Marlene Dumas: Als ik een penis wil schilderen, schilder ik geen wortel

Ze is de bekendste van de drie Nederlandse exposanten op de Biennale van Venetië. Haar stijl heeft allang school gemaakt. Ga naar een beurs en zie daar steevast een bijna-schilderij van Marlene Dumas: de transparante verflagen, de bijna fluorescerende tinten en contouren, de schijnbaar nonchalante, maar o zo trefzekere schilderstechniek, de uitvergrote hoofden en lijven van baby's, psychiatrische patiënten en andere menselijke figuren. Modellen, van wie vaak de nachtzijde tegen het licht wordt gehouden; in vorm èn inhoud.

Die duistere kant in Dumas' werk symboliseert 'het kwaad', 'de boze droom', is vaak geschreven. Liever zie ik daarin de scherpzinnige, bijna 'helderziende' blik van de schilder, die mededogen, angst, weerzin en andere emoties blootgeeft, maar die diezelfde gevoelens net zo goed weet op te roepen. 'Ik wil mensen afbeelden in hun complexiteit en hun nooit totaal te definiëren identiteit', zei ze zelf. Haar epigonen laten zich snel ontmaskeren, juist omdat die knap gesuggereerde donkerte tussen complexiteit en identiteit waarmee Dumas onrust zaait, bij hen niet doorzien, toegeëigend en doorvoeld is. 'Het zal wel', denkt de toeschouwer, het laat hem koud, terwijl Dumas juist alles in het werk stelt dat gevoel te vermijden.

“Is het niet beter alleen mijn twee jongere, minder bekende Biennale-collega's aan het woord te laten”, stelt ze voor tijdens de aanloop naar het vraaggesprek. Nee, Marlene Dumas (Kaapstad, 1953) hoort erbij. Straks hangen haar doeken in zowel het Nederlandse paviljoen als op een twintigste-eeuws overzicht in het Palazzo Grassi in Venetië en in het Castello di Rivoli in Turijn, naast de gedeformeerde figuren van Francis Bacon. Niemand anders dan Bacon schilderde zo schrijnend hoe onmachtig, agressief en verlaten de mens als een beest aan zichzelf kan zijn overgeleverd. Dumas staat wat huiverig tegenover die combinatie, tegenover elke duo-presentatie trouwens. Drie exposanten, zoals nu in Venetië, vindt ze veel minder bezwaarlijk: “Je hebt de vrijheid, maar ben je toch bewust van elkaar. We spelen ook duidelijk op elkaar in, want de tentoonstelling is als eenheid bedoeld.”

In haar atelier bladert ze door kranten- en tijdschriftfoto's. Haar smalle en hoge Biennale-schilderijen van vooral zwarte vrouwen zijn naar die foto-bron terug te voeren, naar de gespannen dijen van het zwarte fotomodel Naomi Campbell, het gespierde narcisme van Madonna, de hooggehakte catwalk van Claudia Schiffer. In houdingen en fragmenten staan ze nu onherkenbaar model voor de serie Maria Magdalena. De vrouw die door Jezus van haar gekte werd genezen, meldt de bijbel, maar die later vooral als hoer en zondares werd voorgesteld. Prostituées en parfumeurs lijfden haar in als patroonheilige.

Dumas wilde uitpluizen wie in godsnaam Maria Magdalena is geweest. De heilige was ook een logisch vervolg op haar serie over de lijdende Christus. “Zoals Jezus een vrouwelijke man was, vaak zowel sensueel als afstandelijk verbeeld, zo herken ik in Maria Magdalena een mannelijke vrouw, geen zielige vrouw, maar een volwaardige discipel. Mijn Magdalena's zijn evenmin zielig”. Op haar doeken ontlenen ze hun kapsel soms aan de één meter lange, vlasdunne haren waarmee de 16de-eeuwse Vlaamse schilder Quinten Matsys zijn Maria's uitdoste.

Snel en associatief komen Dumas' beeldcollages - van Matsys tot Madonna - tot stand. Dreigen haar Magadalena's de ellenlange benen van supermodellen te krijgen, dan vraagt ze zich af of er geen verwijzingen ontstaan naar de net zo lange en mooi gespierde krijgers van de Nuba-stam, gefotografeerd door de bij de nazi's ooit zo populaire cineaste Leni Riefenstahl. Draagt Magdalena op oude schilderijen vaak een schedel als attribuut bij zich, Dumas laat zo'n voorwerp weg, omdat het geassocieerd kan worden met kannibalisme.

“Ik schilder geen symbolen of attributen. Als ik een penis wil schilderen, schilder ik een penis en niet een wortel. Voorwerpen leiden de aandacht alleen maar af. Verder moet een doek een beetje kitsch zijn, een beetje banaal.” De dertig tekeningen van gezichten die ze als een 'blok' eveneens in Venetië tentoonstelt, kleurde haar vijfjarige dochter Helena in. “Ze vond de oorspronkelijke zwart-wit bladen zo saai. Nu ben ik haar ondergrond geworden.”

    • Marianne Vermeijden