Alternatieve gemeenschap in voormalig Oost-Duitsland ontpopt zich als grote werkgever; Van leegloper tot landheer

Op de vlucht voor het geëgaliseerde leven verstopten de 'alternatieve' DDR-burgers Ute en Frank Wallrodt zich vijftien jaar geleden in het vervallen dorp Babe. De voormalige buitenbeentjes vormen er nu de kapitalistische voorhoede. Met hard werken en miljoenen aan overheidssubsidie is hun agrarisch collectief uitgegroeid tot de grootste werkgever in de regio. Van wantrouwen naar jaloezie, in een ex-DDR dorp.

'Het Slot' noemen de mensen uit Babe het grote huis aan het dorpsplein. Op de enige ansichtkaart die ooit van dit Oostduitse dorpje werd gemaakt, nog voor de oorlog, prijkt het in zijn vroegere glorie. Voor een gehucht met een handvol inwoners, een dorpsplein van gras en straten van zand, was het beslist indrukwekkend. Oorspronkelijk woonde hier de hereboer, eigenaar van het hele dorp en baas van alle dorpelingen. Later werd hij onteigend en zijn huis werd eigendom van de LPG - de Landwirtschaftige Produktions Genossenschaft - 'Blühendes Dorf', die er voorraden in bewaarde en er een eigen postkantoor en kruidenierswinkel in dreef.

Al lang voor de val van de Muur ging het echter bergafwaarts met Babe. De eigen LPG werd opgeheven en bij de grotere in het naburige dorp gevoegd. De autoriteiten wilden Het Slot afbreken, maar daar was bij nader inzien geen geld voor. Dus bleef het maar staan en verviel het langzaam tot zijn huidige, haveloze staat. Het restauratieplan is echter gereed en na een opknapbeurt van pakweg twee miljoen zal Het Slot dienst gaan doen als pension. Wie de brede deur ingaat, stuit al op een kledingwinkel, kantoren en een bedrijfskantine.

Het ingeslapen Babe, 110 kilometer ten noordwesten van Berlijn, was toch al nooit een DDR-modeldorp, maar ontwikkelt zich nu tot een voorbeeld voor menig nieuw Bundesland. Zoals bijna geheel Oost-Duitsland werd de streek rond Babe na de Duitse hereniging zo grondig 'afgewikkeld' dat het leven er wel uit lijkt weggezogen. Het gemiddelde werkloosheidspercentage in de omringende dorpen is dertig procent en de jeugd trekt naar de stad of liever nog naar het Westen. Misschien niet meer 'het gouden westen' van weleer, maar toch een richting waarin velen een betere toekomst verwachten. Of ze kloppen aan de deur van Het Slot in Babe.

Babe heeft dan ook iets bijzonders: een vereniging die Lebens-ART heet en sinds haar oprichting in 1990 al zo'n twaalf miljoen Mark aan subsidies heeft binnengehaald. Met geld van arbeidsbureau's, sociale diensten, provinciale diensten en de EG werden 140 banen gecreëerd. Er ontstond een kleermakerij, een dierenpark met bedreigde veesoorten, een zeshonderd stuks grote schaapskudde en een biologisch tuinbouwbedrijf. Van de inmiddels 98 inwoners is er slechts eén werkloos en elke ochtend komen meer dan honderd mensen uit de omgeving naar hun werk in Babe. Sommigen wonen nog geen tien kilometer verderop, maar hadden voor de val van de Muur nog nooit van het dorp gehoord.

