Belangrijkste regisseur uit 100 jaar film bijna vergeten

D.W. Griffith - Father of film, zondag, 17.00-17.53u.

Als er één enkele man aangewezen zou moeten worden die de grootste invloed heeft gehad op de ontwikkeling van de filmtaal in de afgelopen honderd jaar, dan zouden Eisenstein, Chaplin, Hitchcock, Godard en Welles allen met gemak verslagen worden door David Wark Griffith (1875-1948). De slagkruiser 'Potemkin' (1925), Citizen Kane (1941), Rome open stad (1945) en A bout de souffle (1960) zijn mijlpalen in de historie van de cinema, maar The Birth of a Nation (1915) was de eerste gelegenheid waarbij de film een eigen taal sprak: zwijgend, maar eloquent. Leni Riefenstahls Triumph des Willens (1935) en D.W. Griffiths The Birth of a Nation zijn de twee grote voorbeelden waar propaganda en kunst hand in hand gingen, weliswaar de verkeerde kant op marcherend, maar niet onopgemerkt door het grootst mogelijke publiek.

D.W. Griffith, de in Kentucky geboren zoon van een in vele opzichten mislukte luitenant uit het Zuidelijke Leger, regisseerde tussen 1908 en 1913 meer dan vierhonderdenvijftig eenakters voor de Biograph-studio. In tegenstelling tot de populaire opvatting was Griffith niet de uitvinder van de close-up, van de parallelmontage (die hij zelf aan Charles Dickens toeschreef) en van de bewegende camera, maar wel de eerste die deze elementen samenvoegde tot een grammatica van de bewegende beelden, aanvankelijk niet meer dan de statische registratie van toneelstukjes. Op zeker moment draaide de regisseur met zijn vaste cameraman Billy Bitzer gemiddeld drie tot vier korte films per week, vanaf 1910 in de winter vanwege het aangename klimaat in de buurt van het door hem ontdekte Californische stadje Hollywood. Griffith gaf zijn acteurs een naam, maakte de eerste twee-akter en de eerste vierakter en liet in 1914 zijn nieuwe distributeurs, de gebroeders Aitken, bijna flauw vallen, toen hij voorstelde, in navolging van het Italiaanse Cabiria, een film van anderhalf uur te maken, met een budget van wel 40.000 dollar.

Hoewel Griffith's verhaal vaak verteld is, kennen toch veel minder mensen zijn naam nog dan die van illustere navolgers. De driedelige Engels-Amerikaanse televisieserie D.W. Griffith - Father of Film (1993) levert een onderhoudende en degelijke mogelijkheid daar verandering in te brengen. Samenstellers en producenten Kevin Brownlow en David Gill maakten daartoe gebruik van het materiaal van zeventien interviews met grotendeels inmiddels overleden ex-medewerkers van Griffith, dat zij oorspronkelijk verzameld hadden voor hun monumentale serie Hollywood over de geschiedenis van de Amerikaanse zwijgende film. Het is een rare gewaarwording om mensen als Lillian Gish en Blanche Sweet, camera-assistent Karl Brown en jeugdvrienden en andere generatiegenoten van Griffith over hem te zien vertellen, terwijl het commentaar gesproken wordt door de ook al gestorven Britse regisseur Lindsay Anderson.

Ook het archiefmateriaal is zo voortreffelijk, onverwacht, goed geconserveerd en inspirerend als je van Brownlow en Gill verwachten mag. In de eerste aflevering van 53 minuten gaat het om Griffith's eerste schreden in de showbusiness - als de acteur Lawrence Griffith - , zijn aarzelende debuut en zijn latere succes: het is niet overdreven te stellen dat het prestige dat hij de Amerikaanse film verschafte, de middenklasse hielp zich over hun aanvankelijke weerzin jegens het ordinaire nieuwe medium heen te zetten.

De behandeling in de documentaire van de politieke implicaties van The Birth of a Nation, gebaseerd op een racistische roman van dominee Thomas Dixon, worden in de serie zo behandeld dat enige voorkennis van de Amerikaanse geschiedenis bekend verondersteld wordt. Niet iedereen zal zich eenvoudig realiseren dat het in die tijd gewoon was 'negers' door 'blanken' te laten spelen. Ook de invloed van de film op de bloei van de Ku Klux Klan wordt snel afgedaan, al is de getuigenis van een Afrikaans-Amerikaanse toeschouwer uit 1919 over de haat die de film bij hem opwekte zeer overtuigend. Cameraman Brown zegt er nu over nog steeds trots te zijn op de effectiviteit van de film, die niet voor niets in staat was de straat in beweging te brengen. Het is een postmoderne constatering in een meer dan bezienswaardig portret van Griffith. Toen hij in 1948 stierf waren drie van zijn acteurs de enige vertegenwoordigers van 'Hollywood' op de begrafenis. Te verwachten valt dat Brownlow en Gill de redenen van die curieuze neergang uitgebreid zullen analyseren in de twee volgende delen, die de VPRO ook op zondagnamiddag uitzendt.

    • Hans Beerekamp