Maria Roosen: Het glas dicteert borsten en schoenen

Ze heeft haar atelier in een oude gymzaal in Arnhem. Daar staan Maria Roosens glassculpturen tussen de bokken, klimrekken en baskets die de vorige gebruikers hebben achtergelaten. De opstelling roept gruwelijke visioenen op van hordes schoolkinderen die tijdens hun wekelijkse gymuurtjes over de fragiele beelden heenwalsen, maar Roosen (1957) heeft daarvan weinig last. Ze houdt wel van contrasten, zoals ook duidelijk wordt in haar beelden. In de gymzaal liggen bijvoorbeeld gele en rode glazen schoentjes die Assepoester waarschijnlijk met liefde zou dragen als ze niet massief waren; en er is een groot aantal glazen vrouwenborsten te zien die soms wel tien tepels hebben, en daardoor plotseling iets krijgen van een middeleeuwse goedendag. “Dat vind ik nu mooi”, zegt Roosen, wijzend op een van de knuppelborsten. “Dat contrast tussen dat kwetsbare, fragiele glas en de vorm van een middeleeuwse knuppel, toch bij uitstek het symbool van agressie en stevigheid. Dat brengt de toeschouwer in verwarring; zet hem op het verkeerde been en dat is precies wat ik prettig vind.”

Ook bij het werk dat Roosen in het Nederlandse paviljoen op de Biennale zal presenteren is die voorliefde voor contrasten zichtbaar. Dat begint al bij het oudste beeld dat er van haar wordt tentoongesteld: twee enorme sloffen, maat 63, die Roosen een aantal jaren geleden ontwierp voor de 2 meter 37 lange 'Reus van Rotterdam', en waarnaast je je altijd weer voelt als Gulliver die op Brobdingnag, het reuzeneiland, is losgelaten. En ook in haar latere werken wordt Roosens voorkeur duidelijk; zo exposeert ze in het Rietveld-paviljoen in Venetië twee fragiele, bruine borsten in een vetleren Chesterfield.

Pas sinds een jaar of vijf werkt Maria Roosen met geblazen glas. “Ik ben begonnen met glazen platen die ik bol maakte door ze te verhitten. Vervolgens verwerkte ik die in verschillende installaties”, vertelt ze. “Later heb ik glazen bollen laten vervaardigen, want glas begon me steeds meer aan te spreken - het draagt zo duidelijk de sporen van de stolling in zich die het glasblazen eigenlijk is. Glas is ook een materiaal dat je in een bepaalde richting dwingt. Als je het blaast, wordt het in de eerste plaats een bol en omdat ik bij die primaire vormen in de buurt wil blijven ontstonden er na de bollen al snel borsten.”

Doordat Roosen veel min of meer vrouwelijke 'voorwerpen' als borsten heeft gemaakt, is over haar werk regelmatig gezegd dat het een feministische boodschap in zich draagt. Maar daar heeft het volgens Roosen niet alles mee te maken. “Ik maak wel gebruik van vrouwelijke aspecten als verleiding, sensualiteit en vruchtbaarheid, maar mijn beelden zijn geen feministische pamfletten. Er zijn meer mannen in de kunstgeschiedenis die borsten hebben gemaakt dan vrouwen.”

Roosen blaast haar de beelden niet zelf, (“ik heb het wel eens geprobeerd, maar het begon me onmiddellijk te duizelen”) maar laat ze op een glasblazerij maken naar ontwerpen die ze zelf in aquarel heeft uitgevoerd. “Die schetsen dienen vooral om de intentie aan te geven waar vanuit we gaan werken,” zegt ze. “Ik wil het proces van het glasblazen en de samenwerking met de blazer gebruiken voor het uiteindelijke beeld. Daarom wil ik me van tevoren niet teveel vastleggen.”

Om de vorm van haar beelden toch enigszins in de hand te houden, is Roosen de laatste jaren begonnen haar beelden in vormen te blazen, bij voorkeur van leer, omdat dat rekbaar is en redelijk bestand tegen het gloeiend hete vloeibare glas. De eerste poging daartoe waren de muiltjes, die ze vormde door het glas te laten blazen in schoenen. En onlangs heeft ze een aantal beelden gemaakt waarin ze verder gaat met deze werkwijze. In haar atelier trekt ze een breed stuk plastic weg waardoor zeven glazen lendenen worden onthult in verschillende soorten roze, geel en groenig glas, die gezamenlijk een beetje aan een rijtje dwergen doen denken. “Deze heb ik geblazen in Lederhosen”, grinnikt ze. “Eerst betwijfelde ik of ze wel samen werkten, maar nu ik ze een tijdje heb gezien, ben ik er heel tevreden mee. Ze zijn allemaal verschillend, maar toch lijken ze op elkaar - net of ik een hele broekenfamilie heb geblazen.”