'Mensenhandel vaak niet tijdig herkend'; Procureurs-generaal maken handleiding voor betere aanpak

DEN HAAG, 2 JUNI. Politie en andere betrokken instanties zijn niet altijd in staat signalen die wijzen op mensenhandel tijdig te herkennen. Dat stelt mr. I.E. Klopper-Gerretsen, hoofdofficier van justitie te Alkmaar en voorzitter van een werkgroep die de gisteren van kracht geworden 'Handleiding voor de aanpak van mensenhandel' samenstelde. De onder verantwoordelijkheid van de procureurs-generaal opgestelde handleiding is niet alleen bestemd voor het openbaar ministerie maar ook voor politiekorpsen en andere instanties die betrokken zijn bij de aanpak van mensenhandel.

Tot dusverre was het beleid van het OM ten aanzien van vrouwenhandel terug te vinden in richtlijnen van de procureurs-generaal. Uit een door het Willem Pompe Instituut voor strafrechtswetenschappen verricht onderzoek blijkt dat die richtlijnen door de politie en het OM onvolledig of helemaal niet worden uitgevoerd. “Die kritiek hebben we ter harte genomen. Daarom is deze handleiding veel praktischer van opzet”, stelt Klopper-Gerretsen.

Mensenhandel heeft in Nederland bijna altijd plaats in de prostitutiesector. Ten onrechte meent de politie soms dat er geen sprake is van vrouwenhandel als een vrouw verklaart dat ze in het land van herkomst ook al in de prostitutie werkzaam was of dat ze tevoren wist dat ze in Nederland in een seksclub zou gaan werken. “Het belangrijkste criterium bij de vaststelling of er sprake is van vrouwenhandel is de dwang- of uitbuitingssituatie van een prostituée”, zegt Klopper-Gerretsen. “In hoeverre is er sprake van een vrijwillige keuze van de vrouw? Is er al dan niet fysieke dwang gebruikt? Is haar paspoort door een seks-exploitant ingehouden waardoor ze zich niet vrij kan bewegen?”

In de handleiding staan nog meer criteria vermeld aan de hand waarvan de politie kan bepalen of het mogelijkerwijze om vrouwenhandel gaat. Heeft de prostituée zelf haar reis geregeld? Moet ze het grootste deel van haar verdiensten afdragen aan de exploitant of aan derden? Is haar bewegingsvrijheid beperkt? Heeft de exploitant een overnamebedrag betaald? Wordt ze bedreigd of gechanteerd? “Het herkennen van dergelijke signalen is heel belangrijk”, meent Klopper-Gerretsen. “Want die vrouwen hebben vaak nauwelijks de gelegenheid hun klachten zelfstandig te uiten. Ze denken bovendien vaak dat ze meteen het land worden uitgezet als ze zich bij de politie melden om aangifte van vrouwenhandel te doen. Ten onrechte, want in dergelijke gevallen kunnen ze in aanmerking komen voor een tijdelijke verblijfsvergunning.”

Klopper-Gerretsen doelt op de zogenoemde B-17-regeling van de Vreemdelingencirculaire waarin is bepaald “dat reeds bij geringe aanwijzingen dat er sprake zou kunnen zijn van een slachtoffer van vrouwenhandel de verwijdering gedurende een termijn van drie maanden dient te worden opgeschort”. Die termijn is onder meer bedoeld om de betrokken vrouw de gelegenheid te geven “in alle rust” te besluiten of ze aangifte wil doen. Doet ze dat dan mag ze voor de duur van de rechtszaak in Nederland blijven. Ze heeft dan tevens recht op een uitkering en op bescherming.

Uit het onderzoek van het Pompe-instituut blijkt dat de politiefunctionarissen van de zedenpolitie en de vreemdelingendienst over het algemeen van mening zijn dat de vrouw zelf als eerste moet aangeven dat ze slachtoffer is van vrouwenhandel en onder dwang in de prostitutie terecht is gekomen. Ze willen daarmee voorkomen dat de verdediging het vooruitzicht van een tijdelijke verblijfsvergunning later als argument tegen het slachtoffer kan gebruiken. De helft van alle ondervraagde politiefunctionarissen denkt bovendien dat er misbruik wordt gemaakt van de 'B-17-regeling'. In de gisteren van kracht geworden handleiding is een bepaling opgenomen waarin de politie gevraagd wordt een vermoeden van vrouwenhandel onmiddellijk bij het OM te melden. “Wij kunnen dan stimuleren dat zo'n vrouw aangifte doet in het kader van de B-17-regeling en onze maatregelen afstemmen op het voorwerk van de politie”, aldus Klopper-Gerretsen.

Volgens de Alkmaarse hoofdofficier komt mensenhandel in Nederland steeds vaker voor. “Hoe vaak, dat weten we niet precies, daar durf ik ook geen harde uitspraken over te doen.” Uit een analyse van de Centrale Recherche Informatie (CRI) blijkt dat er momenteel in Nederland vierhonderdënvijftig 'actieve criminele groeperingen' zijn, waarvan in zes procent van de gevallen kinderporno, mensenhandel of prostitutie de criminele hoofdactiviteit vormt. Vaak gaat het om vormen van georganiseerde criminaliteit waarbij niet alleen van vrouwenhandel sprake is maar ook van smokkel van drugs, wapens of gestolen auto's en het witwassen van zwart geld. “Vrouwenhandel zou volgens ons hoger moeten scoren op de lijst van prioriteiten”, stelt Klopper-Gerretsen. “Gaat het bijvoorbeeld om drugs en vrouwenhandel, dan pleiten wij ervoor dat het onderzoek niet tot de drugszaak wordt beperkt, maar juist ook op de vrouwenhandel is gericht, zeker omdat je de prostituées als slachtoffers moet zien.”

Per geval moeten volgens Klopper-Gerretsen onderlinge afspraken worden gemaakt zodat een specifieke aanpak mogelijk wordt. Volgens de handleiding dient het opsporings- en vervolgingsbeleid te rusten op drie pijlers: het oprollen van de betrokken criminele organisaties, het beschermen van de slachtoffers en het afromen van financieel voordeel. Gaat het om een vrouwenhandelzaak met veel slachtoffers dan moeten er meer zedenrechercheurs worden ingezet, maar zijn er belangrijke criminele geldstromen in het geding dan is het meer een zaak voor financiële experts. “Ik verwacht dat met deze handleiding vrouwenhandel beter aangepakt kan worden”, meent Klopper-Gerretsen optimistisch. “De tijd is er rijp voor.”

    • Alfred van Cleef