Sociale druk

Babe ligt midden in een vlak moerasgebied, dat het grootste deel van het jaar onder water ligt. Voor natuurliefhebbers is het een paradijs. Zelfs wie er per auto doorheen gaat ziet om de haverklap reeën, vossen en roofvogels. Ooievaars broeden in hun hoge nesten. Voor Ute en Frank Wallrodt, een jong stel uit de Berlijnse alternatieve scene van Prenzlauerberg, leek Babe vijftien jaar geleden het paradijs. Zij hadden hun buik vol van de stank en de herrie, maar vooral ook van de sociale druk, in de hoofstad. Frank was een vrijbuiter, die liever boeken las dan werkte en die zeker geen behoefte had aan een modale DDR-baan en een modale DDR-prefab-woning. Ute was de dochter van de vice-minister van cultuur en wilde breken met thuis en alles waar haar vader in geloofde. Ze hadden vaak gefantaseerd over samen emigreren naar het westen, maar konden het niet eens worden over de bestemming. Zo belandden ze in 1980 in Babe.

Huizen werden bijna voor niets weggeven, herinnert Ute Wallrodt (35) zich. Moeilijker was het om een woonvergunning los te praten van de burgemeester en de LPG-voorzitter. Die waren, zoals iedereen in Babe, zeer sceptisch. De bewoners, omdat de Wallrodts zelfgebreide truien droegen en misschien wel zigeuners waren. De autoriteiten, omdat de nieuwkomers zich waarschijnlijk zouden ontpoppen als staatsvijandige oproerkraaiers. Uit voorzorg kwam een man van de Stasi in een huisje achter Het Slot wonen, die trouw rapporteerde hoeveel bezoekers de Wallrodts ontvingen en hoeveel auto's met Westberlijnse nummerborden er op mooie zomeravonden voor hun deur stonden. “Maar dat hoorde ik pas na de Wende”, zegt Ute. “Ze hadden blijkbaar het idee dat wij van hieruit ordeverstoringen van de Berlijnse 1 mei-vieringen zaten te plannen.”

De Stasi-man had het druk met hen, want in de loop der jaren werd het huis in Babe een trefpunt voor Oost- en Westberlijners, op zoek naar een alternatief buitenleven. Enkele andere Oostberlijners kochten ook een huis in Babe en zo ontstond een dorp in een dorp. Veel contact tussen de nieuwkomers en de oude garde was er niet; er werd alleen veel geroddeld. “Toen onze oudste dochter naar school moest, hebben de verschillende dorpsscholen nog onderling ruzie gemaakt wie dat alternatieve kind moest nemen”, vertelt Ute. Ze kan er ondertussen om lachen, onder de pruimeboom van haar riante tuin.

Sinds Ute en Frank in zaken zijn dient het vijftien jaar geleden gekochte woonhuis als onderpand bij de bank. De verhoudingen in het dorp zijn inmiddels volslagen veranderd. Zij is sinds anderhalf jaar burgemeester van Babe en drie andere dorpen, die samen één gemeente vormen. Haar man Frank is bedrijfleider van Lebens-ART en daarmee de grootste werkgever van de regio. Voor de val van de Muur had hij eigenlijk nooit gewerkt en verdiende Ute het huishoudgeld met haar breiwerken. Daarna ontpopte hij zich echter als een meesterlijke aanboorder van subsidiebronnen, en liet hij alle plaatselijke autoriteiten verbouwereerd het nakijken. Lebens-ART heeft in Franks ogen vooral een sociale functie: “Bij ons krijgen mensen de kans zich opnieuw te oriënteren in een drastisch veranderde wereld.” Bovendien is het in zijn eigen belang om Babe vooruit te helpen: “Vlak na de val van de Muur was hier honderd procent werkloosheid. Met onze capaciteiten hadden Ute en ik makkelijk iets voor onszelf kunnen opzetten, maar dan waren we outcasts gebleven in ons eigen dorp.”

Arbeidsmoraal

Onlangs opende Lebens-ART een eigen kledingwinkel in het hartje van Berlijn, waar Ute's eco-ontwerpen gretig aftrek vinden. “Ze had altijd al iets creatiefs”, zeggen nu de dorpsbewoners. De Babers spreken tegenwoordig eerbiedig over Herr en Frau Wallrodt - al wordt er achter hun ruggen natuurlijk nog net zoveel geroddeld als vroeger. “Wat ze zeggen wil ik helemaal niet weten”, zegt Ute. “Dat interesseerde me toen niet en nu nog niet. Maar ik word wel eens gek van dat onderdanige gedoe. Ik ben toch niet de nieuwe Slotvrouw?”

