Ik ben een aarts-escapist; Schrijfster en historica Helene Nolthenius over eenlingen, Sint Franciscus en het katholicisme

Muziekhistorica Helene Nolthenius is vooral bekend geworden door haar historische romans en beschouwingen over middeleeuws Italië. Toen ze dertien was, ontdekte ze de 13de-eeuwse bedelmonnik Franciscus van Assisi. Het bracht haar ertoe zich tot het katholicisme te bekeren. Maar vlak na de oorlog zei ze de katholieke kerk met spijt weer vaarwel. “De sacramenten verloren hun waardigheid, het verstand kwam boven.”

Duecento. Zwerftocht door Italiës late middeleeuwen. (1995, oorspronkelijke druk 1951) 267 blz., prijs ƒ 59,- Een ladder op de aarde (roman). (1968/1991) 218 blz., ƒ 12,50 Muziek tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans. (1981) Prijs ƒ 52,50 De Steeneik. Verhalen. (1991) 157 blz., ƒ 12,50 Het Vliegend Haft. Verhalen. (1993) 148 blz., ƒ 27,50 Een man uit het dal van Spoleto. Fransiscus tussen zijn tijdgenoten. (1989) 360 blz., ƒ 59,-. De boeken van Helene Nolthenius verschijnen bij uitgeverij Querido.

Speels schrijft ze, en als een jonge geit zo springerig, van het heden naar het verleden, weer terug en weer heen. Ooggetuigenverslagen van honderden jaren geleden, historische feiten en persoonlijke beschouwingen: ze wisselt ze af, vloeiend en met een jaloersmakend gemak. Haalt ze het ene moment een dertiende-eeuwse kroniekschrijver aan die vertelt hoe Milanezen woedend voor de muren van Cremona staan te trompetteren en de inwoners uitschelden voor honden en kippen en god mag weten wat, het volgende ogenblik neemt ze je mee terug naar het hier en nu, naar haarzelf, Helene Nolthenius.

'Kijk daar,' zegt ze, 'zie je haar liggen, daar boven op de berg? Die kleine stad in haar grauwe wallen?' En je kijkt met haar mee, vanaf de bladzijde in je boek de Rijn af, de Alpen over, het met wijnranken begroeide Toscane en Umbrië in. Je ziet een stadje. Noem het hoe je wilt, zegt Nolthenius: Todi of Orvieto, Spello of Cortona. De naam maakt niet uit, 'want het stadje is overal dezelfde. Binnen haar ringmuur houdt ze de Middeleeuwen vast.'

Naar dat Umbrische stadje klauter je, vroeg in de morgen als er nog dauw op de prikstruiken ligt en de cicades nog maar zwak tsjirpen. Langs wijngaarden en hutten waar de uien te drogen hangen. En met het passeren van de stadspoort voert Nolhenius je de Middeleeuwen binnen. 'Een steil straatje op, een gangetje door en zeven hoeken om.' Katten en kinderen die uit donkere huizen gluren, smalle stegen door die het Paadje van het Arme Leven of de Straat der Gelukkigen heten en waar het naar ganzepoep en afval ruikt, een grot in, die een kerk blijkt te zijn waar een kunstenaar met meer godsvrucht dan talent Madonna's geschilderd heeft.

Wie echt wil weten hoe 'hels en heilig' de tijden zevenhonderd jaar geleden waren, moet bereid zijn op reis te gaan, z'n huid branden in de felle zon, de longen martelen door het hete stof, maar z'n ogen en verbeelding wijd openen voor de pracht van toen. De wetenschap soms laten voor wat zij is, schreef muziekwetenschapster Nolthenius in de proloog van Duecento. Een zwerftocht door Italiës late middeleeuwen, het boek waarmee zij in 1951 in één klap beroemd werd. Alleen zo, vindt ze ook nu nog, kun je als historicus het verleden leren kennen, en doordringen tot “de details die ertoe doen in het leven.” Wie daar niet toe bereid is, wordt nooit meer dan “een stenograaf, een dorre verzamelaar van historische feiten.”

Duecento was Nolthenius' debuut en een bewerking van haar proefschrift over middeleeuwse Franciscaanse lauden uit 1948. Ter gelegenheid van Nolthenius' vijfenzeventigste verjaardag in april dit jaar, verschijnt die oude bestseller nu in herdruk, gemoderniseerd (de aanspreekvorm 'gij' is geschrapt of in 'jij' veranderd) en rigoureus 'gekuist'. “De uitbundigste pagina's zijn er uitgehaald, waardoor het boek iets afstandelijker is geworden,” zegt Nolthenius. Maar ze houdt haar twijfels over deze heruitgave.

