Literatuur zonder boodschap kan niet bestaan; Gesprek met de Vietnamese schrijfster Duong Thu Huong

De Vietnamese schrijfster Duong Thu Huong werd in 1991, kort na de publikatie van haar boek Roman zonder titel gevangen gezet. Sinds haar vrijlating een half jaar later heeft ze niets meer kunnen publiceren. Haar post wordt gecontroleerd en haar telefoon afgeluisterd. Toch beschouwt Duong zichzelf als een gezegend mens:

“Met de kracht waarmee ik vroeger geloofde in de idealen, kan ik nu vechten tegen de leugen.”

Duong Thu Huong: Blind paradijs. Vert. (uit het Frans) Han Meijer. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 248 blz. Prijs ƒ 36,90 Duong Thu Huong: Roman zonder titel. Vert. (uit het Frans) Han Meijer. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 219 blz. Prijs ƒ 36,90 door Helen Saelman

Een nek breken, een lichaam doorboren met een bajonet, een machinegeweer leegschieten, op iemand, op alles wat me herinnerde aan dit gore leven, op alles wat ik kwijtgeraakt was, op alle onzichtbare krachten die mijn leven vertrapt, verscheurd hadden ...

Tien jaar oorlog heeft compagniecommandant Quân, de hoofdpersoon van Duong Thu Huongs Roman zonder titel, erop zitten op het moment van deze wanhopige woedeuitbarsting. Tien jaar lang heeft hij zijn geboortedorp niet gezien wanneer hij voor het eerst verlof krijgt. Zijn reis huiswaarts door het verwoeste land is één onophoudelijke nachtmerrie. En de tijdelijke terugkeer in zijn dorp brengt hem geen enkele verlichting maar confronteert hem met zijn persoonlijke verliezen. Zijn jongere broer, die met zijn scherpe verstand voorbestemd was voor een intellectuele carrière, is gesneuveld. Het contact met zijn in apathie verzonken vader is onherstelbaar verstoord: Quân verwijt hem zijn vrouw het leven onmogelijk te hebben gemaakt en zijn jongste zoon opgeofferd te hebben aan een persoonlijk verlangen naar roem. Quâns jeugdliefde leeft, zwanger van een andere man, door het dorp verstoten in een hut op een heuvel; zijn pogingen de draad met haar weer op te nemen, mislukken. Quân keert terug naar het front, in het besef dat degene die hij ooit was niet meer bestaat, dat zijn vroegere leven nooit meer terug zal keren.

'Een volk in oorlog verliest alles, het wordt van het leven beroofd. Oorlog kent alleen verliezers.' Dit is, zegt Duong Thu Huong (1947), de belangrijkste gedachte die ze met Roman zonder titel heeft willen uitdrukken. Het is een van de gedachten die een Vietnamees, en zeker een Vietnamese schrijver, niet hoort te hebben. Duongs betrekkingen met de overheid zijn grondig verpest. Kort nadat ze haar roman voltooide werd ze voor ruim een half jaar gevangen gezet. De aanklacht luidde: het doorspelen van staatsgeheimen naar het buitenland. De staatsgeheimen - dat waren haar eigen geschriften, waaronder het manuscript van Roman zonder titel.

Dat was in 1991. Voordien had Duong, auteur van zes romans en een aantal korte verhalen en filmscenario's, al regelmatig aanvaringen met de overheid. Met name haar romans De illusies voorbij (1985) en Blind Paradijs (1987), waarvan de laatste in 1993 in het Nederlands werd vertaald, ontketenden hetzes in de pers. Haar boeken werden uit de circulatie genomen. De veiligheidsdienst volgde de schrijfster op de voet, letterlijk.

Na haar vrijlating heeft ze in eigen land niets meer kunnen publiceren. In officiële boekhandels is het nog altijd vruchteloos zoeken naar haar werk; alleen eigenaars van boekenstalletjes op straat willen nog wel eens met een samenzweerderig gezicht van onder dikke stapels een kopie van de Engelse uitgave van Blind Paradijs of Roman zonder titel tevoorschijn halen.