De simpele waarheid is dat iedereen in dienst van de vereniging bang is voor zijn of haar baan. Bijna alle 140 werknemers worden nu nog geheel of gedeeltelijk betaald door de staat. Na maximaal drie jaar moeten de meesten elders werk zien te vinden, want vaste banen zullen er alleen voor enkele uitverkorenen zijn. De bedoeling is dat de komende jaren enkele onderdelen van Lebens-ART uitgroeien tot zelfstandige bedrijven - maar dan wel met slechts ongeveer een vijfde van het huidige personeel. Ute's kleermakerij zal waarschijnlijk het eerst zelfstandig worden. Ze kan nauwelijks wachten op de dag dat de zorg over de nu nog 38 werknemers van haar schouders valt. “Ik heb me nooit een Aussteiger gevoeld, iemand die buiten de maatschappij gaat staan, al zijn Frank en ik in de media vaak zo betiteld. Maar nu ben ik op een punt dat ik wel eens verlang naar een positie buiten alle gevestigde structuren. Dus ook die wij zelf hebben geschapen.”

Haar verwachting dat, met de Muur, ook de DDR-arbeidsmoraal omver was geworpen, is nog niet uitgekomen. “Veel mensen die hier werken, denken dat het genoeg is wanneer ze mijn opdrachten uitvoeren. Dat verstaan zij onder vlijtig werken. Maar ik heb behoefte aan echte meedenkers, die zelf beslissingen durfen nemen. Dat zit er geloof ik nog niet in. Als de mensen zelf initiatieven zouden nemen, zou er lang niet zoveel werkloosheid zijn in deze streek.” Ze lacht verlegen: “Ik klink wel erg kapitalistisch, hè? Maar dat lijkt maar zo, ik ben vooral een individualist. Dat was ik onder het communisme ook, en zowel toen als nu is dat soms moeilijk vol te houden.”

Braadworst met kool

“Hopen en afwachten, meer kun je niet doen”, zegt Gertraud Pätzold, kokkin in de bedrijfskantine. Elke middag om twaalf uur verstrekt zij braadworst met kool en aardappels, of vergelijkbaar voedzame maaltijden, aan de hongerige werknemers. Die zitten aan de lange tafels en lepelen de hoogopgetaste borden in rap tempo leeg. Vroeger was Frau Pätzold kokkin in een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen, dat nog tot twee jaar na de val van de Muur bleef bestaan. “Maar toen moesten de ouders opeens een deel zelf betalen. Die konden of wilden dat niet. Ik had er toch al niet veel zin meer in, want er was een Westduits bewind gekomen en je mocht opeens niet meer streng zijn tegen die kinderen.” Zij heeft nu een gesubsidieerde baan bij de vereniging: voor het eerste jaar betaalt de overheid alles, het tweede jaar de helft en het derde jaar nog maar één vijfde.

Vroeger was alles beter, dat is een ding dat zeker is. “Zelfs degenen die hun baan nog behouden hebben, zoals mijn man, zijn niet tevreden. Wat vroeger drie man deden, moet hij nu in zijn eentje doen.” Daarna volgt de hele riedel die je overal in voormalig Oost-Duitsland kunt horen en die ook in Babe dagelijks in de gesprekken terugkeert: voor de ouderen is het nog niet eens het ergste, maar de jongeren, wat moet daarvan terecht komen, nou ja, je ziet het, die gaan 's nachts de straat op en trappen rotzooi, het is toch wat met die criminaliteit vandaag de dag, so etwas gab's vor der Wende nicht.