Al bij haar afscheid in 1976 als hoogleraar muziekgeschiedenis van de Oudheid en Middeleeuwen aan de Universiteit van Utrecht, zei ze Duecento 'niet meer te moeten'. “Het boek is veel te romantisch en de conclusies die ik toen zo vrolijk trok, zijn niet langer houdbaar.” Duecento, vindt ze nu, is het werk van een geestdriftig toerist, van een hartstochtelijke verliefde. En daar herkent ze zichzelf niet meer in. Zìj is veranderd en ook Italië. De witte ossen die op de akkers de ploegen trokken zijn verdwenen, de stadjes overspoeld met toeristen, het dal van Spoleto volgebouwd met industrie. Ze is minder onbekommerd dan toen. Haar felheid is door de jaren getemperd, haar lyrische volzinnen zijn in staccato veranderd. Ze is objectiever geworden.

Bezeten

Ze komt er rond voor uit. “Ik ben een aarts-escapist,” zegt ze met een stem die net zo helder is als haar ogen. “Daarom ben ik geschiedenis gaan doen. Over het heden wordt al genoeg geschreven.” Resoluut heeft ze me de werkkamer van haar flat in Amsterdam-Zuid binnengeleid, de deuren zijn gesloten, het zicht op de rest van het huis vergrendeld. Zo nu en dan roept ze haar man, als de telefoon gaat: “Neem jij aan? Ik ben niet te spreken!” In haar studeerkamer staat een spinet (“da's minder lawaai voor de buren”), er zijn boeken, hoog opgetast, maar geen computer. Dat weet ze zeker: “Dat is van na mijn tijd, daar begin ik maar niet meer aan.”

Hier in de flat ligt haar kaartsysteem. Het is haar basis, die ze koestert en waar ze op terugvalt, nog meer sinds ze vorig jaar een heup brak. “Bibliotheken en stadsarchieven, op de onmogelijkste plekken speuren naar bronnen? Dat is voorbij. Syrië, Jordanië? Ik zou er graag nog heen reizen, maar de bestrating is er primitief. Wie nog niet gevallen is, valt daar.”

Het valt Nolthenius zwaar om niet meer 'vijf dingen tegelijk te kunnen', zoals ze vroeger gewend was. Behalve de lange lijst boeken en artikelen die ze vanaf het begin van de jaren zestig publiceerde, was ze hoogleraar - van 1958 tot 1976 - en kreeg drie kinderen. “Ik heb altijd verschrikkelijk hard gewerkt,” geeft ze toe, 'misschien wel te hard'. De keerzijde is dat ze weinig sociale contacten heeft. “Ik zie haast geen mensen. Ik ben een eenling, altijd geweest. Luchtig converseren gaat me niet goed af.” Toch praat en lacht ze en deelt ze koekjes uit. “Ja, nu smoes ik wel an,” zegt ze. “Maar ik ben saai hoor. Het liefst zit ik achter de boeken.”

Nolthenius' bekendste studie over muziek is Muziek tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans (1982). Ze schreef gedichten, kinderboeken over Beethoven en Schubert, publiceerde over de geschiedenis van het Concertgebouw in Amsterdam, de liederen van joodse martelaren in Blois in de twaalfde eeuw, en de Nederlandse polyfonie aan het eind van de veertiende eeuw. Haar boeken over Middeleeuws Italië (Duecento en Renaissance in mei. Florentijns leven rond Francesco Landini) zijn kruisbestuivingen van literatuur en wetenschap. Voor haar biografie over Franciscus van Assisi (Een Man uit het dal van Spoleto. Franciscus tussen zijn tijdgenoten) werd ze in 1989 genomineerd voor de AKO-prijs. De jury bekroonde haar niet omdat ze het niet eens kon worden over de vraag of Een Man uit het dal van Spoleto nu bellettrie was of niet. In haar 'echte' romans en verhalenbundels bestaat daar geen twijfel over: de hoofdpersoon Lapo Mosca (Geen been om op te staan, Als de wolf de wolf vreet) is een morsige minderbroeder die in de veertiende eeuw misdaden oplost. In Een ladder op de aarde (1966) laat Nolthenius een voormalige non verliefd worden op een Machiavelliaans heerser in het veertiende-eeuwse Verona.