Sinds twee jaar wordt ze niet meer geschaduwd, maar haar post wordt nog steeds gecontroleerd en haar telefoon afgeluisterd. Buitenlandse journalisten spreekt ze gewoonlijk in hun ambassade of hotel in Hanoi, waar Duong woont.

De eerste vraag komt van haar: welk boek ik mooier vond, Blind Paradijs of Roman zonder titel? Ik zeg dat ik het eerste iets subtieler vond, poëtischer, luchtiger. “Ik houd meer van Roman zonder titel,” zegt ze. “Maar u heeft gelijk: over de oorlog kan ik niet met afstand schrijven.” Duong was net twintig toen ze naar het front ging, als lid van een dans- en toneelgroep die de soldaten moest opbeuren. Harder zingen dan de bommen heette die groep; slechts enkele van de leden overleefden de oorlog.

Ze leek zo vrolijk, toen ze het hotel binnenstapte. Een felgekleurde bloes, een nagenoeg rimpelloos gezicht, grapjes met het personeel. Maar nu ik tegenover haar zit voel ik haar gespannenheid en zie ik hoe triest haar ogen staan. “De balans van de geschiedenis is ondubbelzinnig,” zegt ze. “Wat is er gewonnen? Een klein beetje roem voor het land. Al de rest is verlies.” Roem is volgens Duong een gevaarlijk begrip. In al zijn leegte - het verlangen ernaar komt voort uit pure ijdelheid - kan het hele volkeren mobiliseren. En vernietigen: “Zij die de roem bezingen zijn nooit degenen die ervoor betalen.”

In Roman zonder titel speelt het begrip 'roem' een belangrijke rol. Quân kijkt met verbazing en bitterheid terug op de verwachtingen waarmee hij en zijn kameraden als tieners naar het front vertrokken. 'Deze oorlog was niet alleen maar een strijd tegen een agressor. Het was ook een kans voor wederopstanding. Vietnam was een uitverkorene van de Geschiedenis. Na de oorlog zou ons land het paradijs der mensheid worden, ons volk zou een bijzondere plaats innemen, eer en respect zouden ons deel worden...'

Domper

Voortdurend wordt in de roman het contrast benadrukt tussen de hoop en het enthousiasme aan het begin van de oorlog en de domper die erop volgde. In Quân heeft Duong haar eigen oorlogservaringen vervlochten met die van iemand die haar zeer na staat. Deze man, die ze haar 'jongere broer' noemt, kreeg na de oorlog een functie bij de politie en kon haar vanuit die positie twee keer waarschuwen dat er plannen bestonden haar bij een 'verkeersongeval' om het leven te brengen. Hij was degene wiens broer door zijn vader aan de roem geofferd werd. Deze was niet dienstplichtig, omdat hij de jongste was. Maar zijn vader wilde voor zichzelf een plaatsje aan 'het glorieuze banket van de toekomst'. Duong wil hiermee de vader niet beschuldigen: “Ik wilde alleen maar aangeven dat de oorlog niemand spaart. De vader was een veteraan van de Franse oorlog. Ook hij was slachtoffer. Ook zijn geest was verziekt door ideologie.”

Het verlies van illusies is een proces dat iedereen op zijn eigen wijze doormaakt. In Roman zonder titel wordt beschreven hoe de een verbitterd raakt, de ander apathisch, en hoe een derde zijn verstand verliest. Bij de meesten, zegt Duong, gaat het geleidelijk, en bij iedereen doet het pijn. De momenten die voor haarzelf het pijnlijkst waren staan in haar geheugen gegrift. Ten eerste was dat het moment waarop ze zag dat de meeste krijgsgevangenen geen Amerikanen, maar Vietnamezen waren. Een volgende knauw kreeg haar overtuiging door het in hogere partijregionen tentoongespreide cynisme; een weerslag van deze ervaring vormt de romanscène waar Quân in een armzalige trein twee weldoorvoede partijfunctionarissen een lang gesprek hoort voeren. En een derde belangrijke desillusie, herinnert Duong zich, vormde de onverschilligheid van de overheid tegenover de soldaten die na de oorlog naar huis terugkeerden. Bij alle pijn beschouwt Duong zichzelf als een gezegend mens: “Met de kracht waarmee ik vroeger geloofde in de idealen, kan ik nu vechten tegen de leugen.”

