Slechtigheid blijft

Giles Diggle: Het hanengevecht. Vert. Helene Reid. Uitg. Jenny de Jonge, 225 blz. Prijs ƒ 26,75

In jongensboeken gaat het vaak tussen goejen en slechten en de hoofdpersoon is de goeje. De goejen zijn wel eens bang en doen ook wel eens iets fout, maar zij hebben een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel, of ze kennen een zwakkere voor wie ze op willen komen en aan wie ze steeds denken als ze het willen opgeven. Ze overwinnen.

Is dit niet een beetje ouderwets? Hebben wij dan bij voorbeeld Peter Pohl niet gelezen die dit schema veel ingewikkelder heeft gemaakt, die tegenover slechtheid meer goede wil dan goedheid stelt en die ook de best willende vriend wel eens onoplettend en egoïstisch durft te laten zijn? Wij hebben Peter Pohl gelezen. Maar Giles Diggle die Het hanengevecht schreef niet - die schreef een jongensboek volgens beproefd recept: spanning (echte hartkloppingen krijg je ervan), vriendschap, gemeenheid, schoolleven. De avonturen zijn van nu, het gaat niet om het stelen van een proefwerkje of om huisarrest tijdens een voetbalwedstrijd en de tegenstanders beperken zich niet tot schelden of oude vrouwtjes pesten. Er is een echte en goed georganiseerde bende, er is een dode jongen, er wordt via de computer gecommuniceerd en de methodes van de slechten zijn niet zachtzinnig. In dat opzicht is Het hanengevecht een modern boek en ik zou liegen als ik beweerde dat het niet steeds benieuwd maakt naar 'hoe het verder gaat'.

Ik zou ook liegen als ik beweerde dat het benieuwd maakt naar nog iets anders. De taal is meer vlot dan literair al doen de dialogen hun best op een soort gestileerde geestigheid die helaas niet echt gehaald wordt: - “Een beetje ziek, vind je niet?” - “Je hoort mij niet het tegendeel beweren.”

Ook schemert het oorspronkelijke Engels nogal eens door het Nederlands heen (“Zie je wat ik bedoel?” in plaats van “Snap je?”) en is er voor de vertalingen van namen en straten geen consequent systeem gehanteerd, zodat bijnamen van jongens Nederlands zijn maar hun gewone namen Engels, een café een Engelse naam heeft, een wijk een Nederlandse, plaats- en straatnamen Engels zijn, behalve Highstreet die Hoogstraat heet.

Het verhaal wil af en toe wel meer dan alleen maar spannend zijn: het wil ook nog een paar mooie boodschappen meegeven. Dat zou niet geven als die maar slim in de tekst verpakt zaten, maar ze steken er vaak raar uit. Zo is er een moeilijk opvoedbare jongen die, je raadt het nooit, een hart van goud heeft dat klopt voor zijn dode, in leven eveneens moeilijk opvoedbare, vriendje en die eigenlijk snakt naar gezinsleven. Verder zijn meisjes niks minder dan jongens en kunnen ze zelfs, als ze nog kleine meisjes zijn en je er dus nog niet verliefd op hoeft te worden, beter vechten dan jongens en als je wel verliefd op ze wordt dan zijn ze intelligent. De hoofdpersoon is verliefd op Emma, maar Diggle is vergeten te schrijven wat ze anders doen dan samen de misdaad oplossen en of Snoek (de ouders van de hoofdpersoon hebben een Fish and Chips winkel, vandaar zijn bijnaam) niet eens graag Emma zou willen omhelzen en of hij dat nu nooit eens probeert.

Een sterke kant is dat de slechten slecht zijn op een geloofwaardige manier, niet omdat hun ouders gemeen tegen ze zijn, maar omdat ze, bijvoorbeeld, genieten van de macht, of ergens bij willen horen, of geld willen verdienen. Ook is wel sterk dat, als aan het eind de misdaad opgelost is en de schuldigen zijn aangeklaagd, de straf toch niet is wat hij zou moeten zijn, en de hoofdpersonen beseffen dat wat bij hen gebeurt ook elders in Engeland plaatsvindt, zodat er geen sprake van is dat ze de misselijkmakende slechtigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar overwegingen zijn niet de sterkste kant van dit boek, de lezer moet te hard achter de hoofdpersonen aanhollen en complotten ontwarren en vreselijk veel namen onthouden (of besluiten dat maar te laten omdat ze er toch eigenlijk weinig toe doen) om ook nog eens ergens over na te denken. Zo'n boek dus. Een jongensboek.