De kracht van de beweging

H. FLORIS COHEN: The Scientific Revolution. A Historiographical Inquiry

662 blz., The University of Chicago Press 1994, ƒ 168,- (pb ƒ 65,55)

Velen herinneren zich uit populair-wetenschappelijke lectuur de reuzengestalten van Galileo Galilei (1564-1642) en Isaac Newton (1642-1722) die aan de natuur- en sterrenkunde een geweldige stoot hebben gegeven. Floris Cohen, voormalig conservator van het museum voor natuurwetenschappen in Leiden, het Boerhaave museum, en nu hoogleraar in de geschiedenis van de natuurwetenschappen aan de TU Twente, verkeerde in de goede positie om te onderzoeken hoe de geschiedschrijving de laatste tweehonderd jaar over deze helden van de geest en hun bewogen levenstijd heeft gedacht. Niet de enige, maar wel de belangrijkste leidraad in het monumentale werk dat hij heeft geschreven is de vraag of die wending van zo'n 400 jaar geleden met recht door zovelen de Natuurwetenschappelijke Revolutie wordt genoemd.

In het eerste deel van zijn boek inventariseert en vergelijkt Cohen wat verschillende auteurs over de wetenschappelijke ontwikkelingen rond 1600 te vertellen hebben. In het tweede deel onderzoekt hij in het voetspoor van een enkele schrijver waarom die doorbraak zich wel in Europa voltrok, en elders niet. In een derde, kort, deel overweegt Cohen tenslotte de waarde van het begrip Natuurwetenschappelijke Revolutie, en zet hij in het kort uiteen hoe hij zelf denkt dat die omwenteling is verlopen.

Cohen laat de geschiedschrijving van de natuurwetenschappen beginnen bij de Verlichting, toen de voortgang van het menselijk vernuft voor het eerst geanalyseerd werd door Kant. Tot diep in de negentiende eeuw ontbrak het echter nog zozeer aan bronnenkennis dat de speculatieve geest kon waaien waar hij wilde. Juist in deze tijd ontstond het heroïsche beeld van Renaissance-wetenschappers als Galilei en da Vinci. Pas aan het einde van de eeuw zorgde de oplevende belangstelling voor de filologie voor een oppositie die onder verwijzing naar de bronnen het bestaan van een breuk in de geschiedenis bestreed. Haar aanhangers waren (en zijn) van mening dat de wetenschap zich langs lijnen van geleidelijkheid heeft ontwikkeld.

Orde

Aanvoerder van die stroming was de Franse historicus Pierre Duhem die in 1913 triomfantelijk vaststelde dat Parijse scholastici al in de veertiende eeuw de problemen rond het begrip beweging hadden opgeruimd. Beweging is een concept dat implicaties bevat voor zowel de toestand waarin de hemellichamen ten opzichte van elkaar verkeren, als voor het fysieke verkeer op aarde. De Aristotelische mechanica die de middeleeuwen beheerste had niet goed kunnen begrijpen hoe een lichaam blijft bewegen als de hand of het toestel dat het daartoe heeft gebracht het contact met het lichaam verliest. Maar in de veertiende eeuw kwam een aantal geleerden het ingewikkelde verband tussen tijd, weg en eenparig versnelde beweging op het spoor, dat later door Galilei en Newton ontsluierd zou worden. Voor de kracht die de beweging onderhoudt gebruikten zij het begrip 'impetus', dat zich laat vertalen met 'vaart'.

Tot degenen die ook een groot belang hechtten aan de impetus-theorie als wegbereider van de moderne natuurkunde behoorde de Nederlander Dijksterhuis. Net als Duhem maakt hij deel uit van de paar namen die in de eerste helft van deze eeuw de wetenschapshistorie grondvestten. In 1924 verdedigde hij in Val en worp de geleidelijke ontwikkeling van de bewegingsleer en in 1950 vestigde hij zijn reputatie met de publikatie van De mechanisering van het wereldbeeld. Het proces dat de titel vermeldt, mechanisering, wordt door velen juist als een verworvenheid van de Natuurwetenschappelijke Revolutie beschouwd, maar Dijksterhuis bespeurde het al in de Griekse oudheid.

De man die echter een wereld van verschil zag tussen de Aristotelische en de zeventiende-eeuwse wetenschap was de Frans-Russische émigré Alexander Koyré. Daarvan getuigde hij in een aantal opstellen over Galilei en Descartes die hij vlak voor de Tweede Wereldoorlog schreef. Ook voor Koyré was de bewegingsleer de toets voor het al of niet bestaan van een Natuurwetenschappelijke Revolutie. Hij nu was van mening dat het rekenwerk dat Galilei aan een vallend lichaam had gedaan, en aan de banen die kogels over gladde vlakken trekken, een nieuw, meetkundig heelal had geschapen. In dat heelal waren de dingen op aarde niet langer zus, en de goddelijke zaken aan de hemel zó ingericht, zoals in het stelsel van Ptolemaeus, maar waren hemel en aarde ondergebracht in één natuurkundige orde.