De stoere tuinder Sieglinde Hennig beseft als één van de weinigen dat andere tijden ook andere eisen aan werknemers stellen. Terwijl ze de bossen radijs door de wastobbe haalt, schalt haar stem door de kas: “Niemand solliciteert meer, sinds ze hier aan het werk zijn. Ik wel, al heeft het nog geen baan opgeleverd.” Voor de val van de Muur werkte zij bij een inmiddels geliquideerd plantenveredelingsstation in Neustadt an der Dosse, de dichtsbijzijnde min of meer grote stad. “De mensen beseffen niet dat ze tegenwoordig voor zichzelf moeten knokken. Een van de andere tuinders kon een vaste baan krijgen, vijfenzeventig kilometer verderop, maar dat vond ze tever. 'Ik heb voorlopig toch nog werk', zei ze. Nou ja, dan ben je toch stom?!”

Wessi's

Tot laat in het voorjaar trekken de koude moerasnevels door Babe, maar nu is het voorjaar toch echt aangebroken. Een goede reden om met wat Bitburgers bij de leblammetjes te gaan zitten, vindt Ilona Hegenveld. Sinds de val van de Muur is het bier in cafe's niet meer te betalen. “Dan haal ik liever een krat in huis.” Het is haar en haar man aan te zien dat ze dat regelmatig doet. Ze is 34, maar ziet er tien jaar ouder uit; haar man heeft geen voortanden meer maar wel een ontzagwekkende buik. Ilona woont al haar hele leven in Babe, net als haar moeder en grootmoeder die beiden nog dienstmeisje zijn geweest bij de hereboer. Voor zover Ilona weet zat die met zijn familie de hele zomer buiten in de siertuin koffie te drinken. Haar moeder kan het op het moment ontkennen noch bevestigen, want die is even gaan liggen. De ziektegeschiedenis van moeder is indrukwekkend, en daarbij is ze altijd zo nerveus, begrijpt u, dus toen dat van vanmorgen gebeurde...

Vanmorgen was de hele familie naar de bank, om te praten over een kredietverlening voor de verbouwing van het huis. Nou bleek daar opeens zo'n vervloekte Westduitser te zijn opgedoken, die beweerde dat de grond onder het huis hem toebehoorde. “Terwijl hij hier al in 1944 is weggegaan. Dan had hij in de DDR-tijd terugmoeten komen, niet nu pas. Die Wessi's denken dat ze ons alles kunnen afpakken wat wij in veertig jaar hebben opgebouwd.”

Net als voor de val van de Muur zit Ilona in de houtwinning: voor 1989 bij de LPG en nu bij Lebens-ART. Veel verschil is er niet, vindt ze: “Vroeger deed je wat je gezegd werd en nu ook.” Haar huidige chef betitelt ze nog steeds als brigadeleider, Frank en Ute zijn voor haar 'onze oversten'. Zij heeft zich persoonlijk nooit slecht over hen uitgelaten, eerlijk niet. “Alleen omdat ze pofbroeken droegen en niet getrouwd waren? Dat moet toch ieder voor zich weten.” Haar oude buurman, ook al levenslang in Babe, vat alles filosofisch samen, ervoor wakend dat zijn gebit niet uit zijn mond valt: “Voor de oorlog waren er mensen die tevreden waren en anderen die ontevreden waren, onder Adolf net zo, in de DDR net zo en nu weer. Maar wie altijd vlijtig werkt, hoeft niet ontevreden te zijn. Ik heb altijd vlijtig gewerkt en ik ben een tevreden man. Of de één of de ander aan de macht is, dat maakt mij niet uit.”

