Meistersinger als eerbetoon aan Wagner

Voorstelling: Die Meistersinger von Nürnberg van R. Wagner door de Nederlandse Opera en het Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. o.a. Jan-Hendrik Rootering, Dale Duesing, Albert Bonnema, Siegfried Vogel, John la Pierre, Katarina Dalayman en Ruthild Engert. Decor: Wilfried Werz; kostuums: Eleonore Kleiber; regie: Harry Kupfer. Gezien: 1/6 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: 4, 7, 10, 13, 16, 20, 23, 27, 30/6.

De Duits-Nederlandse betrekkingen lijken vijftig jaar na de Tweede Wereldoorlog écht veranderd. Op de tweede avond van het Holland Festival - in dit herdenkingsjaar vooral gewijd aan de Duitse kunst - bracht de Nederlandse Opera met veel publiek succes een glanzende produktie van Wagners Die Meistersinger von Nürnberg - eindigend in een massale lofzang op de 'heilige Duitse kunst' in de stad waar later de nazi's hun partijdagen hielden.

Twee voormalige Oostduitsers - dirigent Hartmut Haenchen en regisseur Harry Kupfer - presenteerden dit vaak zo langdradige en beladen werk van Wagner in Amsterdam als 'on-Wagneriaans' licht en helder, onderhoudend en komisch, positief, braaf en zonder ironie. Het voordoek hing zoals Wagner dat zelf graag zag, opgetrokken in de twee bovenhoeken. En de voorstelling, bijgewoond door Wolfgang Wagner, kleinzoon van de componist en leider van Bayreuth, kon men zelfs interpreteren als een ode aan Wagner zelf - de goede Duitse meester.

Deze Meistersinger, die draait om een zangwedstrijd, betekent ook een triomf voor Jan-Hendrik Rootering, de Duitse zanger met de Nederlandse vader, die op schitterende wijze voor het eerst de rol van Hans Sachs zong. En tijdens zijn uitvoeringen van proeflied en prijslied van Walther von Stolzing bewees de Nederlandse tenor Albert Bonnema zich als een opmerkelijk talent: hij lijkt zelfs de eerste Nederlandse Wagnertenor van belang sinds Jacques Urlus (1867-1935), die furore maakte in Bayreuth en New York.

Deze Meistersinger van de Nederlandse Opera komt negen jaar na de Holland Festival-produktie die in Carré werd gegeven in 1986, vlak voor de opening van het Muziektheater. Edo de Waart dirigeerde toen het Concertgebouworkest en regisseur Elijah Moshinsky bracht de visueel fraaie enscenering onder een replica van het beroemde Isenheimer altaarstuk van Matthias Grünewald op ècht gras en onder een èchte boom.

De Australiër Moshinsky bracht toen een 'onduitse' Meistersinger, ontdaan van al het collectieve van gildes en parades, van vlaggen en banieren. Hij concentreerde zich op de petit histoire van de ontluikende liefde tussen Eva en Walter von Stolzing. Bij Harry Kupfer zijn er bij de aankomst van de Meesterzangers op de Festwiese wel gildestandaards en wat vlaggen, maar de sfeer is puur carnavalesk en de speelse acrobatiek herinnert aan Dario Fo.

Het met gouden belichting overgoten toneelbeeld van Wilfried Werz zorgt voor een lucide eenheidsdecor op een draaischijf: een levensboom, die ook functioneert als kerk en als huis voor de hoofdpersonen. Pilaren, die balkons dragen, veranderen met de zwier van de Jugendstil in takken die uitlopen in pinakels. Het heeft wat van de organische sfeer van Gaudí. Alles is van hout en voorzien van snijwerk zoals men dat in Zuid-Duitsland graag ziet.

De vijfeneenhalf uur durende voorstelling is na ruim twee maanden van repeteren een feestelijk wonder van subtiele en onderhoudende detaillering. Er zijn enerverende massa-scènes aan het eind van de drie aktes - wát een fantastisch wervelende Prügelszene, waarin Beckmesser te grazen wordt genomen. Maar er zijn ook de aansprekende intiemere momenten, zoals de confrontaties van Hans Sachs met Walther von Stolzing en Eva. Verdreven is elke verveling die dit zo braaf en positief getoonzette werk zo snel oproept en waaraan men steeds wordt herinnerd als Hermann Ortel (gespeeld door Charles van Tassel) toch nog staat te geeuwen.

