De boedel van Buitenzorg; Erfenissen van de koloniale staat in het moderne Indonesië

In het Jubeljaar 1995 hoort ze het liever niet, maar de Republiek Indonesië lijkt op haar voorouder Nederlands-Indië. De nationalistische beweging putte ook uit Javaanse bron. De resten Nederlands-Indië die overleefden veranderden zo van karakter. De paleizen, ministeries en gerechtsgebouwen die bleven staan, kregen nieuwe bewoners met andere manieren. De Beambtenstaat werd een Familiestaat.

De zesbaans tolweg naar Bogor, een stadje in de koele heuvels bezuiden het hete Jakarta, eindigt nagenoeg voor het hek. Het paleis staat er nog in al zijn luister. De gazons zijn strak geschoren, het witte marmer is geboend en de damherten in het park zijn weldoorvoed. Toch is de laatste bewoner al lang geleden vertrokken. Dat was in 1968, toen Soekarno zijn presidentiële titel moest afstaan aan generaal Soeharto. Sindsdien wordt het paleis zorgvuldig onderhouden, maar blijft het onbewoond. Als een kroonjuweel dat niemand draagt en dat alleen op afstand wordt bewonderd. De nieuwe president houdt er af en toe chique partijen, zoals tijdens de APEC-top in november, toen de leiders van achttien staten rond de Stille Oceaan, onder wie president Clinton en premier Murayama, in batik-hemden poseerden op het bordes van het voormalige Paleis Buitenzorg.

Van het midden van de negentiende eeuw tot in onze eeuw deed het buiten met de witte Ionische zuilen dienst als residentie der gouverneurs-generaal van Nederlands-Indië. De 'met schier despotisch gezag beklede landvoogden in Buitenzorg', zoals bestuursadviseur C. Snouck Hurgronje hen in 1918 betitelde. Hier draaide regisseur Fons Rademakers de beroemde scène uit Max Havelaar, waarin de rebelse assistent-resident, gespeeld door Peter Faber, vergeefs belet vraagt bij de gouverneur-generaal. Als de deuren van diens kabinet gesloten blijven en Havelaar geen gehoor vindt voor zijn protest tegen de knevelarijen van de adipati (regent) van Lebak, wendt hij zich vertwijfeld tot het portret van koning Willem III in de hal en roept: “Meer dan dertig miljoen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen. In Uwen naam!”

De Japanners roofden alle Nederlandse kunstschatten uit Buitenzorg. Toen het in 1950 toeviel aan de Indonesische staat, nam Soekarno het in gebruik als weekeinde-verblijf. De grote Bung was de zoon van een Indische ambtenaar, ging in Surabaya naar de HBS en werd in Bandung opgeleid tot ingenieur. Hij genoot ervan hof te houden in de residentie van zijn koloniale voorgangers en drukte een persoonlijk stempel op de inrichting. Zijn collectie erotische kunst is ondergebracht in een gesloten zaal, die op speciaal verzoek is te bezichtigen.

Soekarno werd ten val gebracht door de boerenzoon Soeharto. Diens wereldbeeld werd gevormd door een jeugd in de desa, een carrière in het leger en, niet in de laatste plaats, de kejawen of Javaanse traditie. Hij kijkt met andere ogen naar dit paleis. De koningen van Java plachten hun hoven te verplaatsen zodra de plek zijn wahyu verloor, een kracht van goddelijke oorsprong, waaraan de vorst zijn vermogen tot regeren ontleent. Eén van de bronnen van wahyu zou de plaats zijn waar de troon staat. Na de ineenstorting van de Nederlands-Indische staat en de val van Soekarno was het paleis in Bogor nog slechts een symbool, niet langer de 'zetel' van de macht.

In het openbaar voert de president andere argumenten aan voor zijn besluit om de paleizen van zijn voorganger niet te betrekken en te blijven wonen in het Jakartaanse Menteng, ooit de favoriete woonwijk van hooggeplaatste Hollanders. Tegen zijn biografen vertelde hij: “Niet dat ik niet wilde, maar ik deed het in het belang van de familie. Ik verkoos buiten het paleis te blijven opdat de kinderen niet buiten de maatschappij zouden opgroeien.” Soeharto laat zich graag kennen als een vader die alles over heeft voor zijn familie. In engere zin, zijn vrouw en kinderen, en in ruimere zin: het Indonesische volk. Een welwillend maar gestreng patriarch.