Het ontstaan van die leugen, meent Duong, is een complexe zaak. In het traditionele, feodale Vietnam was het maatschappelijk bestel, evenals het dagelijks leef- en denkpatroon van de bevolking georiënteerd op het confucianisme. Volgens deze leer bestaat het individu in en voor de gemeenschap. In een strenge ethische code zijn ieders verplichtingen tegenover familie en staat vastgelegd; geïnstitutionaliseerde vormen van kritiek en zelfkritiek garanderen de naleving van die code. Strenge hiërarchie en ontkenning van individuele vrijheid vormen een goede voedingsbodem voor verstarring, corruptie en machtsmisbruik, die dan ook op grote schaal heersten. Maar het confucianisme had ook een positieve kant: de uiterlijke hiërarchische verhoudingen moesten berusten op innerlijke deugden, zoals oprechtheid, altruïsme en trouw. Zo bood het traditionele Vietnam zijn burgers bij alle onvrijheid toch de gelegenheid tot een menswaardig leven.

Officieel kwam er aan deze traditionele maatschappijvorm een einde toen na Ho Chi Minh's augustusrevolutie van1945 de Democratische Republiek Vietnam werd uitgeroepen. De confucianistische morele waarden leefden echter nog enige tijd voort, tot 1950, volgens Duong 'het fatale jaar voor Vietnam'. In dat jaar werden de Franse troepen aan de Chinese grens verslagen, waardoor Vietnam in contact kon komen met het Chinese communisme. “De overgang van confucianisme naar communisme lijkt aan de buitenkant nagenoeg naadloos,” zegt Duong. Beide theorieën over maatschappij-inrichting maken het individu ondergeschikt aan de gemeenschap. Grootschalig politiek onderricht neemt de plaats in van de confucianistische gedragscode. Maar de in het confucianisme ingebouwde sociale controle gaat over in een uitgebreid systeem van onderlinge denunciatie. En de bij het systeem horende kritiek en zelfkritiek verworden tot censuur en zelfcensuur.

Jaloezie

Het grote verschil zit echter onder de oppervlakte, legt Duong uit. Om het gestelde doel van individuele onderwerping te bereiken bezong het confucianisme cardinale deugden als gehoorzaamheid aan de ouders en loyaliteit aan de koning. Het creëerde een 'poëzie van de deugd'; aan de naleving van ethische waarden werd een esthetisch genoegen gekoppeld. Het communisme bezingt ook ethische deugden, maar het appelleert daarbij aan materiële instincten. Ethisch leven wordt in natura beloond. Onder het mom van vaderlandsliefde kon men bijvoorbeeld zijn buurman aangeven en diens woning in bezit nemen.

Een ander voorbeeld is het distributiesysteem voor consumptiegoederen, dat tot 1975 gold. Een gewone ambtenaar had recht op een pond vlees per maand, een gespecialiseerde op een kilo. Een student kreeg honderd gram. Het verlangen om het land te dienen en loyaal te zijn is onder het communisme puur materialistisch gemotiveerd. “Door sluw in te spelen op elementaire driften heeft het communisme haat en jaloezie gezaaid. Het heeft de menselijke waardigheid vernietigd.”

Eenzelfde gedeeltelijke eensgezindheid vertonen confucianisme en communisme in hun visie op literatuur. Zowel Confucius als Marx vond dat literatuur moest bijdragen aan de opbouw van de ideale maatschappij. Daarbij is literatuur altijd gebruikt als wapen tegen vreemde - Chinese, Franse, Amerikaanse - overheersers. In het moderne, door voortdurende oorlog geteisterde Vietnam, hebben esthetische overwegingen het helemaal moeten afleggen tegen propagandistische. “De schrijver is bij ons dienstplichtig. Of hij die dienstplicht nu met plezier vervult of tegen zijn zin, hij schrijft met de intentie van een functionaris.”

