Olie-politiek

Oliemaatschappij Shell ligt stevig met minister Jorritsma (verkeer en waterstaat) overhoop. Deze week werd uit twee morrige brieven duidelijk dat ook een kabinet met sterke liberale invloeden het gewichtigste bedrijf in Nederland niet zomaar zijn zin geeft.

In de eerste brief zet ir. Jan Slechte, president-directeur van Shell Nederland, mevrouw Jorritsma onder druk om af te zien van een heffing op afvalstoffen die een Rotterdamse harsenfabriek op het water loost. Die stoffen, organische halogeenverbindingen, zijn volgens Slechte niet zo schadelijk dat zijn bedrijf daar 6 miljoen gulden voor op tafel zou moeten leggen. In twee jaar overleg heeft Shell het ministerie daarvan niet kunnen overtuigen. Als de heffing doorgaat moet volgens Slechte “sluiting overwogen worden” van de bewuste fabriek, hetgeen 250 arbeidsplaatsen gaat kosten. Het merkwaardige is dat in 1992 op grond van adviezen van Rijkswaterstaat werd besloten tot de heffing, en dat het parlement daarmee heeft ingestemd. Slechte wil dus niet alleen Jorritsma, maar ook het parlement omturnen.

De tweede brief is door mevrouw Jorritsma geschreven aan haar Britse collega. Ze verzoekt hem de toestemming die de Britse regering aan Shell gaf om olieplatform Brent Spar in de Atlantische Oceaan te dumpen “te heroverwegen”. Dat kan Shell heel wat meer gaan kosten dan de 6 miljoen van Slechte. Shell wil het rendement op zijn geïnvesteerd vermogen opvoeren, en zet daartoe alle zeilen bij. Een klein beetje watervervuiling onder Koninklijke vlag moet kunnen, is de redenering.