Gelijkenis

De president was geschokt. In april bezocht hij Duitsland, waar hij de opening van de Hannover Messe bijwoonde. Tijdens het bezoek werd hij tot tweemaal toe geconfronteerd met demonstranten, onder wie enkele Molukkers uit Nederland en Oost-Timorese ballingen uit Portugal, die aandacht vroegen voor de mensenrechten in Indonesië. In Hannover bleven zij op afstand, een zwijgende slagorde met sprekende spandoeken, maar in Dresden stond de president oog in oog met betogers die zijn limousine omstuwden en hem weinig vleiende teksten toeriepen. Tijdens de vliegreis huiswaarts stak de immer beheerste Soeharto een geëmotioneerde monoloog af, waarbij hij onwillekeurig overging van het Indonesisch in zijn moedertaal, het Javaans.

De betogingen waren het werk van 'waanzinnigen', zei hij, Indonesiërs die hun volk verkwanselden in het buitenland en tegen wie moest worden opgetreden. In zijn resolute afwijzing van de demonstraties beriep de president zich op “de ouden, die in de loop der eeuwen zaman edan, tijden van waanzin hebben gekend, tijden waarin je niet meetelt als je niet gek bent. Zij leerden ons dat de waanzinnigen blij mogen zijn dat er nog mensen bij hun positieven zijn en waakzaam blijven”. In de kennelijk niet gespeelde uitbarsting van Soeharto klonk de echo van een ver verleden, toen er over Java koningen heersten die hun roeping lazen in de Hindoe-kosmologie. In de Vierde Periode, waarin de wereld ten prooi is aan waanzin, is het de taak van de vorst de krachten der duisternis te bestrijden en de orde te herstellen.

Is die patriarchale, zelfs monarchale stijl nu een Javaanse of een Nederlandse erfenis? “Ons stelsel wordt gekenmerkt door een bovenmate sterke uitvoerende macht en dat is een rechtstreekse voortzetting van de Nederlandse bestuurspraktijk”, zegt Aloysius Benedictus (Ben) Mboi, lid van Indonesië's Hoge Adviesraad. Mboi was van 1978 tot 1988 gouverneur van de Oostelijke Sunda-Eilanden, zijn geboortestreek. In 1989 en 1990 maakte hij in opdracht van de minister van binnenlandse zaken in Leiden een studie van het plaatselijk bestuur in Nederlands-Indië. Bladerend in oude folianten werd hij getroffen door de staatsrechtelijke gelijkenis tussen kolonie en republiek. “Een interessant verschil tussen toen en nu”, zegt Mboi, “is dit. De gouverneur-generaal kon de adviezen van de Volksraad, het zwakke koloniale parlement, naast zich neerleggen, maar hij was verantwoording schuldig aan de minister van koloniën en de Staten Generaal in Den Haag. De Republiek kent echter geen tegenwicht van betekenis voor de macht van de president.”

Lessen

Het gerechtsgebouw aan de voormalige Molenvliet, een straat die nu de naam draagt van de Javaanse veldheer Gajah Mada en driemaal daags dichtslibt met toeterende auto's, herbergt tegenwoordig de arondissementsrechtbank Jakarta-centrum. In de twee rechtszalen is sinds de jaren dertig niet veel veranderd. Alleen het portret van koningin Wilhelmina is vervangen door het Indonesische wapenschild, geflankeerd door de staatsieportretten van president en vice-president. Vorig jaar maart stond hier Yeni Rosa Damayanti voor de rechter.

Yeni, dochter van een hoge landmachtofficier, studente biologie en milieu-activiste, vertegenwoordigt een nieuwe generatie Indonesiërs, die de geschiedenislessen over de onafhankelijkheidssstrijd toepast op het hier en nu. Yeni en enkele medestudenten hadden in december 1993 in het parlementsgebouw gedemonstreerd. Op één van hun spandoeken stond de tekst: 'Interruptie! Is dit een democratie of een monarchie?' De rechter veroordeelde hen tot twaalf maanden hechtenis wegens belediging van president Soeharto.

Yeni voerde haar eigen verdediging en haar pleidooi trok landelijk de aandacht. Zij wees erop dat de artikelen uit het Wetboek van Strafrecht waarop de officier van justitie zich beriep, dateren uit de koloniale periode en alleen werden toegepast in Nederlands-Indië. De Nederlandse wetgever zou deze zogenaamde 'Haatzaai Artikelen', die onder meer handelen over belediging van het staatshoofd, voor het moederland als een ongewenste beknotting hebben beschouwd van de vrijheid van meningsuiting. Damayanti memoreerde dat Vader des Vaderlands Soekarno, toen hij in 1930 voor de Landraad van Bandung stond wegens overtreding van dezelfde artikelen, had gewezen op de 'subjectiviteit' waarmee de Nederlandse macht invulling gaf aan het begrip 'belediging'.

