Liever vermaand dan vervloekt; De vriendelijke strengheid van het genie Jac. P. Thijsse

Jac. P. Thijsse, de bioloog die de Verkade-albums schreef, was streng, maar niet zo streng als God, de schrijver van de Bijbel. Vijftig jaar geleden overleed hij en dit jaar is het Thijsse-jaar. “Thijsse is de leermeester, die je bijna persoonlijk in het soppende veenmos ter neder wil drukken om planten te tekenen en te ontrafelen.”

Deze tekst sprak Jan Wolkers op vrijdag 26 mei uit op een symposium over Thijsse in Den Burg. Een expostie over Thijsse is t/m 1 sept. te zien in Ecomare, Ruyslaan 92, De Koog, Texel. Dag. 9-17u.

In mijn prille jeugd waren er maar twee schrijvers. God, die de Bijbel had geschreven, en Jac. P. Thijsse, die de Albums van Verkade geschreven had. De eerste schrijver wist in een mum van tijd met gruwelijke verhalen over Sodomieten, Hethieten en Kanaänieten je zilverfrisse jongensziel in de walm van Gomorra te roken tot de rimpelige bokking der erfzonde, en als je maar even een appeltje voor de dorst aansprak liet hij je zonder pardon door een paar als engelen verklede boswachters uit de Hof van Eden verwijderen. De andere schrijver, Jac. P. Thijsse, was ook wel streng maar toch een stuk soepeler. Hij gaf je in ieder geval de ruimte om op je zondige schreden terug te keren zoals blijkt uit een verslag in een van zijn eerste boekjes, In De Duinen, over een uit een buitenplaats bij Bloemendaal door een wandelaar ontvreemde zeldzame bonte varen. Hij oreert niet vreeswekkend tegen degene die dat gedaan heeft dat als het een vrouwspersoon is zij met smart haar kinderen zal baren, noch als het een manspersoon mocht zijn geweest hij in het zweet zijns aanschijns zijn brood zal eten. Niets van dat alles. Hij schrijft vaderlijk, 'Weet ge wat nu uw plicht is? Schrijf een excuus en, hebt ge wellicht de bonte varen levend in een pot of in een tuintje overgebracht, zend ze dan terug aan Mevrouw...; ge weet de naam wel.' Ik weet wel dat er orthodoxe stemmen zullen opgaan die venijnig zullen opmerken dat deze zachte heelmeester het dan ook niet verder heeft gebracht dan een Hof van luttele hectaren groot, maar voor mij als jongen waren zijn onderwijzende woorden een bevrijding. Je wordt als kind liever vermaand dan vervloekt.

Toch bezorgden beide schrijvers mij een pijn in de maag. Van de een kreeg ik de trilzenuwen boven mijn navel door de bloedstollende verhalen over het bokje dat niet gekookt mag worden in de melk zijner moeder en de rücksichtlose stenigingen van wederspannige zonen met als couleur locale de dorre woestijn, ver van teer guichelheil en grote ratelaar, van de ander kreeg ik letterlijk pijn in mijn maag. Mijn vader had in zijn winkel een groot okerkleurig beschuitblik waar ik, toen ik een jaar of negen was, maar net met mijn neus bovenuit stak. Het was zo overdreven groot dat je er een nijlpaard in had kunnen begraven en er konden honderden rollen beschuit in. Als de vrachtauto van De Ruijter uit Zaandam was geweest, was hij nog maar voor een kwart gevuld. Zodra er nieuwe voorraad was afgeleverd en de argusogen van mijn vader zaten achter slot en grendel tijdens zijn middagdutje, sloop ik de winkel in en deed het deksel van het blik zo voorzichtig mogelijk open. Daarna wurmde ik mezelf op de rand, kwam spartelend als een droogzwemmer in evenwicht en greep de zijrand vast. Zover mogelijk boog ik dan de diepte in en wroette met mijn uitgestrekte hand door de rollen om de plaatjes te bekijken die vaag, maar voor een bezetene scherp genoeg, door de verpakking heen zichtbaar waren. Zenegroen met Rouwbij, Ridderspoor met Hommel, Prachtbok op Lijsterbes. Want het was het jaar van het album De Bloemen en Haar Vrienden. Soms verloor ik bijna mijn evenwicht zodat mijn speurtocht naar de in de brosse rollen beschuit verborgen schatten der natuur bijkans in een wolk van paneermeel eindigde. Als ik iedere rol bekeken had of er plaatjes bij waren die ik nog niet had, voelde ik pas dat de scherpe zinken rand van het blik als een lemmet in mijn buik gekerfd zat. Op een keer zag ik zo'n onwaarschijnlijk mooie vlinder achter de matte sluier van de verpakking dat ik hem moest hebben. Omdat mijn moeder voorlopig geen beschuit nodig had, stak ik de rol onder mijn trui en liep het huis uit. In het plantsoen aan de rand van de vijver frisbeede ik de beschuiten één voor één over het water naar de eenden en kwam terug met de koninginnepage die ik een dag in mijn broekzak vertroetelde voordat ik het plaatje in het album plakte.