Dat oppositieliteratuur evenzeer het gevaar loopt een politiek instrument te worden, realiseert Duong zich. Maar, zegt ze, goede literatuur en een boodschap sluiten elkaar niet uit. Sterker nog: “literatuur zonder enige boodschap kan niet bestaan.” Het is niet de boodschap die de literatuur om zeep helpt, maar de innerlijke onvrijheid van de schrijver. Angst heeft de schrijvers in Vietnam hun eigen stem ontnomen. Vandaar dat de officiële literatuur er onleesbaar is.

Veerkracht

Bestaat er nog wel cultuur in een land waar literatuur, kunst en filosofie zo beknot worden? Is dit alles niet rampzalig voor een hoofdzakelijk agrarische samenleving waarin toch al zo weinig gelezen wordt? Hiermee zijn we bij Duongs stokpaardje beland. Haar liefde en bewondering voor het Vietnamese platteland bleken al in Blind paradijs. Zij was op haar best wanneer ze de rituelen, kleuren en geuren van het Vietnamese dorp beschreef. Met de figuur van één pezige, getaande plattelandsvrouw gaf zij gestalte aan de wilskracht die het op een waardige manier tegen de overheid kon opnemen. Ook in Roman zonder titel levert het platteland - naast alle benepenheid die er natuurlijk ook heerst - enkele krachtige, vrije geesten op.

“Ik heb een diep vertrouwen in het Vietnamese platteland,” zegt Duong. “Het heeft in de geschiedenis ongehoord geleden. Het is van alle kanten vertrapt en uitgeperst, maar heeft een onwaarschijnlijke veerkracht behouden.” Het is de bakermat van de rijke volkscultuur die zich van oudsher verzet tegen de officiële cultuur - die van het hof vóór de omwenteling, die van het communistische regime daarná. Het is het huidige atheïstische regime bijvoorbeeld nooit gelukt een einde te maken aan de traditie van voorouderverering; op het platteland is die cultus, die Duong in haar romans herhaaldelijk beschrijft, nog even levend als altijd. Ook in de steden wint hij weer terrein.

Het is de enige vorm van 'religie' die Duong zelf praktizeert. “Het ergste van ieder totalitair regime is dat het het individu zijn verantwoordelijkheid ontneemt. De cultus van de voorouders geeft de mens nu juist dat verantwoordelijkheidsgevoel terug. De mens wordt aansprakelijk gesteld voor zijn eigen traditie, zowel in het verleden als in de toekomst. Wie zijn voorouders vereert, moet hen waardig zien te worden. En enkel door een moreel hoogstaand leven ben je het waard later zelf vereerd te worden.”

Verder heeft het platteland een mondelinge literatuur die de officiële, geschreven literatuur in diversiteit en ideeën ver overtreft. Liederen, fabels, legenden, sprookjes - de folklore biedt eindeloze mogelijkheden om wensen, angsten en wijsheden kenbaar te maken. Er bestaan alleen al duizenden moppen waarin de waarden van het communistische regime bespot worden, lacht Duong. Een voorbeeld komt er klaterend achteraan: 'In het bouwplan voor een gemeenschappelijke woning van vijf verdiepingen ontbreekt het toilet. Men vraagt de architect om uitleg. Waarvoor zou onze gemeenschap een toilet nodig hebben, zegt hij. De eerste verdieping is voor de kinderen - die kunnen de pot op. De tweede verdieping is voor studenten - die hebben van de honger geen ontlasting. Op de derde verdieping wonen de ambtenaren - die schijten op hun werk. Op de vierde wonen de schrijvers - die schijten op elkaar. Op de bovenste verdieping wonen de machthebbers - die schijten op het volk.''