Blijdschap

Lothar Wolter, de vroegere LPG voorzitter bij wie de Wallrodts indertijd nog lang om hun vestigingsvergunning moesten zeuren, is tegenwoordig directeur bij de Agrargenossenschaft. Hij is met het bedrijf meegegroeid, zogezegd, al is het bedrijf zelf behoorlijk ingekrompen. Hij is een energieke vijftiger, die met zijn vrouw Brigitte de vroegere boerderij van zijn vader in het vlakbij Babe gelegen Sieversdorf bewoont. Zondag om acht uur precies wordt hier het ontbijt geserveerd: “Al mijn hele leven ben ik nooit na zes uur opgestaan.” Zijn vrouw dringt aan: “Neemt u toch wat haringsalade. Alles zelf gemarineerd, dat zijn we nu eenmaal zo gewend. U zult het niet geloven, maar voor de Wende konden we niet eens maatjesharing krijgen.” Haar man kijkt peinzend toe hoe ze wat echte Duitse kaviaar over haar ei lepelt. “Soms kan ik zo terug verlangen naar de blijdschap over eenvoudige dingen als sinaasappels of bananen. Alles smaakte vroeger gewoon lekkerder.”

Naar zijn werk bij de LPG heeft hij geen heimwee: “Ik geniet van de nieuwe uitdagingen, zoals afzetmarkten zoeken of inspelen op ontwikkelingen in de EG. Ik ben nu zakenman. De LPG is na de Duitse hereniging opgedeeld tussen de ongeveer tweehonderd mensen die er ooit werkten, of die indertijd vee en land hebben ingebracht. Een deel van die mensen heeft het geld er vervolgens weer ingestoken en werd aandeelhouder. Gelukkig heerste er onder mijn mensen niet de revolutionaire stemming van sommige andere LPG's, waar per se een ander het nieuwe bewind moest voeren. Bij ons hebben ze gewoon naar capaciteiten gekeken.”

Wat beschroomd merkt Wolter op dat zijn werk in de DDR-tijd “wel wat al te veel met politiek vervlochten was geraakt”. Maar dat was eigenlijk vanzelf ontstaan: via zijn inzet voor de lokale liberale partij, uiteraard onderdeel van De Partij, rolde hij in de gemeentelijke en daarna de provinciale overheid. En toen? “Zeg het nou maar, het is toch geen schande?” zegt zijn vrouw. “Nou ja, toen zat ik opeens in het parlement. Zonder dat ik nou zo'n harde communist was, hoor. Die hele Honecker-verering vond ik altijd wat overdreven. Als hij binnenkwam klapten de meesten in hun handen tot ze pijn deden. Ik heb daar altijd een beetje om gegrinnikt en alleen zachtjes meegeklapt.” Het fijne is dat niemand uit zijn omgeving hem na de val van de Muur ooit iets heeft nagedragen. Waarom ook? “Als ik lees van mensen die in het verzet gaan, zoals in de oorlog, vind ik dat erg dapper. Maar als iedereen in het verzet ging, dan zou de zaak uit de hand lopen. Er moet toch ook gewerkt worden?”

Zijn huidige Agrargenossenschaft bezit 2500 melkkoeien, 1400 hectare akkerland en 27 werknemers. Wolter schat dat een derde van de financiering nog afkomstig is van overheidssubsidies. Verdere inkrimping van het personeel zal nodig zijn, wil het bedrijf op eigen benen komen te staan. Wat dat betreft is er een link met de vereniging in Babe met z'n zeshonderd schapen, 50 gekochte en 250 gepachte hectares en 140 personeelsleden. Met dit verschil dat Babe inmiddels een paradepaardje is in de omgeving en zo'n 20.000 toeristen per jaar trekt, dus misschien niet zo snel aan de harde kapitalistische wetten zal moeten voldoen. In Babe is tweederde van de gelden nog van diverse overheden afkomstig. “Babe is een merkwaardig dorp”, meent Wolter. Hij was al LPG-voorzitter in Sieversdorf toen Babe's eigen LPG, Blühendes Dorf, in 1976 ten gronde ging en bij die van hem werd gevoegd. “Er wonen veel randfiguren, om het zo maar te zeggen. Ik heb wel meegemaakt, dat de koeien 's ochtends stonden te loeien om gemolken te worden, terwijl de melkers in een hoek van de stal hun bierroes lagen uit te slapen. Maar ja, ik kon niemand ontslaan, want de ideologie was dat de goeden de slechten moesten opvoeden. Daar zit wat in, maar je voelt je soms meer een arbeidstherapeut dan een manager. Ik denk dat Wallrodt dat ondertussen wel kan navoelen.”