Determineerlust

Toen ik oud genoeg was om in Amsterdam bij mijn opa en oma van moederszijde te gaan logeren, ontdekte ik dat Thijsse wel wat meer geschreven had dan de Albums van Verkade. Ik kreeg er het kamertje toebedeeld dat vroeger van de jongste broers van mijn moeder was geweest, die indertijd door hun fanatieke determineerlust 'de plantenjongens' werden genoemd en van wie één inderdaad biologie is gaan studeren en het gebracht heeft tot de eerste leermeester van de onvergetelijke Dick Hillenius. In dat kamertje op de Overtoom hingen hun botaniseertrommels nog aan de muur alsof ze er naar smachtten om bengelend om een jongensnek weer meegenomen te worden naar de rietlanden om Amsterdam. Donkergroene langwerpige bussen, waar je geen beschuit in zou kunnen doen want ze waren ovaal van vorm. Wel was er aan een van de uiteinden met een dekseltje aan de kopse kant een ruimte om proviand in mee te nemen, want de buitenlucht maakt hongerig. Ik meende dat het er nog steeds naar boterhammen met tongeworst rook, zoals het plantengedeelte een dompige moerasgeur bewaarde. Op de boekenplanken boven mijn logeerbed stonden ze dan. Naast Karel ende Elegast. De roodgerugde boekjes die Thijsse samen met Heimans geschreven had, met vrolijke kaften alsof alles wat erin beschreven werd je spartelend en fladderend naar binnen wilde lokken om te gaan lezen. In elkaar gekronkelde slangen, bloeiende lissen met sprankelend honingmerk, lome salamanders, decoratief naar elkaar zwevende libellen, puttertjes met een distel tussen zich in als voederkom.

Van Vlinders, Vogels en Bloemen. In het Bosch. Door het Rietland. Hei en Dennen. In Sloot en Plas. En natuurlijk Het Vogeljaar en gebonden jaargangen van De Levende Natuur, waar Thijsse een van de oprichters van was. En nog een twaalftal Albums van Verkade, waar ik geen weet van had, waarvan de meeste voor de Eerste Wereldoorlog verschenen waren. Lente, Zomer, Herfst en Winter. De Bonte Wei, Blonde Duinen Texel en nog zoveel meer. Ik kwam het logeerkamertje niet uit. Ik lag de hele dag op bed als in een grazige weide, tussen de boeken en albums, te bladeren en te lezen. Terwijl de buitenwereld op kookpunt raakte, over de radio de hysterische falsetstem van een doortrapte rancuneuze kleinburger opriep tot haat en vernietiging, het versplinterende glas van de Kristalnacht als muziek klonk in de oren van de barbaren, de rijen werklozen die op een schamele uitkering aangewezen waren zo lang en breed werden dat als de stempellokalen in de bonte wei of de blonde duinen hadden gestaan de zeldzame gewasjes tot aan de laatste parnassia verplet zouden zijn geworden, lag ik daar in een overdaad van watergentianen, zilverschoon, levendbarende hagedissen, koningsmantels, die albumplaatjesgewijs aan mijn aandachtig oog voorbijtrokken op het rustige ritme van de liefdevolle stem van Jac. P. Thijsse. 'Sta nog even stil, ik hoor wat: een slierend trillend geluid, vogeltjes die elkaar roepen, ze zullen ook wel in de elzen komen. Daar zijn ze al, ze hebben witte wangen, hun lichaam is zwart met wat rose en het meest valt in 't oog de lange staart, die wel langer is dan de rest van het lichaam. Dit zijn de staartmeesjes. Als pijltjes schieten ze door de lucht en als ze om de takken draaien, dan beschrijft hun lange staart een kring van belang.'

