandse handel en de grote defensieuitgaven (20 procent van het nationaal inkomen). Er ontstond gebrek aan alles: brandstof, bouwmateriaal, onderdelen en ten slotte ook voedsel. Noord-Korea heeft zelf weinig grondstoffen en was sterk afhankelijk van aanvoer uit bevriende naties. Het opzetten van exporterende bedrijven paste niet in de autarkische gedachte en bleef dus goeddeels achterwege.

Na 1991 zocht Noord-Korea daarna naarstig naar nieuwe handelspartners en stond zelfs bedrijven uit de grote rivaal Zuid-Korea mondjesmaat op zijn grondgebied toe. Maar nog steeds is de handel minimaal. Volgens cijfers uit 1992 bedroeg de exportwaarde 920 miljoen dollar en werd voor 1,5 miljard geïmporteerd. Dat is precies een halvering van zowel in- als uitvoer sinds 1988, toen de Russische suikeroom nog garant stond voor meer dan de helft van de 'handel'.

De totale Noordkoreaanse economie is de afgelopen jaren met vijf procent per jaar geslonken. De economie drijft nu in feite nog op twee wankele hulpstromen: China, dat Pyongyang net genoeg geeft om het hoofd boven water te houden, en het Noordkoreaanse deel van de Koreaanse gemeenschap in Japan. De Noordkoreanen in Japan staan zeer sympathiek ten opzichte van het Noordkoreaanse regime. Ze zijn aangesloten bij de Chochongryon, een vereniging van fanatiek communistische Koreanen. Maar de economische crisis in Japan heeft hun portemonnee platter gemaakt. De Chonchongron zou nog slechts 75 miljoen dollar per jaar kunnen overmaken naar Noord-Korea.

Dat is waarschijnlijk niet genoeg om het land draaiende te houden. Pyongyang beseft dat het menens is: het zal zich moeten aanpassen of het regime gaat ten onder aan zijn eigen zelfvoorzienend ideaal. Maar hoe haal je de 'markt' binnen, zonder ideologisch water bij de wijn te doen en zonder de bevolking te 'bederven met verfoeilijke Westerse ideeën'?

Door een afgesloten economische vrijhandelszone te openen bij voorbeeld. Vier jaar geleden werd in het uiterste noordoosten van het land begonnen met de aanleg van de Ranjin-Sonbong Free Economic and Trade Zone. Dat klinkt heel wat, maar het is niks. Volgens zakenlieden en diplomaten in Seoul die het gebied bezochten - verslaggevers worden er niet toegelaten - is het terrein volkomen leeg. De Zuidkoreaanse zakenman Rho Chung Ho voorzag de Noordkoreanen van een 80 kilometer lang hek van prikkeldraad dat de zone hermetisch van het land afsluit. “Het hek is het enige dat er is gebouwd, andere faciliteiten zijn er niet en daarmee is het in die uithoek onaantrekkelijk voor buitenlandse investeerders”, zegt een Westerse diplomaat in Seoul.

Nampo, aan de westkust, is naar eigen zeggen Noord-Korea's grootste havenstad. Maar een streng gecontroleerd propagandabezoek aan de stad kan de kommervolle staat van het land niet vervullen. Aan de kade van Nampo ligt geen enkel schip, één coaster vaart in de monding van het estuarium van de Chaenyong-rivier. Tachtig procent van de Noordkoreaanse in- en uitvoer gaat via Nampo, deelt een functionaris mee.

Buitenlandse bedrijven wachten vooral af hoe Noord-Korea zich zal ontwikkelen. Mocht het land straks werkelijk opengaan, dan zijn degenen die er het eerst bij zijn in het voordeel. Noord-Korea heeft voor het kapitalisme namelijk één zeer aantrekkelijke kant: goed-opgeleide, gedisciplineerde arbeidskrachten die ook nog zeer goedkoop zijn. Een Noordkoreaan verdient ongeveer 120 won per maand, minder dan 100 gulden (partijfunctionarissen verdienen iets meer).

In Pyongyang bestaat een speciale commissie voor de “promotie van externe economische samenwerking”. De woordvoerder ervan, Kim Mun Song zegt dat het investeringsklimaat uitstekend is: “We hebben geen stakingen en geen rellen. In ons land weten we niet wat dat is. We willen handel geen bedelarij.” Kim zegt dat er toezeggingen voor investeringen van 200 miljoen dollar zijn, zonder namen te noemen.

De ING-bank zal met het vooruitzicht van verandering als eerste buitenlandse bank een kantoor openen in Noord-Korea, waarschijnlijk deze maand. De bank beschouwt het als een proefballon en houdt de kosten voor de zekerheid laag.

In Pyongyang loopt een enkele verdwaasde buitenlandse ondernemer rond. De Amerikaanse zakenman in sportartikelen Stephen DeVoss is naar Pyongyang gekomen om te kijken of er mogelijkheden voor hem zijn, maar hij moet zich als toerist gedragen. “Ik slaag er maar niet in contact te leggen met mensen met wie ik zaken zou kunnen doen”, zegt hij. De Belg Ludo (geen achternaam) laat in Noord-Korea zijn diamanten slijpen, hij bewoont op kosten van de Noordkoreanen een hele verdieping van het Koryo Hotel. Informatie wenst hij beslist niet te verstrekken, dat zou zijn positie in het land onmogelijk maken.

