Columns

KEES SCHUYT: De ideeënkliniek

173 blz., Balans 1995, ƒ 32,50

De Amsterdamse socioloog en jurist C.J.M. Schuyt publiceerde in 1992 zijn eerste bundel verzamelde Volkskrantcolumns. Ook in deze tweede band toont hij een heldere en kritische kijk op maatschappelijke en vooral ook politieke gebeurtenissen. Op een enkele uitzondering na blijft de wereld van kunst en cultuur buiten beschouwing. Dat is jammer, want af en toe geeft hij blijk daar zeker het nodige van af te weten. Het aantrekkelijke van Schuyt is juist zijn eruditie en het vermogen ver buiten de grenzen van het eigen vakgebied te kijken.

Nogal wat columnisten hebben de gewoonte hun lezers op nogal nadrukkelijke en vaak ook pompeuze wijze te vergasten op eigen, doorgaans arbitraire voorkeur en kritiek. Ze blazen hoog van de toren en zwelgen in de vermeende macht van het geschreven woord en in de reële onmacht van hun objecten. Schuyts columns zijn van een ander kaliber. Het zijn beschouwingen van - in het boekje - niet meer dan drie bladzijden die doorgaans uitblinken in helderheid en gekenmerkt worden door analytische scherpte. Hij ziet ze zelf als een ideeënkliniek, waarin, zo schrijft hij, “opkomende gedachten getoetst, veel gehoorde meningen tegen het licht gehouden en vastgeroeste ideologische standpunten op houdbaarheid gepeild” worden. Zoals het een kliniek betaamt, wordt hier “ambulante hulp gegeven, in de vorm van een zo kernachtig mogelijk geformuleerd commentaar op de dagelijkse gebeurtenissen”.

De stukken kunnen in willekeurige volgorde gelezen worden en vormen dus een soort intellectueel brevier. Schuyt is op zijn best als hij zich over iets of iemand ergert of zich ergens aan stoort. Zijn toon wordt dan ironisch, soms zelfs scherp, maar nooit kwetsend. Hij geeft blijk van een indringend engagement, maar blijft tezelfdertijd een intellectueel die de dingen op een afstand beschouwt.

Het nadeel van een bundel als deze is tweeledig. Ten eerste hangen de stukken als los zand aan elkaar en ten tweede zijn ze vaak zo met de gebeurtenissen van de dag verbonden dat ze snel aan relevantie inboeten en vergrijzen. Die merkwaardige groep die zich 'Het Kapittel' noemde en Nederland wilde opheffen - wie en wat was dat toch ook alweer?

Soms permitteert Schuyt zich uitspraken die in het korte bestek van een column afbreuk doen aan zijn zorgvuldigheid. In 'Onze naoorlogse erfenis' bijvoorbeeld beweert hij dat de CDA-gezinspolitiek (is die er? bovendien, deze partij ontstond eerst eind jaren zeventig) de oorzaak is van het financieringstekort van de verzorgingsstaat. De hele redenering is nogal demagogisch en dus weinig overtuigend.

Het stukje over 'Tinbergens rechtvaardigheid' is geen schoolvoorbeeld van helder redeneren. Eerst wordt deze grondlegger van de econometrie om zijn simpele definitie van rechtvaardigheid - als een situatie waarin geen twee personen in een gemeenschap van positie zouden willen ruilen - geprezen, vervolgens wordt deze definitie door tal van overigens voor de hand liggende vragen onderuit gehaald. De definitie is ook te zot voor woorden en heeft geleid tot het nog zottere idee van een extra belasting op intelligentie. Ik denk hier, om ook maar eens te overdrijven, eerder aan Pol Pot dan aan de door Schuyt opgevoerde John Rawls, met alle respect voor de intens goede bedoelingen van Tinbergen.

Het is bekend dat je in een kliniek ernstig ziek kunt worden. Schuyt had daar meer aandacht voor moeten hebben. Een klein aantal beschouwingen is te weinig klinisch, te zwart-wit, te oppervlakkig. Dit neemt niet weg dat hij met de meeste stukken tot kritisch nadenken aanzet. Het zijn stukken die de lezer niet onberoerd laten. Dat is precies wat hij met zijn columns wil bereiken.