Vietnamese asielzoeker mag niet worden teruggestuurd

DEN HAAG, 2 JUNI. Ruim 300 Vietnamese asielzoekers die in 1991 van Tsjechoslowakije naar Nederland zijn gekomen, mogen waarschijnlijk in Nederland blijven. De rechtseenheidkamer van de Vreemdelingenkamer in Den Haag (de rechtbank voor asielzaken) heeft gisteren bepaald dat een Vietnamese asielzoeker niet naar Vietnam mag worden teruggestuurd, omdat een definitieve beslissing over zijn asielaanvraag langer dan drie jaar op zich heeft laten wachten. Volgens de rechtseenheidkamer is de Nederlandse overheid verantwoordelijk voor de vertraging, niet de asielzoeker.

Persrechter C. Blok heeft laten weten dat de uitspraak consequenties heeft voor de ruim 300 Vietnamese asielzoekers, die in 1991 na het vallen van 'de Muur' uit Tjechoslowakije naar Nederland kwamen. De Stichting Inlia, die de afgelopen jaren de belangen van de Vietnamese asielzoekers behartigde, meent dat de uitspraak betrekking heeft op de hele groep, “op enkele uitzonderingen na”. Woordvoerder J. van Tilborg van Stichting Inlia toonde zich vanmorgen gelukkig met de uitspraak. “De lange onzekerheid heeft tot problemen geleid onder de asielzoekers. Ze zijn bijvoorbeeld onder behandeling van een huisarts. We zijn blij dat de nachtmerrie voor hem voorbij is.” Volgens Van Tilborg moet het ministerie van justitie de uitspraak zien als jurisprudentie. “De rechtseenheidkamer zet toch beleid uit voor alle vreemdelingenkamers in Nederland. Weigert Justitie, dan zullen de Vietnamese asielzoekers stuk voor stuk naar de rechter gaan.” Het ministerie van justitie zegt desgevraagd de uitspraak nog te bestuderen en de consequenties daarvan op korte termijn aan de Tweede Kamer te zullen meedelen.

De groep Vietnamezen was eind jaren tachtig naar Tsjechoslowakije gestuurd om in de “bevriende socialistische republiek” aan het werk te gaan. Door naar Nederland te vluchten, schonden zij de overeenkomst tussen Vietnam en Tsjechoslowakije. Bovendien heeft een aantal tijdens het verblijf in Tsjechoslowakije meegewerkt aan het drukken en verspreiden van illegale kranten. Vanaf het begin heeft justitie gesteld dat de Vietnamezen geen vluchtelingen waren en dus niet in aanmerking kwamen voor zo'n genoemde A-status. Toen Tsjechoslowakije weigerde de Vietnamezen terug te nemen, begon Nederland moeizame onderhandelingen met de Vietnamese autoriteiten over een terugname-overeenkomst. Uiteindelijk kwam zo'n overeenkomst in juli vorig jaar tot stand; beide landen spraken af dat de Vietnamezen, bij voorkeur op basis van vrijwilligheid, zouden terugkeren. “Praktische problemen in de uitvoering”, hebben volgens Justitie de daadwerkelijke terugzending sinds die tijd verhinderd. Inlia meent dat de overeenkomst na de uitspraak van de rechtseenheidkamer niet meer van toepassing is. Van Tilborg wijst erop dat geen enkele Vietnamese asielzoeker uit Tsjechoslowakije zich voor vrijwillige terugkeer heeft gemeld.

In een zaak van een Chinese asielzoeker besliste de rechtseenheidkamer gisteren dat justitie haar terecht een verblijfsvergunning heeft geweigerd. In 1992 verloor zij een kort geding over haar uitwijzing. Volgens de Kamer mocht zij dus sinds die tijd niet langer in Nederland blijven. In haar uitspraak onderstreept de rechtseenheidkamer dat de termijn van drie jaar niet geldt als de asielzoeker zelf zijn uitzetting belemmert of het land van herkomst niet meewerkt aan de uitzetting.