Columnist moet vooral hofnar blijven

Wat mij opvalt is, dat velen die met enige regelmaat een bijdrage aan een krant schrijven zich columnist noemen. Zo bij voorbeeld Tom Schalken in de laatste van zijn drie-wekelijkse bijdragen aan de Volkskrant en H.J.A. Hofland nog kort geleden in dit blad. Echt veel bezwaar kan men daar misschien niet tegen hebben, en degenen die hun bijdrage column noemen vinden in elk geval het Etymologisch Woordenboek van Van Dale aan hun zijde. Dat geeft als definitie: “regelmatige bijdrage aan krant”.

Deze definitie acht ik onjuist, althans onvolledig, en veel te ruim. Door een zo ruime definitie ontstaat het risico van verwatering van het begrip en dat zou ik betreuren. De columnist claimt niet ten onrechte voor zich zelf ruimere marges dan die welke gelden voor de gewone journalist. Men behoeft Max Pam en Youp van 't Hek maar te lezen om te weten wat ik bedoel. De rechtspraak pleegt de grotere vrijheid van de columnist en zijn ruimere marges te erkennen en te eerbiedigen. De rechter is dan ook minder snel geneigd een uitlating in een column onrechtmatig te achten, veel minder snel dan eenzelfde uitlating in een hoofdartikel.

Hoe zit dat dan? Onrechtmatig is toch onrechtmatig? Waarom mag Jan Blokker in de Volkskrant van 27 mei schrijven: “...kijk nou naar die malloten die bidden...”, en waarom houdt Hofland zich verre van zulk taalgebruik? Wat is, met andere woorden, de maatschappelijke en juridische rechtvaardiging van de grotere columnisten-vrijheid? Naar mijn mening kan die worden gevonden in de functie van de column.

In een column richt de schrijver zijn aandacht op een veelal actuele gebeurtenis of ontwikkeling. Hij legt zijn object op essayistische wijze als het ware onder een vergrootglas, waardoor dit ten opzichte van de andere berichten in de krant sterk overdreven, haast karikaturaal aandoende afmetingen krijgt. Door aldus te werk te gaan verkrijgen de observaties van de columnist een grotere, meer specifieke en vrijwel steeds effectievere aandacht, dan wanneer zij in een normale journalistieke vorm aan de lezer zouden zijn gepresenteerd.

De columnist is een kunstenaar, een jongleur met woorden, die zich tot het verkrijgen van het door hem beoogde resultaat en het bereiken van de nagestreefde effecten zeer grote literaire vrijheden moet kunnen veroorloven. De slachtoffers van de columnist mogen enigszins gefrustreerd worden, in een hoekje van hun hart zijn zij toch ook wel gevleid, dat zij de aandacht van de columnist waardig werden bevonden.

Deze aspecten van de column worden versterkt doordat de column met grote regelmaat en ook steeds op dezelfde plaats in de krant verschijnt. Daardoor ontstaat een vast verwachtingspatroon, dat menige lezer als eerste de column doet opslaan. De redactie plaatst deze nogal eens in een kader en de schrijver kiest soms een pseudoniem. Het lijkt wel of de redactie de bijzondere opmaak kiest om het eigen serieuze journalistieke blazoen niet te laten aantasten door de confronterende en soms naar onrechtmatigheid zwemende wijze, waarop de columnist zijn boodschap uitdraagt.

Een uitlating is nooit in abstracto onrechtmatig. De onrechtmatigheid kan pas ontstaan bij publicatie, dat wil zeggen bij het verschijnen van de uiting in de relatie tussen krant en lezer. Of een uitlating dan als onrechtmatig zal worden ervaren hangt af van het niveau van de krant, van het niveau van de lezer, maar bovenal van de instelling waarmee de lezer van de publicatie kennis neemt.

De felste belediging uit de bek van een papegaai zal de aangesprokene met vrolijkheid vervullen. De geringste belediging in het hoofdartikel van een serieuze krant kan de aangesprokene naar de rechter drijven. Ergens tussen deze twee gevallen opereert de columnist. Zijn lezers weten wat hun te wachten staat. Zij mogen zich ergeren, zij mogen geamuseerd worden, er mag met gevestigde reputaties worden gesold, er mogen mensen belachelijk worden gemaakt, er mogen citaten uit hun verband worden gerukt, ja eigenlijk mag zo ongeveer alles. Maar de ondertoon is steeds een bloed-serieuze boodschap. Wie een column gaat lezen bereidt zich voor op een stilistisch hoogstandje van formaat en op een origineel en fraai, doch fors uitgevallen taalgebruik. De lezer laat zich daardoor niet afschrikken. In tegendeel! Zoals het hoofdartikel het Stehbein is, zo is de column het Spielbein van de krant.

Laat anderen nu maar gedegen en interessante bijdragen aan de krant schrijven in welgekozen evenwichtige bewoordingen, maar laten zij het woord column alsjeblieft reserveren voor de columnist. Door een te ruim gebruik van het begrip ontstaat het risico, dat de beschermde positie van de columnist in het gedrang komt, dat de rechter de meetlat van zijn onrechtmatigheids-toets voor columns en andere journalistieke uitlatingen op dezelfde wijze zal gaan hanteren.

De columnist verdient, ook in zijn naamgeving, zijn bijzondere positie tegenover zijn collega-journalisten, tegenover het publiek en tegenover de rechter. De columnist is de hofnar van de konigin der aarde, en dat moet hij blijven.

    • B.J. Asscher