Verblind door een grandioze hallucinatie; De autobiografische schilderijen van Zoran Music

De Sloveense kunstenaar Zoran Music werd vooral bekend door de tekeningen die hij in het laatste jaar van de oorlog in het concentratiekamp Dachau maakte. Op een overzichtstentoonstelling van zijn werk in Parijs wordt duidelijk dat dit werk het scharnierpunt vormt van zijn oeuvre, dat later zowel ingehouden schilderijen van paarden als monumentale zelfportretten bevat.

Zoran Music. Galeries nationales du Grand Palais, Parijs. T/m 3 juli. Catalogus 290 franc. Tel. 1-44131717. Nous ne sommes pas les derniers. Grafisch werk 1970-1975. Muséee Goupil, 40-50 Cours du Medoc, Bordeaux. T/m 29 juni. Catalogus 150 franc. Tel. 56901083. Zoran Music. Musée Picasso, chateau Grimaldi, Antibes. T/m 14 juni. Tel. 16-92905420. Le Temps des ténèbres. Miklos Bokor en Zoran Music. Musée des Beaux-Arts de Caen, Caen. T/m 14 aug. Tel. 1631852863.

Halverwege de overzichtstentoonstelling van de Sloveense schilder Zoran Music in het Grand Palais in Parijs, bevindt zich een vreemd soort tombe. Aan het eind van de eerste zaal ga je een scherpe hoek om, en plotseling sta je voor een grijs bouwseltje, waar je in kunt. Dan, in die bescheiden verlichte grafkamer, ontwaar je de tekeningen waaraan de 86-jarige Music zijn grootste bekendheid dankt, in inkt en potlood uitgevoerde schetsen die in het laatste oorlogsjaar in Dachau werden gemaakt.

De reeks is op deze manier bijna letterlijk tot het scharnierpunt van de tentoonstelling verheven. “In Dachau heb ik voor het eerst de noodzaak gevoeld om te tekenen,” zegt Music in de film die in een bovenzaal van het Grand Palais wordt vertoond. Voor hij tot de schitterende schilderijen en gouaches kwam die in de andere zalen van het Grand Palais hangen, moest hij eerst het ergste van het ergste meemaken. Als in Dante's Divina Comedia moest hij eerst door het purgatorium heen.

Over de maanden die hij in Dachau verbleef, wil Music nu niet meer praten. “Er zijn al zoveel boeken en catalogi over mij geschreven waar alles in staat,” zegt hij, als ik hem een paar dagen na de opening van de tentoonstelling door François Mitterrand opbel. Hij is ziek, zegt hij. De drukte rond de opening is hem te veel geweest. Hij staat op het punt naar Italië te vertrekken, waar hij in het ziekenhuis moet worden opgenomen.

Geen van de boeken en artikelen die de afgelopen jaren over Zoran Music zijn verschenen heeft inderdaad zijn levensverhaal kunnen negeren. Het is oktober 1944, de schilder woont net een paar maanden in Venetië, hij heeft zijn eerste tentoonstelling gehad, en er is een eerste monografie over hem verschenen, als hij wordt gearresteerd, onder de beschuldiging tot het verzet te behoren.

Hij wordt naar Dachau gedeporteerd, waar hij een half jaar lang, letterlijk, tussen de doden leeft. En tekent. 's Avonds in zijn barak legt hij vast wat hij overdag heeft gezien. Het aankomen van de transporten, de doden die uit de treinen vallen. Later, als hij in een ziekenbarak is opgenomen waar geen Duitsers komen omdat er vlektyphus heerst, registreert hij direct wat hij om zich heen ziet. 'Ik teken alsof ik in trance ben,' schreef hij in 1981. 'Ik val op een morbide manier aan op de velletjes papier. Ik ben als verblind door de grandioze hallucinatie van deze dodenkampen. Wat een tragische elegantie in deze breekbare lichamen.'

Wat er van zijn tekeningen over is, ongeveer eentiende van wat hij heeft gemaakt, is in het Grand Palais te zien. Veel gezichten van gestorvenen, met opengevallen monden en wijd opengesperde ogen. Music moet er vele honderden hebben getekend.

Wat Music in Dachau waarschijnlijk zo alert maakte, was dat hij niet meer schrok van de dood. Het ontzielde mensenlichaam kende hij al uit zijn academietijd. Aan de Kunstacademie in Zagreb waar hij in de jaren dertig studeerde was het gebruikelijk om studenten anatomiestudies te laten maken naar de natuur. In snijzalen had Music zo al op jonge leeftijd de lijken gezien die hem confronteerden met het besef van leven en dood. Hij was als het ware voorbereid op de doden, in hun ontluistering en naaktheid. Meer dan zijn lotgenoten stond hij open voor hun esthetiek.

