Sjostakovitsj bij het vuilnis; Menno van Beekums debuut is een roman van het halsbrekende soort

Menno van Beekum: Het Jakobson-complex. Uitg. Querido, 224 blz. Prijs ƒ 35,-

De verteller van Het Jakobson-complex kijkt achterdochtig toe als ik dit schrijf. Zijn woorden samenvatten of een onderliggend thema zoeken, of een strekking, of een lering, al die dingen die je wel eens doet als lezer, liefst zou hij het me meteen verbieden. Hij verdraagt het niet, dat kant en klare, hij verdraagt het niet als een roman versimpeld wordt tot iets wat handig te onthouden is en fijn communiceert. Wat in een boek gebeurt laat zich niet navertellen, het is wat het is, onzegbaar, en het zou hem deugd doen als men dat erkende. 'Wat hier werkelijk gebeurt zegt niemand.'

Hij maakt het ook niet makkelijk om iets te zeggen. Meer dan een verhaal geeft hij een stroom van associaties, zeker in de eerste pagina's. Hij gaat een dag naar zee, ziet onderweg een vuilnisbak en hoort daar in gedachten een vioolconcert bij van Sjostakovitsj, bedenkt zich daarna dat wij 'nooit vergeten mogen', Auschwitz inderdaad, wordt dan weer afgeleid door een reclamefoto van een cowgirl die hij graag mag zien maar die, besluit hij, toch meer lesbisch is dan bi - en zo maar verder en maar voort. Het is een bommenregen van ervaringen die op je neerdaalt, tot je er ten slotte murw van wordt en bijna nijdig op een schrijver die zijn rotzooi zo over je uitstort.

Maar als ik me niet vergis is dat ook net de bedoeling.

Het Jakobson-complex is een roman van de halsbrekende soort die al vertellende van het vertellen zelf een probleem maakt en zichzelf dus almaar ondermijnt. De titel verwijst naar de linguïst Roman Jakobson, die in een roemrijk onderzoek dat de verteller leest laat zien hoe het de taal is, om precies te zijn de overdrachtelijke taal van metafoor en metoniem, die ons in staat stelt orde in de wereld aan te wijzen. Ordening en zingeving, het is een zaak van taaltechniek, en dat bevestigt de verteller in een achterdocht die hij al langer koestert. Dekt die taal de lading van het leven wel?

In de woorden die de wereld op hem loslaat, via televisie en reclame, bij de dokter, overal, hoort hij een drang om te ontsnappen aan 'de ware condition humaine', dat is te zeggen aan een wezenlijke omgang met de dood. Men vreest naar zijn gevoel de dood, dat is waarom men in het leven zo vooruitvlucht, maar verlangt ook terug naar ongeboren zijn, dus hunkert ook weer naar de dood, en om die tegenstrijdige gevoelens niet te hoeven voelen legt men er een dik tapijt van woorden overheen. Zo denkt men zin te geven aan het leven, maar men geeft alleen maar vorm aan een ontkenning van de dood, komt daardoor aan een waarlijk leven niet meer toe en maakt dus eigenlijk zichzelf vast dood. De taal van de wereld is wapentuig, benoemen is vermoorden.

Hij weigert daarom zelfs ook maar een naam te dragen, dat zou 'zelfmoord' zijn, en neemt de wijk naar een milieu waar men niet met de taal maar met de daad leeft. Hij biedt zijn diensten aan bij 'liquidatie-problemen', gespt een holster rond de schouder en ontdekt in de geest van Jean Genet dat het leven pas begint bij moord. De angsten jagen hem door het bloed, zijn zintuigen tintelen, hij leeft zich uit in de zinloosheid van het leven en dweept met geweld - en dan ineens gaat het hem zelf wat ver, 'het eind is zoek'.

Langzaam wordt dan zichtbaar waar Het Jakobson-complex op aanstuurt - ook al gaat het ondertussen over honderd dingen meer, de band met zijn vader, seks en liefde en vriendinnen, oude platen van de Golden Earring, schilderijen van Piet Mondriaan en Edvard Munch, de oorlog in ex-Joegoslavië. Het leven valt voor hem uiteen in twee domeinen, taal en daad, en geen van beide biedt hem werkelijk een leven. “Alle wijsheid gaat in tweeën,” zegt hij, “en dus weten we niets.” Het enige wat hij dan nog kan doen is als het ware in dat niets gaan staan, daar tussen die domeinen, en een brug slaan. Hij gaat op zoek naar een bestaan dat niet in barbarij vervalt maar wel de dood aanvaardt en zelfs een zeker recht geeft op geweld. Hij zoekt naar een moraal buiten de gebaande paden, een nieuwe vorm van zingeving.

En zingeving is taal.

Het Jakobson-complex, als ik het goed begrijp, probeert uiteindelijk niets meer of minder dan een nieuwe taal te scheppen, met de zegen van de wetenschapper uit de titel. Jakobson ontrafelde de beeldspraken van onze wereld indertijd door ze te vergelijken met de taal van mensen die daar door een vorm van afasie niet goed mee kunnen omgaan. De verteller zwijgt daarover, maar als zijn taal aan iets doet denken, dan toch wel aan afasie. Hij laat zijn beeldspraken ontsporen, cirkelt rond een woord dat maar niet komen wil en stuitert door zijn associaties. Dingen stijgen 'naar beneden', zinnen blijven zonder onderwerp of werkwoord of verwijzen in het niets. Het is een taal die uit zijn voegen gaat om het onzegbare te kunnen raken, het woordloze van de daad - 'als een stomp in de maag'.

De uitkomst van dat alles is dat hij zowaar zijn naam weer gaat gebruiken, de verteller, en het moet gezegd - de oude orde van de taal wordt gaandeweg terdege afgebroken. Dat is een verdeeld genoegen voor de lezer, langzaamaan begin je deerlijk te verlangen naar een strandvakantie, maar wie doorzet vindt een boek dat in zijn nietsontziende drang een wereld overhoop te schoppen even onknus als indrukwekkend is. Hier spreekt een auteur die niet zal rusten voor hij uit zijn woorden ook de allerlaatste luie vereenvoudiging geschrapt heeft. Hij is streng voor de lezer omdat hij het ook is voor zichzelf.

Menno van Beekum heet hij overigens, een naam om te onthouden.

    • Hans Goedkoop