Drukkunst

Toch bleven problemen over die zich eigenlijk makkelijker lieten oplossen in een evolutionair model van de wetenschappelijke ontwikkeling. Zo was het belang van het wetenschappelijk experiment al in de dertiende eeuw verkondigd door de Engelsman Roger Bacon, en lang voor 1600 waren ambachtslieden, artsen en alchemisten in ateliers aan het proeven nemen, niet gehinderd door enig besef van een meetkundige heelal. Scheikunde en artsenij lieten zich trouwens slecht onderbrengen in de harde versie van de Natuurwetenschappelijke Revolutie. Bovendien tapten ook geleerden als Giordano Bruno en Newton nog uit het mystiek vaatje waarin veel oudere magisters en neo-platonisten naar wijsheid hadden gezocht. De tweede kampioen van de Natuurwetenschappelijke Revolutie die Koyré onderscheidde, René Descartes, hield er bijvoorbeeld een natuurfilosofie op na die in werkelijkheidszin weinig onderdeed voor middeleeuwse esoterische stelsels.

Hoewel Koyré's postulaat van een ongedeelde Natuurwetenschappelijke Revolutie dus van alle kanten is aangevallen - op zijn chronologie, op zijn verwaarlozing van de zachtere takken van de wetenschap, en op zijn onderschatting van de hardnekkigheid van het magisch denken - stemt Cohen aan het einde van het eerste deel in met diens algemene bewering dat daar (Europa) en toen (omstreeks 1600) iets moois werd verricht, niet minder dan een 'wonder' in de woorden van Einstein. Als dat zo is, hoe kwam dat wonder dan tot stand? Een stoet van wetenschappelijke specialisten uit onze eeuw passeert de revue om die vraag te beantwoorden. Achtereenvolgens maken zij aannemelijk dat de christelijke waardering voor handarbeid, het heliocentrisme van Copernicus, de herontdekking van Archimedes, de crisis waarin leerstellig en politiek gezag in de Renaissance verkeerden, en de ineenstorting van het feodalisme de ontketening van de Natuurwetenschappelijke Revolutie ten gevolge heeft gehad. Een paar van de belangrijkste factoren mogen hier volgen.

Cohen ziet de Pool Copernicus (1473-1543) op voorspraak van enkele auteurs, meer als de laatste middeleeuwse astronoom dan als een voorman van de Natuurwetenschappelijke Revolutie. Copernicus verstootte de aarde in 1543 uit zijn middelpuntige positie en maakte haar in zijn De Revolutionibus Orbium Coelestium ('over de omwentelingen van hemellichamen') tot beweeglijke planeet om alle noodconstructies op te ruimen die in de loop der eeuwen het oorspronkelijke Ptolemeïsche stelsel hadden bedolven. Die correctie had hij meer 'bij wijze van spreken' ingevoerd dan om op de feitelijke stand der sterren te wijzen. Tot op het einde van zijn leven was Copernicus dan ook trotser op zijn andere snoeiwerkzaamheden in de astronomische wildgroei dan op die ene correctie. Maar na een kleine eeuw smeulen zou déze bijstelling haar revolutionaire lading onthullen.

Wat de de drukkunst precies voor de natuurwetenschappen heeft gedaan is nog minder goed na te gaan dan de invloed van de Copernicaanse tijdbom, maar het is niet gering. Met een mengsel van ergernis en bewondering bespreekt Cohen het baanbrekende werk van Elisabeth Eisenstein, The Printing Press as an Agent of Change (1979), dat wel erg veel krediet opeist voor deze bijdrage aan de beschaving. Vast staat dat vóór de drukkunst veel wetenschappelijk onderzoek bij gebrek aan weerklank verzandde, maar anderzijds bevorderde de drukpers de verspreiding van eeuwenoude vooroordelen. Toch liepen katholieke streken die censuur uitoefenden meteen achterstand op ten opzichte van de verdraagzamere protestantse landen. Om, onder andere, die reden verschoof het initiatief van het zuiden (Galilei) naar het noorden (Newton) van Europa.

Een auteur die ook nogal werk maakt van de reis van de Natuurwetenschappelijke Revolutie naar het noorden is de Israelische historicus Joseph Ben-David. Maar in Cohens ogen is een andere stelling van Ben-David van groter belang dan de zeer Britse voorwaarden ('nuchter utilitarisme') die de laatste voor geslaagde wetenschapsbeoefening nodig acht. Ben-David schrijft namelijk dat zich nergens en nooit een ononderbroken ontwikkeling van kennis heeft voorgedaan. Niet geleidelijke accumulatie was de norm in de geschiedenis, maar stagnering en verval. Men kan zich voorstellen dat Cohen zich verheugt in deze mededeling, die steun geeft aan Koyré's beweringen over een unieke doorbraak in de natuurwetenschappen ná Galilei.