Veel Chinese ondernemers zoeken dezer dagen het avontuur in Noord-Korea, meer uit avontuur dan afgaand op korte termijn-winst. De Chinezen gokken erop dat Noord-Korea binnen een paar jaar het roer volledig zal (moeten) omgooien en wie dan al contacten heeft kan zich spekkoper noemen. Wei Chenlian is een handelaar uit het Chinese Dalian. Hij heeft plantaardige olie en wijn in de aanbieding en zoekt naar ruilprodukten, maar hij heeft nog niets gevonden.

De Chinezen rekenen zich in alle opzichten rijk; niet alleen zijn ze economisch veel beter af dan de Noordkoreanen, de grote mate van vrijheid die de Chinees in eigen land nu geniet (uitgesloten het terrein van de politiek) steekt schril af bij de dictatuur die een Noordkoreaan zich moeten laten welgevallen.

Tachtig procent van het Noord-Koreaanse grondgebied bestaat uit bergen. Van het bestaande landbouwareaal kan dat in het noorden wegens de koude winters maar twee maanden per jaar worden gebruikt, in het zuidelijk deel van Noord-Korea is dit vier maanden.

'Rijst is communisme' staat op een groot bord bij een agrarische commune en 'Laat ons leven en vechten als helden'. De boerderij heeft zoals elke instelling in Noord-Korea ooit 'persoonlijke instructies' van Kim Il Sung ontvangen, on the spot guidance heet dat. Hier werken 2.000 boeren die rijst, maïs, sojabonen en gierst verbouwen. Ze beschikken over 110 Kunsong-tractors van Noordkoreaanse makelij. De gehele opbrengst gaat naar de staat, die de boeren 80 chon (1 won = 100 chon= ± 0,75 gulden) betaalt per kilo rijst; in de winkel kost een kilo rijst slechts 8 chon.

De uitgestrekte velden van het collectief liggen er uitgestorven bij, waar zijn de 2.000 boeren? “Ze rusten”, zegt Kim Hye Rim, een 25-jarige vrouw, die rondleidt. Wat zou ze ervan vinden als de landbouw net als in China open zou gaan voor privatisering. De gids zegt dat ze die vraag niet kan beantwoorden. “Trouwens, we hebben zo ook genoeg te eten, we hebben geen werkloosheid en geen bedelaars.”

Maar Noord-Korea heeft wel degelijk een voedseltekort, anders valt de import van graan niet te verklaren, het is een stap die volkomen tegen de filosofie van de zelfredzaamheid ingaat en alleen uit grote nood kan zijn ingegeven.

In maart vervoerde het exportbedrijf Bartlet uit de Amerikaanse staat Kansas 54.000 ton maïs via Seattle naar Noord-Korea, na speciale goedkeuring hiervoor te hebben gekregen van het ministerie van handel in Washington. Een woordvoerder van het bedrijf, Jim Anderson, bevestigt dit telefonisch. Er zouden meer verschepingen op het programma staan. Noord-Korea zond eerder kleine onderzoeksteams naar de VS op zoek naar goedkope maïs, bonen en andere essentiële landbouwprodukten, zo zeggen Amerikaanse regeringsbronnen.

Het Zuidkoreaanse bedrijf Kornex kreeg begin deze maand het groene licht voor de export van 4.000 ton meel, dat zal worden geruild tegen 1.000 ton zink; Noord-Korea heeft namelijk nauwelijks buitenlandse valuta. Het is de eerste maal dat de Zuidkoreaanse regering toestemming geeft voor de handel in voedsel met het noorden, tot nu toe werd dit tegengehouden uit vrees dat Noord-Korea hieruit militair profijt zou kunnen trekken.

Volgens Zuidkoreaanse bronnen heeft Noord-Korea een tekort van twee miljoen ton graan in totaal en zijn de Amerikaanse en Zuidkoreaanse leveranties bij lang na niet genoeg. Deze week vroeg Pyongyang daarom ook Japan om rijst, terwijl bij de Verenigde Naties zelfs het verzoek om gratis voedselhulp is ingediend. Voorts melden Zuidkoreaanse regeringsfunctionarissen dat een deel van de bevolking van Pyongyang naar het platteland zal worden gestuurd om te helpen bij de oogst.

In Pyongyang weet het regime de schijn van het goede leven nog aardig op te houden. De gasten in de paar hotels die de stad rijk is krijgen een overdadige dis voorgeschoteld. De winkels zijn opmerkelijk goed gevuld, maar uitgesloten mag niet worden dat dit speciaal voor het buitenlandse bezoek is gebeurd. Bovendien is Pyongyang vooral een elitestad: de trouwste van de 23 miljoen burgers hebben het voorrecht in de hoofdstad te wonen en zij krijgen een betere verzorging dan de mensen in de rest van het land.

Wat is werkelijkheid en wat is schijn in de Democratische Volksrepubliek Korea? “Ik geloof op basis van wat ik heb gezien niet dat dit land spoedig in elkaar zal zakken”, zegt de bezoekende Amerikaanse econoom Keith Ferguson. “Dit is niet te vergelijken met de vroegere landen in Oost-Europa of met Mongolië, eind jaren tachtig, waar de economieën op hun laatste benen liepen.”

Maar een Franse diplomaat reageert en passant: “Hoe vinden jullie de show die je krijgt voorgeschoteld?” Is het niet echt dan? “Dat kan ik niet zeggen, wat ik jullie voorhoud is: laat je gezond verstand het werk doen en dan weet je genoeg.”