Als ik nu aan die vakanties in Amsterdam terugdenk, aan dat veilige kamertje op de Overtoom in het licht dat groen gezeefd door het loof van een bomenrijke achtertuin naar binnen kwam, heb ik het gevoel dat de wanden opgetrokken waren uit de omslagen en de plaatjes van de Albums van Verkade. En nu weet ik het ineens, ik ruik het. Ik snuif het op door een waterval van beelden uit mijn kindertijd. De geur van beschuit, bedwelmend zoetig als van een verwelkt boeket. Het is het grote blik uit onze winkel waarin ik veilig ben voor de onbegrijpelijke wereld van de volwassenen met hun zielloze verrichtingen. Een broos paradijs van blik. Als een kaartenhuis stortte het in op de ochtend van de tiende mei 1940, toen ik bij het pathologisch laboratorium van het Academisch Ziekenhuis in Leiden kwam om een door één van de doktoren aan mij beloofde witte rat op te halen, en er tientallen gesneuvelde soldaten, de meesten gruwelijk verminkt, naar binnen zag brengen. De bonte wei was voorgoed besmeurd met bloed.

Ommentomme

Jac. P. Thijsse schreef net zulk eenvoudig Nederlands als zijn bijna naamgenoot Theo Thijssen, maar ik weet maar één schrijver in ons taalgebied die zo zuiver de natuur beleefde als hij, de Vlaamse dichter Guido Gezelle. En dan hoef je niet meteen te denken aan alom bekende gedichten als Gierzwaluwen, Ego Flos, of dat krinklende winklende waterding, Het Schrijverke of O 't ruischen van het ranke riet, waarin de dichter in het laatste couplet zelfs zijn soutane verwisseld schijnt te hebben voor het zwarte boetekleed der Fijnen en ronduit een Gekrookte Rieter wordt. Maar meer aan al die fonkelende stukjes natuur die hij verwoordde als hij van zijn brevier opkeek, wat hij gode zij dank maar al te vaak deed. De wintermuggen zijn / aan 't dansen, ommentomme, / zoo wit als muldersmeel, / zoo wit als molkenblomme. (Je moet dan natuurlijk wel weten dat 'wintermuggen' sneeuwvlokken zijn en dat 'molkenblomme' niet anders dan stremselvlokken kunnen wezen - door ons algemeen beschaafd Nederlands zijn we zoveel lieflijks kwijtgeraakt - maar ook bij Thijsse moet je weten wat 'doetebollen' en 'dubbele dullen' zijn en hoe het met de honigputten zit.) De boomen strooien weêr den weg / met wakke winterblâren, / die, vol gevangen morgendauw, / te gronde nedervaren. 't Is lentegroen genoeg, / voor honderdduizend oogen: / eilaas, 'k en hebbe er ik, / o grondig groene zee, / maar twee.

Als je bij Gezelle doorleest, kom je altijd de vrome priester tegen die je tot knielend bidden wil bewegen tussen al dat schoon geschapene. Vaartwel, o zonne!... Hij is groot, / diens hand u in den hemel schoot. Bij Thijsse is het de leermeester, de didacticus die je bijna persoonlijk in het soppende veenmos ter neder wil drukken om planten te tekenen en te ontrafelen. 'Gij moet stellig ook eens de bladstelen en bloeistengels van het pijlkruid dwars doorsnijden. Niet alleen om het witte melksap, dat dan te voorschijn komt, maar vooral om de wonderschone figuurtjes, gevormd door al de wanden der kamertjes, waarin het holle binnenste verdeeld is.'

'Misschien zijn de dames het ook wel met mij eens, dat het in plaats van eieren of nestjes te verzamelen, veel beter is ze te schetsen of, zoo ge een camera rijk zijt, ze te photograferen. Daar berokkent ge den vogeltjes heel weinig leed mee: het kost u zelf evenveel moeite en inspanning en kleerscheuren, om uw doel te bereiken, en ge krijgt een verzameling, waar ge thuis veel meer mee kunt uitrichten. Wat een aardige groepjes kunt ge van uw beste schetsen aan de wand maken!'