Parasols

Het wonderlijke van de tentoonstelling in het Grand Palais is dat Music zich, voor je aan de tombe toe bent, eerst van een andere kant laat zien. Wie uit de schemer van de entree naar binnen gaat, komt eerst in een zaal met werk dat de schilder in de eerste jaren na de oorlog heeft gemaakt. Na zijn verblijf in Dachau keert Music terug naar Venetië. Hij trouwt er met Ida Cadorin, de dochter van een bevriende schilder, en in haar atelier aan het Canal Grande vat hij het schilderen weer op alsof er niets gebeurd is. Zijn motieven vindt hij in de herinnering aan zijn kinderjaren. “Door de reacties op de verschrikkingen heb ik mijn gelukkige jeugd teruggevonden,” zegt hij in de film. Music is het soort schilder dat afstand nodig heeft, voor een emotie bij hem rijp is om in een schilderij te worden verwerkt. Hij werkt aan vrolijke schilderijen, vol licht en kleur, waar de levenslust vanaf straalt. Daarbij blijft hij heel doordacht en uitgebalanceerd. Terwijl andere schilders in die tijd uitbundig de herwonnen vrijheid vieren, keert hij terug naar zichzelf. Eindeloos experimenteert hij met groepjes kleurige paarden, van opzij gezien, met kleine koppen en grote achterlijven die ze op de dieren op rotsschilderingen doen lijken. Hij schildert ezeltjes met vrouwen en parasols, van achteren, zonder kop en zonder staart, en verstilde, naar het abstracte neigende berglandschappen.

In het laatste deel van de tentoonstelling, als de bezoeker met Music in het purgatorium is geweest, is er van deze lichte en vrolijke atmosfeer niet veel meer over. Het overzicht eindigt met de schilderijen uit de periode vanaf 1970. In die tijd wordt Music, net als veel andere kampslachtoffers, onverwacht weer met de beelden van Dachau geconfronteerd. Hij vindt een aantal tekeningen uit het kamp terug, en deze inspireren hem tot de reeksen grote, monumentale schilderijen waaraan hij tot op de dag van vandaag doorwerkt. Veel van deze schilderijen hebben als titel: Wij zijn niet de laatsten. Het zijn schilderijen waarin Music alsnog de verschrikkingen van Dachau verwerkt.

De titel verwijst naar een verhaal van Primo Levi. Vlak voor de bevrijding van Auschwitz zegt daarin een ter dood veroordeelde: 'Vrienden, ik ben de laatste!' Music heeft de boodschap omgedraaid. Voor wie de lessen van de geschiedenis kent, zijn de slachtoffers van Auschwitz niet de laatsten. Steeds weer zullen er, in zijn ogen, onmenselijke wreedheden voorkomen.

Het is deze serie die Music in de jaren zeventig en tachtig tot een symbool maakt voor het naoorlogse Europa, samen met schrijvers als Jorge Semprun en Primo Levi en een kunstenaar als Alberto Giacometti. Niet voor niets staat op de omslag van de Franse editie van Levi's Is dit een mens een schilderij van Music afgebeeld. In dit herdenkingsjaar wordt hij in Frankrijk geëerd als een van de laatste grote getuigen van de nazi-tijd. Op vier plaatsen is er op dit moment werk van hem te zien. Op de overzichtstentoonstelling in Parijs hangen 112 schilderijen en 149 tekeningen, gouches en aquarellen, Musée Goupil in Bordeaux laat een deel van zijn grafisch werk zien, Musée Picasso in Antibes heeft een expositie met latere schilderijen, en in Caen hangen de schilderijen van Music naast die van een andere overlevende, Miklos Bokor.

Weemoed

De sterke aandacht voor Music' kampverleden kan natuurlijk ook aanleiding geven tot wrevel. Wordt de kunst niet ondergeschikt gemaakt aan het leed? Wie echter ziet wat de schilder in de afgelopen vijftig jaar allemaal heeft gemaakt, moet toegeven dat het hem om veel meer gaat dan zoiets als een protest tegen de onmenselijkheid. Dachau is in Music' biografie het scharnierpunt geweest, waardoor hij kon worden wie hij nu is, maar in de 86 jaar van zijn leven heeft hij aanzienlijk meer meegemaakt. De tentoonstelling in Parijs sluit bijvoorbeeld af met een indrukwekkende reeks monumentale zelfportretten uit de laatste vijf jaar. Deze lijken alles uit zijn biografie, van zijn jeugd in het Habsburgse rijk tot zijn huidige leven in Parijs, samen te vatten. Het is de verbeelding van soberheid en weemoed in hun uiterste gedaante. De schilderijen hebben bijna geen ondergrond of invulling meer, er staan alleen nog maar een paar heldere lijnen.

Wat na de tekeningen uit Dachau vooral opvalt, is dat er op de plaats van de mond een paar dikke krassen zijn aangebracht. Alsof Music zijn orgaan om te spreken en te schreeuwen onzichtbaar heeft willen maken. Het enige wat hij nog wil, zo lijkt het, is zichzelf laten zien, in al zijn ouderdom en naaktheid.