Foeteren

Vanwege haar historiserende aanpak ligt het voor de hand om Nolthenius' verhalen en romans te vergelijken met de boeken van de bekendste Nederlandse historisch romancier, Hella Haasse. Nolthenius is kordater. Al is de tijd nog zo oudbakken en zijn de kringen waarin de hoofdpersonen verkeren nog zo voornaam, Nolthenius vervalt niet in plechtstatigheid of archaïsche frasen. Geen blad neemt men voor de mond. Er wordt flink op los gefoeterd. Neem de adellijke Beatrice da Polenta, de geleerde vrouw die in Een ladder op de aarde door haar familie uit het klooster wordt gehaald en aan een Veronese bastaard wordt uitgehuwelijkt. De hofdames om zich heen, vindt ze 'kwekkerende meeuwen', 'wijven die ze graag voor de leeuwen zou gooien'; de huiskapelaan is 'een oude zeur' en aan 'de nonnen thuis is ook niets verloren'.

Ook de jonge classica Maja Terwey, in het verhaal 'De Dodenzetel', gaat zonder omhaal te werk. Als ze aan Italië denkt, veegt ze - hup - de eeuwen er gewoon van af. 'Oorlogsjaren, Mussolini, Garibaldi zijn verdwenen. Pausen, tirannen, huurlingen, heiligen: eruit. Keizers, consuls, legioenen; Grieken, Etrusken en al hun naamloze voorgangers: de zee in.'

Deze doortastendheid wordt onbekommerd afgewisseld met momenten van bespiegeling. En daar herinnert ze aan de Franse schrijfster Marguerite Yourcenar. Stoffige archieven in kloosters, steden en bibliotheken zijn bekend terrein. Theologische haarkloverij en Aristotelische logica: ze draait er haar hand niet voor om. Het resultaat is geestig en lichtvoetig.

Zo wordt in het verhaal 'De Abboleet' (in Het Vliegend Haft), dat zich afspeelt in een streng Zwabisch klooster aan het begin van de negende eeuw, gediscussieerd over de vraag of de paddestoelen die ineens uit het hoofd van de kloosterling Abbo zijn gaan groeien, nu wel of niet met de Vasten gegeten mogen worden. De zwammen worden eerst getest op de hond, die er een stuk slimmer van wordt. Dan toont men Abbo met paddestoelen aan de prior. 'Deze begon nieuwsgierig aan de uitwassen te snuffelen. 'Ruikt goed,' zei hij. 'Ben altijd gek geweest op paddestoelen'. (-) De prior plukte gulzig de (-) boleten en liet de kok roepen, met wie hij een gesprek over paddestoelenrecepten begon. Zo deed zich eindelijk en ongedwongen de gelegenheid voor de prior de vraag naar de hoedanigheid van de abboleet voor te leggen. (-) Plechtig verklaarde (de prior): 'In planten die groeien op een dierlijk organisme huizen twee naturen. Gebakken in reuzel zijn ze dierlijk, gebakken in boter zijn ze plantaardig.' Daarmee was het dilemma voor de kloosterlingen opgelost: in de karige wintermaanden werden de paddestoelen met vreugde van Abbo's hoofd geplukt, gebraden en gegeten.

Filmsterren

Nolthenius' boeken cirkelen rond breekpunten, steeds weer opnieuw: die tussen Middeleeuwen en Renaissance, oude en moderne tijd, kennis en stommiteit, geloof en ongeloof. Het zijn breekpunten die zich soms pijnlijk in haar eigen ziel hebben vastgebeten. Want ze is fanatiek en romantisch, al is dat laatste met het stijgen der jaren minder geworden. Wat ze liefheeft, laat ze alleen met grote moeite los. Het afscheid is nooit eenvoudig.

Wanneer ze in haar jeugd en vlak na de oorlog sympathie voor het communisme voelt, dan stemt ze niet alleen CPN omdat dat 'een antwoord is op deze bourgeois-maatschappij', maar leert ook Russisch en verdiept zich in de muziek van Moessorgski. Als kind verzamelt ze Italië, zoals andere meisjes filmsterren sparen. Ze knipt plaatjes uit kranten en tijdschriften en hangt die aan de binnenkant van haar klerenkast en boven haar bed. Mistige foto's van het Forum - 'een stel strepen in zwart-wit' - de thermen van Caracalla, het Colosseum, een uitzicht op Florence: ze droomt erbij weg. “Die plaatjes sterkten me in de dagelijkse strijd,” zegt ze.

In 1938 mag ze van haar ouders - haar vader was classicus - voor het eerst op reis naar Italië. Een cadeautje voor haar eindexamen. De extase die ze bij die eerste kennismaking voelde, heeft ze later omgewerkt tot het verhaal 'De Dodenzetel'. “Over mezelf spreek ik niet graag,” zegt ze. “Als ik het kan camoufleren, in de derde persoon kan zetten, is het makkelijker.” En daarom laat ze Maja Terwey zeggen: 'Italië daar ben je dan. Ik heb het gehaald. Ik móést het halen, want ik wou naar je toe. Je was mijn droom sinds mijn schooljaren. In de oorlog stond je voor al het levensgeluk dat we kwijt waren. Denken aan jou maakte overleven zinvol. Daarom stond er geschreven dat ik komen zou. Al had ik moeten fietsen - op massieve banden. Al had ik moeten lopen - op Amerikaanse legerschoenen. Al had ik de zon stil moeten zetten om aan een visum en deviezen te komen.'