Het Openbaar Lichaam voor Rechtshervorming (BPHN) is een onderdeel van het departement van justitie maar heeft een eigen kantoorgebouw. Toen prof. dr. Sunaryati Hartono hier zes jaar geleden de leiding overnam, beschikte de dienst over twintig oude schrijfmachines, waarvan er maar twee vrij waren van mankementen. Nu oogt het pand als een moderne denk-tank met een computer-netwerk dat is aangesloten op de belangrijkste hogescholen en ministeries.

Het BPHN heeft dan ook een gigantische taak. Het moet binnen de huidige planperiode, dat betekent vóór 1999, alle vierhonderd 'ordonnanties' (wetten) uit de Nederlandse tijd die nog van kracht zijn tegen het licht houden, schiften op bruikbaarheid onder de huidige verhoudingen, en waar nodig redigeren en in het Indonesisch vertalen. Zo wordt een halve eeuw nadat moederland en kolonie uiteengingen de juridische boedelscheiding voltrokken.

De hoofdmoot van de Hollandse nalatenschap wordt gevormd door het Wetboek van Koophandel, het Burgerlijk Wetboek, dat nog uit 1848 dateert en in Nederland al is vervangen door een nieuw BW, en het Wetboek van Strafrecht. Hoe moet dat straks met de haatzaai-artikelen? Mevrouw Hartono zucht: “De historische last die op deze artikelen rust, is dat ze werden gebruikt om de voorvechters van onze onafhankelijkheid te interneren. Mijn eigen vader is op die basis opgesloten. Toen ik twintig was, wilde ik die wetten de wereld uit hebben, maar nu ik de zestig ben gepasseerd, besef ik dat geen staat ter wereld een rebellie tegen het wettig gezag kan billijken.”

Parafen

Nederlands-Indië is door een buitenlandse waarnemer ooit een 'Beambtenstaat' genoemd. De Indische journalist Willem Walraven schreef in 1940: “Zoals onze Hollandse vaderen van boven de Moerdijk geleefd hebben met de Bijbel en met Cats, zo heeft men in Indië geleefd met ambtelijke stukken en reglementen.” Het Binnenlands Bestuur leefde van controleren, tellen en registreren. Dat apparaat met zijn vaak ondoorgrondelijke voorschriften werd eerst geërfd door de Japanners en daarna door de Indonesiërs, maar bij de wisseling van de ambtelijke wacht veranderde het een en ander.

Het immigratiekantoor Jakarta-Centrum staat in hartje Menteng. Het gebouw oogt van buiten helder en van binnen vaal. Het kaki van het ambtelijke diensttenue harmoniëert wonderwel met het bruine meubilair, waarvan de fineerlaag loslaat als gevolg van de vochtige tropenwarmte. Het hoofd van dienst zetelt in een gekoelde kamer, lagere goden moeten het stellen met jengelende ventilators.

De aanvrage voor een paspoort of verblijfsvergunning doorloopt vele stadia, waarin een groot aantal parafen en stempels wordt gezet, verdeeld over een zelfde aantal bladderende bureaus. Het traject dat een dossiermap aflegt, vertelt een bejaarde commies, dateert nog uit de Nederlandse tijd. Aan de vergaande uitsplitsing van ambtelijke verrichtingen, doceert hij, liggen twee beginselen ten grondslag: efficiëntie en onderlinge controle. De bordjes in de hal verkondigen een hoge bureaucratische moraal: 'Het apparaat van Immigratie accepteert geen vergoedingen voor bewezen diensten' en 'Regelt u vooral zelf uw documenten'.

Die appèls worden echter slecht gelezen, want vóór de ingang krioelt het van de calo (bemiddelaars), die staatsvrezende burgers tegen betaling ontlasten van een tocht door het ambtelijke doolhof. Een geoefend oog ziet deze 'agenten' routineus bankbiljetten in dossiermappen stoppen teneinde de omloopsnelheid te verhogen. Dat helpt, want de armlastige staatsdienaren weten zo'n 'vergoeding' te waarderen.