Islam

Ben-Davids hypothese wordt op de proef gesteld in het lange hoofdstuk dat Cohen wijdt aan de vraag waarom zich buiten Europa geen wetenschappelijke doorbraak heeft voorgedaan. Twee serieuze kandidaten voor een eigen ontwikkeling dienen zich aan, China, en wat een beetje losjes 'de islam' heet.

In het geval van China betekent dat een uitvoerige discussie met de vele boekdelen van, de onlangs overleden, Joseph Needham over 'Wetenschap en beschaving in China'. Op dit punt krijgt de lezer de indruk dat Cohen zich moet vermannen om het mes in een halve eeuw noeste arbeid te zetten. Omvang en reputatie van Needhams werk maken het niet makkelijk kritiek te leveren en Cohen heeft dan ook meer ruimte nodig dan een zakelijke behandeling vereist. Maar aan het einde van zijn ontleding is er weinig heel van Needhams hartstochtelijke pleidooien voor China als oorspronkelijke en afzonderlijke bron van de wetenschap. Bij Needham is de wens tot eerherstel van China de vader van vele van zijn gedachten geweest.

De islam, of islamitische wereld, is veel dichter in de buurt van een eigen ontsteking van het wetenschappelijk licht geweest dan China. Volgens Cohen had de islam 'een Galilei' kunnen voortbrengen, maar zou zo'n figuur zich niet hebben kunnen handhaven. De zelfgenoegzaamheid van de islamitische samenleving en de golven van religieuze orthodoxie die geregeld kwamen opzetten, boden te weinig gelegenheid tot vrije bespiegelingen en proefnemingen. Maar, haast Cohen zich te zeggen, de Mongoolse aanvallen op de Abassidische rijken hebben het hunne aan de islamitische impasse bijgedragen, en als de Gouden Horde geen halt had gehouden in Rusland, was er in het Westen ook nooit een Natuurwetenschappelijke Revolutie van de grond gekomen.

Na vele bladzijden interpretatie van andermans werk trekt Cohen in het laatste deel in enkele bladzijden het eigen staketsel van de Natuurwetenschappelijke Revolutie op. Maar de lezer wrijft zich de ogen uit als de schrijver kort daarna erop aandringt dat “het idee gered moet worden”, dat “het begrip Natuurwetenschappelijke Revolutie toch echt meer dan een metafoor is”, dat “er omstreeks 1700 werkelijk iets in Europa bestond dat er honderd of tweehonderd jaar daarvoor niet was geweest”. Bij de tewaterlating van de ogenschijnlijk stevig onderbouwde Natuurwetenschappelijke Revolutie lijkt het vertrouwen Cohen in de steek te laten. Ook de plotselinge liefdesverklaring aan het 'genie' van Galilei en Newton tegen het einde van het boek maakt de indruk van een poging de kieren te breeuwen terwijl het schip van de werf loopt.

Grote twijfel

Cohen heeft een werk geschreven dat niet misstaat in het gezelschap van Dijksterhuis en Hooykaas, meesters die hem hier te lande voorgingen in de geschiedschrijving van de natuurwetenschappen. Alpha's en bèta's zullen gelijkelijk geïnspireerd worden door de lezing van Cohens nauwgezet verslag, dat altijd goed, en soms heel geestig geschreven is. Het bevreemdt wel dat de schrijver tezelfdertijd benadrukt dat de 'methodologie' maar een kleine rol heeft gespeeld bij de wetenschappelijke vernieuwing, èn dat hij zo veel waarde hecht aan het feit dat Galilei voor het eerst systematisch hypothesen formuleerde en toetste.

De historicus van de middeleeuwse technologie Lynn White, wiens snijdend commentaar op anderen Cohen veelvuldig met genoegen citeert, wordt geen recht gedaan door hem op één hoop te gooien met een zogenaamd verloren zaak, te weten de continuïteit van het natuurwetenschappelijk verloop. En die kleine aanmerking voert tenslotte tot de grote twijfel, net als Cohen tegen het einde van zijn exposé overkwam, of het dierbare begrip Wetenschappelijke Revolutie wel zo'n geschikte betiteling is voor de onmiskenbare vernieuwingen die zich rond 1660 voordeden. Buiten de staat- en sterrenkunde kan het woord revolutie immers niet anders dan een metafoor zijn, erfstuk uit een woordenstrijd over 'continuïteit versus revolutie' die in de jaren zestig en zeventig al voor meer verwarring dan verklaring heeft gezorgd.