Prachtig is de individuele karakterisering van de personages, steeds verbonden met bijpassende vocale prestaties. Rootering is met zijn onvermoeibaar sonore timbre en lichte emotionaliteit een indrukwekkend geacheveerd zingende Sachs - de beste en verstandigste aller schoenmakers. De anders zo ellenlange monologen van Sachs boeien hier als zelden het geval is.

Albert Bonnema is precies Walther von Stolzing: vrijmoedig en eerzuchtig, een aankomende jonge meesterzanger, nog wat ongepolijst maar zelfverzekerd zingend, voor wie het echte leven nog moet beginnen. Verder zijn er heel goede rollen van Katarina Dalayman (Eva), Siegfried Vogel (Pogner) en John la Pierre (David). De na afloop luid toegejuichte Dale Dusing schept in de rol van Beckmesser, die Walther zo hinderlijk dwars zit, een net niet karikaturaal typetje dat evolueert van weerzinwekkend naar sympathiek.

Opnieuw bewijst Hartmut Haenchen, die in de komende jaren de Ring gaat doen, zich hier met zijn eigen, heel goed spelende Nederlands Philharmonisch Orkest als een Wagnerdirigent van hoog niveau. Hij dirigeert uit een nieuwe partituuruitgave die recht doet aan duizenden details, die later door Wagner zijn gecorrigeerd. Het geheel klinkt bijna nieuw, fris en klaar, luchtig en kamermuzikaal, ontdaan van elke vetheid en zwaarte, veelal gespeeld met bescheiden volume.

Deze Meistersinger van Kupfer en Haenchen betekent pure komedie op volstrekt prettige wijze met liefde en perfectie tot leven gebracht. De op deze manier gebrachte Wagner is onmiskenbaar de voorloper van Verdi's Falstaff en Strauss' Der Rosenkavalier, ook stukken waarin het jonge liefdespaar glorieert. Walthers prijslied klinkt hier bijna als Di rigori armato il seno, de aria van de Italiaanse zanger in Der Rosenkavalier.

Deze zorgeloze enscenering - waarin zelfs de tragiek van de weduwnaar Sachs aan wie de liefde voorbij gaat, geheel is verinnerlijkt - toont een totaal andere Kupfer dan we in Amsterdam meestal gewend zijn. Niet de voor velen bijna onverdraaglijk scherpe, maatschappelijk geëngageerde analyticus die we kennen uit Elektra, Salome, Fidelio, La damnation de Faust of Boris Godoenov. Kupfer is hier een milde theatermaker die weet dat het leven naast schaduw en duisternis ook bestaat uit positieve bedoelingen en het streven naar menselijk geluk, zoals hij die hier ook eerder toonde in plezierige voorstellingen als Der Shuhu und die fliegende Prinzessin en Händels Giustino.

Gaf Kupfer dan geen enkele venijnige draai aan deze brave Wagner? Wist Kupfer dan niets controversieels te verbinden aan Die Meistersinger, waarin Wagner zichzelf impliciet propageert als een Duitse Meester die dichtkunst en muziek verenigt: Eert uw Duitse meesters, dan roept u goede geesten op!

Helemaal aan het slot was die duiding er natuurlijk wel. Hans Sachs wordt dan gehuldigd voor zijn verstand en inzicht, maar hij wijst dat eerbetoon bescheiden af en weigert de gouden lauwerkrans op het hoofd gedrukt te krijgen. Even overweegt hij die de in zaal te gooien, naar het publiek. Dan bedenkt hij zich en legt het kleinood voor op het podium en valt het doek.

Wat betekent dat slot? Geen Duitse paarlen voor de Hollandse zwijnen? Of betoogt Kupfer dat het misschien meevalt met dat Deutschtum in Wagner, maar dat men toch moet afzien van het opdringen van te veel Duits aan Nederland?