Op haar dertiende leert ze via een boek van de Deen J⊘rgensen de bedelmonnik Franciscus van Assisi (ca. 1182-1226) kennen. 'Ciccu' zoals zijn tijdgenoten zeggen. En zo noemt zij hem ook liefkozend. “Dat boek trof me. Franciscus wordt erin beschreven als een charismatische figuur. Er worden ontzettend veel aardige dingen van hem verteld, over die vogelpreken, het lammetje dat altijd bij hem liep, het medelijden dat hij had, en de emotionaliteit. Franciscus was een gat in de markt in de dertiende eeuw. Hij was de eerste die met begrijpelijke beelden en in gewone taal voor het arme volk ging preken. Dat sprak me met hart en ziel aan.”

Het levensverhaal van Franciscus werd ook mòòi opgeschreven door die Deense schrijver, herinnert ze zich. Als ze het boek las, zag ze Franciscus en zijn vrienden tussen de guirlandes zitten op een warme zomeravond, wijn drinken, lachen, zingen en praten. “Hij knoopte mijn liefde voor Italië vast aan de liefde voor Franciscus.”

Wereldbol

In 1941 bekeert ze zich tot de katholieke kerk, ze laat zich dopen. “Iedereen denkt altijd dat je zoiets doet vanwege een vriend. Maar dat was helemaal niet zo. Ik kende geen sterveling die katholiek was. Ik was gewoon kapot van Franciscus,” zegt Nolthenius. “Ik was niet voor m'n lol een eenling. Eenzaamheid is voor de heremiet een uitverkiezing. Maar het is ook een vloek, en de meeste mensen kunnen er niet tegen. Ik weet nog hoe ik als kind op het hockeyveld met m'n stick stond te zwaaien en dacht: wat doe ik hier? Ik voelde me altijd ergens beklemd. Ik wilde ontzettend graag geloven en in de club van Franciscus zijn.”

Ze heeft zelfs overwogen om in het klooster te treden. Maar ze zegt dat als ze dat had gedaan, ze ook 'glorieus was afgevallen'. Want er kwam een keerpunt, een geloofscrisis, vlak na de oorlog, toen ze naar Spoleto reisde en 'probeerde te geloven'. Over die breuk die zorgde dat ze de katholieke kerk vaarwel zei en een 'katholieke non-croyant' werd, praat ze niet graag. “Dat gaat niemand wat aan.” In Duecento schrijft ze: 'Gelukkige tijden waarin een onontdekte wereldbol voldoende ruimte bood voor metafysische verblijfplaatsen.' “Ja,” zegt ze. “Ik bedoel gelukkig in die zin dat men zich niet het hoofd hoefde te breken over dat wat niet oplosbaar was. Waar wij nou zo mee zitten. Dat is onze grote moeilijkheid met de in wezen middeleeuwse leer van het katholicisme: het klopt niet meer. Aan alle kanten barsten de vondsten uit de voegen van het geloof. Dat die Middeleeuwers daarvoor bewaard bleven is een vorm van geluk.” Waar ze zelf niet voor zou kiezen, uiteindelijk. De sacramenten verloren hun geloofwaardigheid, 'het verstand kwam boven'.

Een van haar mooiste, maar bijna onopgemerkt gebleven verhalen, gaat over die afvalligheid van geloof. In 'Een brood van steen' beschrijft ze hoe de van huis uit ongelovige Thomas Lanting zich tot de katholieke kerk bekeert, zich tot priester laat wijden, maar daarna afvalt. 'Uit het geloof omhoog opklimmen', noemt ze dat. En dat gaat niet met blijdschap of opluchting, maar met veel pijn gepaard. 'Wie na een onderkoelde jeugd de warmte van Gods nabijheid heeft menen te voelen, vier of vijf jaar lang, kan geen zwaarder offer brengen dan het vrijwillig delen in de grote verlatenheid Gods,' laat Nolthenius Thomas zeggen. De eenzaamheid weegt zwaar, juist omdat je meer achterlaat dan een geloof in dogma's. “Je laat een culturele traditie achter, een mentaliteit die je nooit meer helemaal kwijt raakt. Je blijft een verdeeld mens. Het heimwee duurt.”