Wat een lieve man, die Thijsse. Ik moet echter bekennen dat ik als jongen menig broedwarm eitje uit een vogelnest voor mijn verzameling ontvreemd heb. Maar ook daar had hij begrip voor. Hij kende de jongensnatuur door en door omdat hij zelf zo'n jongen was geweest.

'Of wilt ge dan absoluut 'verzamelen', welnu - ik vind een eierverzameling ook veel beter en nuttiger dan een postzegelalbum - mits ge er geen enkel ei in opneemt, dat ge niet zelf uit het nest genomen hebt, en dat wel terwijl de oude vogels het niet zagen, en niet meer dan één.'

Thijsse is niet zo maar uit de lucht komen vallen, alhoewel hij daar met zijn voorliefde voor vogels en vlinders allerminst bezwaar tegen zou hebben gehad. Nederlanders hebben altijd al oog gehad voor de kleine wereld aan hun voeten, kijk maar naar de stoffering van de voorgrond van de landschappen van onze schilders en naar de stillevens waar al gauw een rupsje alpinistische toeren uithaalt langs de donzige wand van een perzik of een aasvlieg zich in de buurt van kruimig geschilderd brood ophoudt. Nergens ter wereld is met zoveel intensiteit een nietige waterdruppel bestudeerd als hier, ik vermoed dat daarom ons oppervlaktewater tot op de dag van vandaag zo subliem is.

In de zeventiende eeuw was er Swammerdam, die de burgers van Amsterdam onderwees aan de hand van zijn verzameling naturaliën en wiens roem zelfs doorgedrongen is, na bijna twee eeuwen, tot in de verhalen van Edgar Allan Poe. Maar een directe voorloper van Thijsse was Dr. T.C. Winkler, die in 1880 het Handboek voor den Verzamelaar schreef. Daarin bladerend sta je versteld van wat je toen nog allemaal verzamelen kon en mocht. Naast de titelpagina bevindt zich een pentekening van een Prikkebeenachtig heerschap, dat inderdaad zijn pet gedecoreerd heeft met opgeprikte vlinders, met een open botaniseertrommel bengelend voor zijn buik waarin hij bezig is zoveel wilde planten te stouwen dat menige Hortus Botanicus er vandaag de dag door uit zijn voegen zou barsten. Iemand die heden ten dage zo'n boek zou laten verschijnen zou beslist hetzelfde lot ondergaan als de schrijver van de Satans Verzen. En ditmaal terecht. Het is wonderbaarlijk dat zo'n vreedzaam figuurtje uit die illustratie die wat vlinders veretert en wat planten bij elkaar gaart binnen een eeuw voor ons bijna de uitstraling heeft gekregen van een kampbeul. We waren toen wel met acht miljoen Nederlanders minder, er was dus wel wat meer ruimte en vrijheid. We hebben ons voortgeplant bij de konijnen af en die vreten heel wat groen weg.

Was Thijsse een genie? Natuurlijk was hij een genie. Maar je moet dan niet denken aan een genie zoals men daar tegenwoordig over denkt. Een extreme persoonlijkheid die om de haverklap lichaamsdelen afsnijdt, zijn modellen zich in de verf laat wentelen om ze als penseel te gebruiken, zijn ontlasting bij de conservenfabriek laat inblikken, en met een etiket 'Merde d'artiste' erop in het museum tentoonstelt of zijn etensresten op het linnen gesmeerd aan de vergetelheid ontrukt. Allemaal heel geniaal natuurlijk, maar Thijsse was meer van het type Johann Sebastian Bach, die uit de baaierd van zijn gezin met twintig kinderen iedere zondag op het orgel van de kerk te Leipzig een sprankelnieuwe cantate ten gehore bracht; zo bracht Thijsse voor de stoet meisjes van Het Kopje waar hij leraar was de natuur tot leven, waarvan de neerslag in zijn vele geschriften onvergankelijk blijkt. Als je Thijsse wilt citeren is het eind ervan zoek. Het gaat maar door, als een hoorn van overvloed waaruit hij de hele flora en fauna van ons land over je uit stort in woorden en beelden die je voorgoed bijblijven.