“Nederlandse ambtenaren werden heel goed betaald. Kleine corruptie kwam voor, want de lagere, 'Inlandse' ambtenaren kregen aanzienlijk minder, maar het liep niet uit de hand. De grote corruptie begon onder de Japanse bezetting, toen de inflatie liefst 300 procent bedroeg. Ook de onheilige alliantie tussen Javaanse ambtenaren en Chinese zakenlui, een hoeksteen van de huidige Indonesische economie, werd toen gesmeed.” Spreker weet waar hij het over heeft. De Japanse politicoloog Takashi Shiraisi maakte een studie van de bezettingstijd op Java en werkt nu aan een boek over de jaren dertig, het fin de siècle van het Nederlandse koloniale bestuur. “De laat-koloniale staat”, zegt hij, “is de voorouder van de Republiek. Dat bij de overerving hele structuren intact bleven, is niet zo bijzonder. Boeiender zijn de verschillen, zowel in de mentaliteit van de machthebbers als in de ideologie die het apparaat bezielt.”

Shiraisi vestigt de aandacht op het psychologische klimaat waarin de jonge staat ontstond. “De Nederlandse terreur”, zegt hij, was vooral psychologisch en getuigde van verbeeldingskracht. Gevangenen werden niet geslagen en er vielen zelden doden. Van de Japanners hebben de Indonesiërs ranselen geleerd. Als je door de Hollanders werd opgepakt, wist je wat er ging gebeuren, in het ergste geval eindigde je in het strafkamp Boven-Digoel. Bij de Japanners wist je het nooit. Morgen kon je dood zijn. Dat creëerde angst, onzekerheid, maar het was ook opwindend. Indonesische jongeren, Soeharto's generatie, die van de Japanners een militaire training kregen, leerden dat je ook op een andere manier politiek kon bedrijven. Dat heeft sporen nagelaten.”

En toen stortte alles in. Shiraisi: “Er bezweek niet alleen een politieke orde, maar er brak een diepe psychologische crisis uit. Oude mensen die ik sprak, hebben onder de Japanners alle mogelijke verschrikkingen meegemaakt, maar de meest beeldende herinneringen gaan over 1945, toen hun vrienden van ziekte en honger stierven op straat. In het Indië van de twintigste eeuw was zoiets niet meer voorgekomen. Onder zulke chaotische omstandigheden komen er geen fijnzinnige lieden aan de macht, maar reuzen en demonen uit de wajang-verhalen.”

Ben Mboi: “De republiek werd klaargestoomd in een snelkookpan. Het gevolg was een louter politieke omwenteling: vlaggen werden gestreken en gehesen, maar de maatschappij veranderde nauwelijks. Toen Soekarno werd gevraagd wat hij beschouwde als de inzet van de revolutie, nationale of individuele vrijheid, gaf hij een veelzeggend antwoord. Als we moeten wachten tot iedere Indonesiër vrij is, zei hij, worden we nooit onafhankelijk. De staatsmacht ging over in Indonesische handen, maar de bestuursstijl bleef paternalistisch.”

Mr. Oei Tjoe Tat studeerde in de jaren 1940-'42 en 1946-'48 aan de Bataviase Rechtshogeschool. Die was gevestigd aan het Koningsplein - nu Vrijheidsplein - in een monumentaal pand dat tegenwoordig onderdak biedt aan het ministerie van defensie. Meester Oei denkt met plezier terug aan de colleges 'Inleiding tot de rechtswetenschap' van de jonge professor Wertheim: “Nerveus, maar briljant.” In de jaren vijftig had Oei een advocatenpraktijk en van november 1963 tot zijn arrestatie in maart 1966 was hij, zegt hij, 'troubleshooter' in Soekarno's laatste kabinet. Daarna zat hij wegens vermeende betrokkenheid bij de linkse coup van 1 oktober 1965 elf jaar gevangen in het 'VIP-kamp' in Jakarta-Zuid.

“Ik herinner mij een vertrouwelijk gesprek met Bung Karno”, vertelt Oei, “waarin ik mijn zorgen uitte over de naleving van het recht. Ik ben advocaat geweest onder de Nederlanders en onder de republiek, zei ik. Toen hier nog Hollandse rechters en officieren van justitie waren, was het voor de politie niet zo eenvoudig om een voorlopige hechtenis van 21 dagen te verlengen. De officier besliste dat niet zomaar, hij moest eerst toestemming vragen aan de rechter. Tijdens de laatste jaren van mijn praktijk merkte ik dat de officier niet langer om zeven uur op kantoor verscheen, maar soms pas om half tien. Op een keer liep ik binnen en zag daar tot mijn grote schrik dat de oppas naast de tafel van de officier stond - hij durfde niet te gaan zitten - en het ene stuk na het andere stempelde. Wat doe je daar, vroeg ik. Oh, zei hij, dit zijn verzoeken van de politie tot verlenging van voorlopige hechtenis. Tap, tap, tap, zonder dat de officier ze gelezen had. Nu zijn we onfhankelijk, zei ik tegen Soekarno. Is het niet beter dat er tien schurken vrij rondlopen dan dat er één onschuldige vastzit? Toen zei de president: Oei, dit blijft onder ons. Drieëneenhalve eeuw koloniale overheersing heeft ons volk mismaakt. Nu het onafhankelijk is, zijn het net kleine kinderen. Geef je hun lucifers, dan steken ze het matras in brand. Geef je hun macht, dan gaan ze overdrijven. De meerderheid is nog 'Inlander', geen Indonesiër.”

