Bob Hawke slaat terug

BOB HAWKE: The Hawke Memoirs

618 blz., geïll., William Heinemann 1994, ƒ 65,60

Ongeveer halverwege zijn memoires roept Bob Hawke, de voormalige minister-president van Australië, zijn latere opvolger Paul Keating uit tot “de beste minister van financiën ter wereld, in wat velen van ons (...) begonnen te beschouwen als één van de beste regeringsploegen ter wereld”. Er is geen misverstand mogelijk: Hawke heeft het hier over zijn eigen Labor-regering, die hij negen tumultueuze jaren lang leidde, tot hij eind '91 door diezelfde Keating in een verbeten machtsstrijd tot aftreden werd gedwongen.

Zo'n 200 grootsprakige pagina's verder, als hij het einde van zijn regeringsperiode en daarmee ook van deze memoires nadert, zegt Hawke het voor alle duidelijkheid nog eens: “We hadden onze meningsverschillen, maar iedereen was het er wel over eens dat de verhouding tussen de minister-president en de minister van financiën - altijd van cruciaal belang voor de kwaliteit van een regering - van Hawke en Keating de meest dynamische in de geschiedenis van Australië was”.

Zoals Hawke het beschrijft, moet het een soort vader-zoonverhouding zijn geweest. Hawke de flamboyante, populistische en destijds immens populaire vakbondsleider, die in 1983 een geslaagde greep naar de macht deed en minister-president werd (daarbij de toenmalige leider van de Australische Labor Party tamelijk hardhandig opzij schuivend); en Keating de omstreeks vijftien jaar jongere, opkomende, ambitieuze politicus, die zich onder Hawkes auspiciën ontwikkelde tot de rivaal die hem ten slotte met succes naar de kroon stak.

De verhouding tussen Hawke en Keating eindigde figuurlijk in wederzijdse moordaanslagen. Hawke ging, na vier maal de verkiezingen te hebben gewonnen en daarmee de langst regerende Labor-premier van Australië te zijn geworden, als een oud mannetjeshert ten onder in een rechtstreeks gevecht met zijn tegenstander, maar een paar jaar later sloeg hij terug met dit boek.

The Hawke Memoirs is enerzijds bedoeld als levensgroot monument voor de schrijver ervan, maar anderzijds onmiskenbaar ook als afrekening met en wraakneming op de man, die tegen Hawkes verwachtingen in inmiddels op eigen kracht de vijfde achtereenvolgende Laborzege heeft behaald en Australiës tegenwoordige minister-president is.

Keating wordt geportretteerd als een aanvankelijk onzekere, maar buitengewoon veelbelovende politicus die zijn plaats aan het sterrenfirmament van de zonnegod na verloop van tijd méér dan waar maakt, terwijl hij in toenemende mate zijn Leider (door Hawke onveranderlijk met een hoofdletter geschreven) naar het politieke leven staat.

Dolkstoot

Hawke doet nu met terugwerkende kracht in feite hetzelfde. Temidden van de talloze loftuitingen en de vuistslagen die hij in zijn boek aan Keating uitdeelt, plaatst hij onverhoeds een dolkstoot. Hij beschrijft een confrontatie, waarin Keating het recht op zijn 'beurt' als minister-president opeist en, als hij zijn zin niet krijgt dreigt naar Europa te zullen vertrekken. Hawke citeert dan wat Keating gezegd zou hebben: “We won't be staying here - this is the arse-end of the world”. Het is een, overigens door Keating in alle toonaarden ontkende, uitspraak die hem in het patriottisch uitgevallen Australië de kop had kunnen kosten.

Waar of niet waar - het doelbewust gebruiken van zo'n opmerking is een kwaadaardigheid waarvan Hawke zich in het algemeen met grote regelmaat bedient, al lijkt zijn doel doorgaans eerder het aantonen van eigen grootheid en voortreffelijkheid te zijn dan het vernietigen van zijn tegenstanders of het kleineren van zijn medestanders. Dergelijke passages vormen wèl de krenten in de vaak al te gewichtige en dorre pap van vergaderingen, beraadslagingen, ontmoetingen en andere plichtplegingen die de hoofdmoot van deze gedenkschriften uitmaken.

Een mooi voorbeeld van Hawkes methode is het beeld dat hij van de Amerikaanse ex-president Ronald Reagan ontwerpt. Hij laat niets na om duidelijk te maken dat 'Ron' en 'Bob' van het begin af dikke vrienden waren (ook letterlijk: een foto van het tweetal staat zowel op het stofomslag als paginagroot in het boek), maar ondanks zijn bewering dat we te maken hebben met 'een president van zeer grote betekenis' zonder wie de door hem, Hawke, aanbeden Gorbatsjov geen kans zou hebben gehad, laat hij even duidelijk blijken absoluut geen hoge dunk te hebben van Reagans kennis van zaken en verstandelijke vermogens.

“Hoewel ik wist dat een zinvolle intellectuele gedachtenwisseling niet Rons sterke kant was”, schrijft hij, “heb ik de geruchten, als zou hij bij formele gelegenheden gebruik maken van een reeks kaartjes in zijn hand bij wijze van discussion prompters, altijd met scepsis bejegend.” Waarna hij met smaak beschrijft hoe de president, “met een gemak dat op langdurige praktijkervaring wees”, bij het eerste het beste onderwerp dat Hawke aanroerde, door de kaartjes in zijn handpalm bladerde tot hij de meest toepasselijke had gevonden, daarvan een paar algemeenheden voorlas en vervolgens één van zijn ministers het woord gaf: “Don, dit is jouw terrein. Misschien wil jij Bob antwoord geven.” Zo'n passage is dodelijk. Maar om daarna, zoals Hawke, net te doen alsof er toch eigenlijk niets aan de hand is - velen vonden dit een hilarische gang van zaken, zegt hij, waarvoor ze de president bespottelijk maakten, “maar in mijn ogen was dat een oppervlakkige reactie” - is niet alleen vilein, maar ook hypocriet.

Het effect van Hawkes boek is dan ook averechts. Hij toont zich zo'n karikaturale, onversneden ijdeltuit en zo'n ongeneeslijk lijder aan een selectief geheugen, dat zijn boek zich tegen hem keert. Naar alle waarschijnlijkheid is Hawke een heel wat betere minister-president geweest (zoals een van zijn Australische recensenten heeft geopperd) dan men op grond van zijn eigen memoires zou denken.