Ingebouwde vergeefsheid; Magistraal boek van Georges Perec over almacht, onvermogen en vergetelheid

Georges Perec: Het leven, een gebruiksaanwijzing (La vie mode d'emploi). Vert. Edu Borger. Uitg. De Arbeiderspers, 524 blz. Prijs ƒ 89,-

Eens in de zoveel jaar verschijnt er een boek dat enig in zijn soort is en dat, als je er eenmaal in bent geslaagd het in je geheugen te prenten, daar niet gauw meer uit verdwijnt. Zoals Ulysses van Joyce en Doktor Faustus van Thomas Mann. Een dergelijk boek is ook La vie mode d'emploi van de in 1982 overleden Georges Perec, een roman die in 1978 in Frankrijk verscheen en nu in een mooie vertaling van Edu Borger ook voor een breder Nederlands publiek toegankelijk is.

'Geef je ogen de kost, kijk', zo luidt het motto dat Perec aan zijn roman meegaf. Het is een citaat uit een roman van Jules Verne, Michael Strogoff, de koerier van de tsaar en zoals de meeste citaten bij Perec heeft deze verwijzing een dubbele bodem. Het bevel 'Geef je ogen de kost' wordt immers aan Strogoff gegeven op het moment dat de Tataren hem ontmaskerd hebben als spion van de tsaar en hem met de witgloeiende kling van een sabel het hoornvlies verschroeien om hem aldus het gezichtsvermogen te ontnemen. Wie Perecs boek met dit motto in het achterhoofd begint te lezen, zal dan ook niet erg verbaasd zijn als hij merkt dat hij, hoe hij zich ook inspant, ogen te kort komt. La vie mode d'emploi bevat de gedetailleerde boedelbeschrijving van een negentiende-eeuws Parijs appartementengebouw, dat is gesitueerd in de (denkbeeldige) Rue Simon Crubellier, no 11, in het zeventiende arrondissement en dat in totaal tien etages telt. Perec beschrijft 99 van de 100 ruimtes die aan de voorkant van het pand liggen. De volgorde waarin hij de vertrekken beschrijft, liet hij bepalen door de oplossing van een bekend schaakprobleem, de inhoud van de ruimtes door een wiskundig model dat de verdeling van een van te voren vastgesteld aantal elementen over de 99 hoofdstukken regelde. De beschrijving van de vertrekken vormt het uitgangspunt voor een enorme overvloed aan mozaïeksgewijs vertelde verhalen over de voormalige en huidige bewoners van het pand en over de door hen in de loop van de tijd verzamelde voorwerpen.

Catastrofe

Lange tijd is de naam van Perec vooral geassocieerd geweest met de Oulipo, een groep van schrijvers die literaire structuren ontwikkelden op basis van de contrainte, de vrijwillig gekozen vormbeperking. De duidelijkste illustratie van de toepassing van een dergelijke contrainte is Perecs roman La disparition (1969), een roman van ruim 300 bladzijden waarin de letter e ontbreekt. Met de verschijning van Perecs autobiografie W ou le souvenir d'enfance (1975) werd echter duidelijk dat achter Perecs spel met taal en vorm nog andere preoccupaties schuilgingen. Perec werd in 1936 in Parijs geboren als kind van Pools-joodse ouders die beiden tijdens de oorlog zouden omkomen. In W probeert Perec te beschrijven wat het betekent als de deur van het verleden zo definitief in het slot is gevallen. De autobiografische verteller van W treedt op als getuige van een catastrofe die hij niet met eigen ogen heeft gezien maar die een onuitwisbaar stempel op zijn leven heeft gedrukt. Zijn geheugen wortelt in een leegte die wel gemaskeerd maar nooit echt kan worden opgevuld. Waar de herinnering tekort schiet, wordt de verbeelding en de vorm aangesproken, maar alles wat daaruit voortkomt, verwijst, zonder enig pathos maar onherroepelijk, naar een voorgoed uitgewiste werkelijkheid, naar de vergeefsheid van levens die door een wrede speling van het lot voortijdig zijn afgebroken.

Als je met behulp van het namenregister van La vie mode d'emploi de verhalen van de verschillende personages reconstrueert, zie je dat deze eigenlijk allemaal een soortgelijk patroon vertonen. Het pand aan de Rue Simon Crubellier wordt bevolkt door vele oude mensen die, als ze op hun leven terugblikken, zich realiseren dat hun voorbije inspanningen vergeefse moeite zijn geweest. Wat ze zagen als hun levensvervulling en waar ze al hun energie en passie in hebben gestoken, is mislukt, bleek futiel - ofwel omdat het lot in de gedaante van oorlog, ziekte en dood een spaak in het wiel stak, ofwel omdat ze al hun kaarten hebben ingezet op iets dat van meet af aan niet te verwezenlijken was.