Opgekropt

Frank Wallrodt, een grote man met zwarte baard en haren, banjert in zijn onafscheidelijke kingsize pullover over het terrein van het Baber Dierenpark. Vandaag is de feestelijke seizoensopening. Al wekenlang waren alle afdelingen van het bedrijf in de weer met de voorbereiding: de bouwploeg werkte aan de toiletten, de schaapsherderin selecteerde de dieren die inmiddels geslacht en tot goulash verwerkt zijn, de bakster bakte haar loodzware volkorenbroden en alle anderen renden rond om te harken, vegen en klaar te zetten. Al ruim voor de officiële openingstijd komen de eerste gasten zich vergapen aan de wolvarkens met hun rode krulhaar, de Toulouser ganzen, zwarthalsgeiten en stepperunderen. De blaaskapel zet de Hoempapa in. “Vreselijk hè”, zegt Frank quasi-gekweld. Hij geniet zichtbaar van de vele mensen, de praatjes her en der, de begroetingen. Tot nu toe bevalt het hem prima om te werken. Geld lospeuteren geeft een kick en het doet hem plezier om, met jarenlang opgekropte creativiteit, iets op te bouwen waar velen bewondering voor hebben.

Het probleem van de grote staatsafhankelijkheid schuift hij opmerkelijk laconiek terzijde, zeker voor iemand die tot vijf jaar geleden slechts kon vloeken wanneer het woord 'staat' viel. “Dit was de enige manier waarop we iets konden opbouwen”, zegt hij. “Nu moeten we verder. Allereerst moeten mensen die hier werken, leren om economischer te denken.” Bedoelt hij hetzelfde als zijn vroegere tegenstrever Wolter, die meende dat zijn werknemers bereid zouden moeten zijn enkele maanden loon af te staan, wanneer dat in het belang van de Agrargenossenschaft zou zijn? “Ze zullen in ieder geval bereid moeten zijn om zelf in Lebens-ART te investeren, willen ze hun baan behouden.”

De 140 personeelsleden bezien Frank ondertussen met een mengeling van bewondering - “hij heeft het 'm toch maar gelapt” - en kritiek op zijn soms al te centralistische bestuurswijze. “Niet tegen hem zeggen, hoor.” Echt openlijke kritiek komt alleen van Ute: “Frank gedraagt zich soms als klein vorstje. Ik moet daar niets van hebben, dat doet me teveel aan mijn vader denken.” Hoewel ze ook moet toegeven dat het model van directe democratie, waarmee ze vlak na de oprichting van Lebens-ART experimenteerden, niet werkte, omdat niemand ooit z'n mond opendeed.

Frank grinnikt goedmoedig als een van de organisatoren van het openingsfeest hem vraagt tussen de hoempa's door een woordje te spreken: “Vooruit Frank, ze willen je stem horen”. Hij houdt een korte toespraak en bromt: “Nou ja, als de mensen dat nou willen”. Er lijkt iets voor te zeggen dat de mensen hem de vaderrol wel erg vanzelfsprekend toebedelen, omdat een leven zonder bescherming en bevoogding te angstaanjagend schijnt. Streng is hij overigens niet, vindt hij zelf. “Het enige punt waar ik echt fel op ben, is alcohol. In het begin verbood ik zelfs op dit soort feesten de verkoop van bier. De chef drinkt niet, dus zijn onderdanen ook niet, zoiets ja”, lacht hij zichzelf hardop uit. De hoop dat met het politieke klimaat ook het drinkgedrag zou veranderen, gaf Frank al snel op. “Vanaf vandaag mag er weer gedronken worden op feesten en zoals je ziet is dat een populair besluit. Alleen tijdens het werk is het streng verboden en ik heb ze ook gewaarschuwd dat wat dat betreft de DDR echt voorbij is. Bij Lebens-ART is het wel een reden voor ontslag.”