Helden

Indonesiërs worden dagelijks bestookt met twee soorten boodschappen, die beurtelings een beroep doen op hun consumptiedrang en burgerlijke gehoorzaamheid. Langs de doorgaande wegen van Jakarta staan naast reclames voor het nieuwste hoofdpijnmiddel meer dan levensgrote borden waarop president Soeharto is afgebeeld, docerend voor een schoolklas of doende een inspuiting te geven aan een zuigeling. Hij is steevast vergezeld van zijn vrouw Hartinah, die glimlachend haar tas vasthoudt of haar echtgenoot de helpende hand reikt. Pak (vader) Harto en Ibu (moeder) Tien, het nationale ouderpaar, hoofd en sub-hoofd van de Indonesische familie.

Na dertig jaren van bezetting, revolutie, opstanden, honger en inflatie, met als dieptepunt de afslachting van een half miljoen communisten, raakte Indonesië in de jaren zeventig in rustiger vaarwater. Soeharto bemande zijn kabinetten met generaals en technocraten. De eersten zorgden voor binnenlandse rust, de laatsten voor beteugeling van de inflatie, sanering van de buitenlandse schuld en opbouw van de economie. Soeharto wilde niet dat de Nieuwe Orde een herhaling werd van de 'twistzieke' jaren vijftig, toen de staat desintegreerde terwijl het parlement debatteerde. Alle regionale, religieuze en partijpolitieke verdeeldheid moest worden uitgebannen onder de vleugels van de Familiestaat met één ideologie, één loyale bureaucratie en één vaderlijke leider.

Generaal b.d. Rudini was van 1988 tot 1993 minister van binnenlandse zaken en leidt nu het particuliere Instituut voor Strategisch Onderzoek. Tijdens zijn jeugd in het Oostjavaanse Malang bezocht hij de Hollands-Indische School en in de jaren vijftig volgde hij een officiersopleiding aan de KMA in Breda. Hij was het die Ben Mboi naar Nederland stuurde om een studie te maken van het plaatselijk bestuur in Nederlands-Indië. “Tenslotte is ons stelsel een erfenis van de Nederlanders. De politieke cultuur is alleen een andere. Bij ons is een leider tevens een vaderfiguur. Toen ik nog pelotonscommandant was, werkte onder mij een sergeant, die inmiddels is gepensioneerd. Jaren later, toen ik militair commandant was van de provincie Noord-Sulawesi, kwam hij me opzoeken om te vragen of ik getuige wilde zijn bij de bruiloft van zijn dochter. De relatie tussen officier en onderofficier is als die tussen een vader en zijn zoon.”

Het model is overigens zo oud niet. Het dateert uit de jaren twintig en is afkomstig van de Javaanse denker en pedagoog Ki Hajar Dewantoro, de leider van de Taman Siswa (scholierentuin) beweging, die zich toelegde op onderwijs voor 'inlandse' kinderen buiten het Nederlandse schoolsysteem om. Ki Hajar wilde aantonen dat Javanen een organisatie konden scheppen die modern was, maar niet westers. Dat ze een nieuwe geest konden oproepen, de familiegeest. Het was een synthese van de onderwijsopvattingen van Montessori en een herontdekt Javaanse ideeëngoed. In de Nederlandse tijd was dit een tegencultuur, maar na de revolutie en vooral onder de Nieuwe Orde werd het orthodoxie.

Vaders worden niet gekozen en kinderen zijn onmondig. Staat dit familiemodel op de duur een democratische ontwikkeling niet in de weg? Rudini: “Het probleem is dat onze eerste twee presidenten alletwee worden beschouwd als helden. Zulke personages worden in onze cultuur dermate gerespecteerd dat we hen niet willen kwetsen, ook al hebben ze ongelijk. De volgende president zal anders zijn, denk ik. Die wordt niet verkozen vanwege zijn heldenverleden, maar vanwege zijn talenten als leider.”

    • Dirk Vlasblom