Nare brief

Goed anderhalf jaar geleden moest Vitesse-speler René Eijer van de ene op de ander dag afhaken: multiple sclerose. Je zou het niet zeggen met al die Ajaxitis van tegenwoordig, maar la tristesse d'être humain bestaat ook in het voetbal. Een gracieuze linkspoot met een elleboogstoot van god opzij gezet: geknakt lichaam, geknakte carrière.

Niet dat er veel medeleven was voor de middenvelder die bij wijle de bal kon strelen als een strijkkwartet. Maar toch, op een zondagnamiddag werd op Monnikenhuizen enigszins plechtig afscheid genomen van de dertigjarige virtuoos. Met een bloemetje en een ovatie en een kort maar bewogen dankwoord van de uitgeschakelde voetballer. Lang voor er van mama Kluivert sprake was, rolde zelfs een enkele traan over het betonrot in het tochtige stadion.

Vitesse-voorzitter Aalbers gedroeg zich als een man van de wereld en galmde de supporters toe dat René door de club nooit in de steek zou worden gelaten. En jawel, Eijer werd opgenomen in de technische staf. Voor een klerkensalaris weliswaar, maar dat maakte niet uit. Belangrijker was dat de jonge voetbalfanaat niet gedumpt werd bij de nuttelozen van de nacht. René Eijer fleurde weer op. Hij stoeide lekker mee met de groep, bracht rust en troost waar dat nodig was, schudde spelers wakker, liet de jonge veulens rennen achter een splijtende voorzet en schonk zich 's avonds voldaan een biertje in. Mevrouw Eijer waande zich weer in de armen van James Dean. Zoals ze dat altijd had gekend.

Een paar weken geleden viel er een briefje in de bus.

René Eijer werd bedankt voor bewezen diensten. Kort en droog deelde voorzitter Aalbers mee dat er voor de Vitesse-veteraan op Monnikenhuizen geen plaats meer was. Einde verhaal.

Zou het ontslag van Eijer het gevolg zijn van de trainerswissel? Ronald Spelbos imponeert zelden met een Florentijnse charme, maar zo bot kan een voetbaltrainer toch niet zijn. Als hij de boze hand is geweest in het bevelschrift ter destructie van een goed mens, zal zijn rijk bij Vitesse van korte duur zijn. Voetballers zijn sensibele wezens; ze ruiken het verderf tegen de wind in.

Of is Eijer het slachtoffer van de financiële ademnood van de club uit Arnhem? Op het eerste gezicht ook onwaarschijnlijk. Wie een miljoenenaanbod voor Roy Makaay laat liggen, hikt niet over een salarisje van enkele tienduizenden guldens. Trouwens, wat zei Karel Aalbers in afwachting van de arbitrage rond de transfer van Van Weerden naar PSV? “Het motief van Vitesse is een zo sterk mogelijk elftal te hebben, en niet zoveel mogelijk geld te verdienen aan transfers.”

Er is een probleempje. Ik vertrouw die Aalbers niet. Niet in zijn clubliefde en niet in zijn grootspraak. Tegen alle mooie schijn in blijkt de geldnood van Vitesse nu toch acuut. Dat een speler als Philip Cocu opeens voor het prikje van drie miljoen naar PSV kan vertrekken is veelzeggend. Voor mijn part mag Aalbers de halve selectie van Vitesse voor de etalage opblinken, maar een voetbalpraeses die een fragiel sieraad als René Eijer bij het grof vuil kwakt, verdient geen respect meer. En het prestige van Aalbers was al gehavend door de Napoleontische brutaliteit waarmee hij trainer Neumann beduvelde. Ik weet niet of Gelderlanders veel kunnen hebben, ik weet wel dat ik me als supporter voor een clubvoorzitter à la Aalbers zou schamen.

Met al die Ajax-hymnes is een waas van onschuld over de Nederlandse voetbalindustrie neergedaald. De tranen van Kluivert en Seedorf, het handje van Rijkaard, de goedmoedige extase van tienduizenden fans konden de voorbije dagen zelfs intellectuelen vertederen. Ajax werd zowaar geannexeerd als patrimonium van de grachtengordel. Maar achter het voetbal met een menselijk gelaat gaat ook nog een ruigere wereld schuil waar feodale tradities heersen, opportunistische reflexen en heel veel lynch-ethiek. De wereld van Karel Aalbers die het mededogen voor de tragiek in het leven van een voetbalzoon niet eens twee seizoenen kon volhouden.

Misschien kan René Eijer voor nog enkele jaren voetbalvreugde in Doetinchem terecht. Bij De Graafschap waar ze volgens deze krant 'hotsen en knotsen'. De woorden klonken me als muziek in de oren. Toen ik ze hardop uitsprak wist ik: goed volk. Wie hotsend en knotsend in het leven staat schrijft geen nare brieven.