Steriel plan

Het indringendst komt deze problematiek tot uitdrukking in het artistieke echec van de drie sleutelfiguren van de roman: de kunstschilder Valène vanuit wiens perspectief het verhaal verteld wordt, de Engelse miljardair Bartlebooth en de kunstzinnige ambachtsman Gaspard Winckler. Valène is bezig een schilderij te maken van het pand en denkt na over wat hij daar allemaal op zou moeten afbeelden. De complexiteit van de werkelijkheid gaat zijn artistieke kunnen echter te boven: in de epiloog treffen wij hem dood aan op zijn bed in het dienstbodenkamertje waar hij vanaf 1919 heeft gewoond met naast zich een nog bijna maagdelijk schildersdoek.

Ook Bartlebooth probeert, hoewel hij totaal verstoken is van talent, door middel van de schilderskunst greep op de werkelijkheid te krijgen. Hij volgt daarbij de redenering dat wie niet achteraf wil worden gedwongen te constateren dat zijn inspanningen tevergeefs zijn geweest, dan maar het beste die vergeefsheid in zijn bezigheden kan inbouwen. Daarom besluit hij op een dag zijn hele leven te organiseren rond één enkel plan, het schilderen van 500 havengezichten. Hij neemt daartoe eerst tien jaar les in het aquarelleren bij Valène, reist vervolgens twintig jaar lang de wereld af en schildert en verstuurt elke twee weken een aquarel van een zeehaven naar Winckler. Deze plakt de afbeeldingen op een houten bord, verzaagt ze vervolgens tot puzzels van elk 750 stukjes en bergt ze op in zwarte kartonnen dozen. In 1955 keert Bartlebooth voorgoed naar de Rue Simon Crubellier terug en begint hij de puzzels die Winckler voor hem gemaakt heeft, te leggen, met een gemiddelde van één puzzel per 14 dagen. Tot slot van deze onderneming laat hij de aquarellen van hun ondergrond losweken en in hun oorspronkelijke staat herstellen om ze daarna uit te wissen op de plaats waar hij ze in het verleden geschilderd had. Het eindpunt van deze onderneming, een maagdelijk vel papier, zou samenvallen met het beginpunt. Bartlebooth gaat hiermee opzettelijk voorbij aan de essentie van de kunst die er toch op is gericht over de vergankelijkheid te zegevieren.

Bij de verwezenlijking van zijn steriele plan vindt Bartlebooth in Winckler echter een geduchte tegenstander. Winckler wreekt zich voor de twintig lange jaren dat de miljardair op zijn scheppende vermogens heeft geparasiteerd en torpedeert Bartlebooths tijdschema door de puzzels steeds moeilijker te maken. Nagenoeg blind wordt Bartlebooth door de dood verrast, als hij bezig is op de tast zijn 439ste puzzel te maken. De al twee jaar eerder overleden Winckler triomfeert postuum: de 61 nog ongelegde puzzels zijn de stille getuigen van zijn creatieve vernuft, al heeft hij dat ook gespendeerd aan een zaak die die moeite niet waard was.

La vie mode d'emploi is een magistraal boek over steriele almachtsverlangens en artistiek onvermogen, over vergeefsheid en vergetelheid. De geschiedenis van Bartlebooth en Winckler is slechts een van de 179 verhalen die La vie mode d'emploi rijk is. Behalve al die verhalen bevat de roman ook een hommage aan de schrijvers die Perec bewonderde en een minutieuze, weemoedig stemmende beschrijving van het dagelijks leven van de doorsnee Parijzenaar in een tijdperk dat definitief voorbij is. Alle draden van Perecs eerdere werk komen er bijeen - zijn reflectie op het kunstenaarschap, zijn belangstelling voor het doodgewone, zijn virtuoze spel met taal en vorm, zijn inventieve gebruik van citaten en de altijd met grote terughoudendheid geformuleerde verwijzingen naar de geschiedenis van zijn eigen leven. De gedachte tenslotte dat je bij het ontrafelen van deze roman in veel van je associaties en interpretaties op een plagerige kameraadschappelijke manier wordt gemanipuleerd door de schrijver, maakt dat deze je na verloop van tijd merkwaardig na komt te staan.