Holle frasen zeggen het meest; Umberto Eco over de zoektocht naar een ideale taal

Al eeuwen zoekt de mens naar de volmaakte taal, de taal die iedereen verstaat en begrijpt, en die de verdeelde mensheid nader tot elkaar brengt. Maar menselijke communicatie gedijt niet per se bij helderheid en begrijpelijkheid, zo wordt duidelijk uit het jongste wetenschappelijke boek van Umberto Eco.

Umberto Eco: Europa en de volmaakte taal ('La ricerca della lingua perfetta'). Vert. Yond Boeke en Patty Krone. Uitg. Agon, 368 blz. Prijs ƒ 49,90.

Volgens de Bijbel is de veelheid van menselijke talen een vloek. Met de catastrofe van de torenbouw van Babel kwam er verdeeldheid in de wereld en dat betekende onbegrip, ruzie en oorlog. De taalbarrière vormde het zichtbare teken van de menselijke onvolmaaktheid, en tegelijk een van de belangrijkste oorzaken daarvan. Zelfs God meende dat voor eendrachtige mensenkinderen niets onmogelijk was. Om hen nederig te houden verstrooide hij hen.

Ze hebben zich daarbij niet neergelegd. Al bijna tweeduizend jaar, schrijft Umberto Eco in zijn jongste boek Europa en de volmaakte taal, wordt er op dit continent gezocht naar middelen om die doem ongedaan te maken. Niet uit opstand tegen God, maar vaak tot meerdere glorie van hem. Als de volmaakte, voor iedereen verstaanbare taal eenmaal gevonden of teruggevonden zou zijn, meende de dertiende-eeuwse Mallorcaanse filosoof Ramón Llull, dan stond niets de bekering van de heidenen meer in de weg.

Eco beschrijft de wonderlijke geschiedenis van het zoeken naar een volmaakte taal uitvoerig, zonder de technische complicaties van sommige van de voorgestelde ontwerpen te schuwen. Wat te denken van de kunsttaal van de zeventiende-eeuwse Schotse onderwijzer George Dalgarno, waarin een kameel een nekbrafpfar heet (nek = viervoeter met gespleten hoef; braf = bultig; pfar = rug)? Of de calculus van zijn tijdgenoot Leibniz, die droomde van een 'alfabet van menselijke gedachten', zodanig dat 'men op grond van de analyse van de uit die letters gevormde woorden alle dingen kon ontdekken en beoordelen'?

Denken zou in Leibniz' ontwerp een soort algebra worden en meningsverschillen zouden niet meer noodlottig zijn. Strijdende partijen hoefden alleen maar pen en papier te nemen en tegen elkaar te zeggen: 'Laten we rekenen'. Ook Leibniz zag zijn calculus overigens nog als een instrument om de heidenen te overtuigen van de christelijke geloofswaarheden die - daaraan twijfelde hij niet - naadloos overeenstemden met de vérités de raison.

Net als de meeste denkers over een volmaakte taal ging Leibniz ervanuit dat deze taal een spiegel van de wereld moest zijn. De taal spreekt uit wat in de wereld het geval is, zal ook de jonge Wittgenstein nog beweren. Tot aan de achttiende eeuw zocht men die taal in het verleden. De paradijselijke spraak waarin God en Adam converseerden trof de dingen, zo veronderstelde men, in hun wezen. Had Adam niet alle dieren namen gegeven die - in de volmaakte tijd vóór de zondeval en vóór Babel - feilloos moesten overeenstemmen met wat ze aanduidden? Eeuwenlang gold het Hebreeuws als de taal die deze ideale oerspraak het dichtst benaderde.

Vanaf de Verlichting zocht men die taal in de toekomst. Ze moest niet worden hersteld in haar goddelijke oorsprong maar geconstrueerd als een artefact van het menselijk genie. Wat bleef was het ideaal van de volmaakte overeenstemming tussen taal en werkelijkheid. Lang bleef men die overeenstemming nog zoeken op het niveau van het (naam)woord, zoals bij Dalgarno, voordat men haar in de twintigste eeuw ging zoeken op het niveau van de volzin. De zin weerspiegelt de logische stand van zaken in de werkelijkheid, aldus Wittgenstein in zijn Tractatus.

Mooi weer vandaag

Pas na de Tweede Wereldoorlog ontdekte de filosofie dat taal niet alleen dient om iets te constateren. Vragen, betwijfelen, suggereren, aansporen en uitroepen zijn even zovele taalhandelingen die de wereld niet weerspiegelen, maar zelf een nieuwe realiteit voortbrengen of tot verder handelen uitnodigen. De laatste decennia heeft de taalkunde en -filosofie steeds meer oog gekregen voor de pragmatische en retorische aspecten van het spreken. Daarvoor hebben de theorieën van de ideale talen maar weinig oog gehad, schrijft Eco in het begin van zijn boek. Ze probeerden de pragmatiek en retoriek juist zoveel mogelijk te elimineren, omdat die onherroepelijk ten koste ging van de helderheid en eenduidigheid die een volmaakte taal zouden moeten kenmerken.

Eco ontvouwt in zijn boek een imposant panorama van de volmaakte talen die in de loop der geschiedenis zijn voorgesteld en uitgeprobeerd. Maar de vraag waarom die talen uiteindelijk mislukten of hoogstens op zeer beperkte gebieden toepassing vonden blijft bij hem onbeantwoord. Dat is geen historische, maar een filosofische kwestie, die buiten het bestek van zijn boek valt. Ze roept de veel bredere vraag op wat wij onder de werkelijkheid verstaan en welke rol de taal daarbinnen te spelen heeft.

Het is immers geen wonder dat het idee van een ideale, universele taal vandaag de dag voornamelijk toepassing vindt in de (natuur)wetenschap, waar eenduidigheid voorop staat en vrijwel alleen constaterende, referentiële zinnen worden gebruikt. Het zijn dan ook uitermate armelijke talen; het Engels zoals dat in wetenschappelijke artikelen gebezigd wordt doet daarvan al het nodige vermoeden. Ze dienen louter tot informatie-overdracht en lijken daarom ideale communicatiemiddelen, maar wie het menselijk taalgebruik naar hun model zou willen hervormen, zou al snel elke gewone communicatie hebben vernietigd.

Anders dan de voorvechters van een ideale taal altijd hebben gedacht, gedijt menselijke communicatie niet bij helderheid en begrijpelijkheid. Communicatie draait ook niet in de eerste plaats om datgene wat letterlijk gezegd wordt. Wie tegen zijn krantenverkoper 'Mooi weer vandaag' zegt, begint geen meteorologische discussie. Hij rekt alleen de tijd, omdat zijn langzaam gegroeide verstandhouding met de krantenman hem verbiedt het bij een vluchtige koop-transactie te laten. Hetzelfde doet de krantenman als hij zegt dat dat mooie weer wel niet lang zal duren. De inhoud van het gesprek is irrelevant; wat telt is dat er zinnen worden uitgewisseld, of het weer nu stralend is of niet.

In feite is het grootste deel van onze dagelijkse conversatie in meer of mindere mate van dit rituele type. Holle frasen en gespreksrituelen zijn geen ontaarding van de taal, maar de draaggolf van de informatie-uitwisseling. Dankzij hen bestaat er communicatie, waarin eventueel ruimte gemaakt kan worden voor een 'echte' mededeling - waarvan de dagelijkse conversatie alleen de vorm simuleert.

Plooibaar

Met dit spraak-ritueel, dat niet is wat het lijkt te zijn en niet betekent wat het zegt, heeft een 'ideale' taal weinig geduld. De grote zuivering die met haar wordt doorgevoerd elimineert alle overbodigheid en onoprechtheid. Want alleen oprechte, zuivere taal, zo meenden de voorvechters van dat ideaal, zou in de toekomst menselijke conflicten kunnen voorkomen.

Ook dat was een vergissing, die wortelde in een al te groot vertrouwen in de mensheid. Conflicten komen zelden voor uit misverstanden of onhelderheid, maar eerder uit kwade (of eventueel goede) wil, al dan niet gerechtvaardigde verlangens of botsende belangen. Zelfs de Bijbel wist al beter. De moord van Kaïn op Abel was - nog vóór de taalverstrooiing - geen zaak van onbegrip maar van jaloezie, omdat God zijn offers niet wilde en die van zijn broer wel.

We bewaren de lieve vrede veelal beter door de waarheid te omkleden dan door genadeloze oprechtheid. Daarom maken we complimentjes en formuleren we onze woorden diplomatiek, dankbaar gebruik makend van de troebelheid die de taal ons biedt. Het is, veelzeggend genoeg, juist het conflict dat zich aankondigt wanneer wij 'iemand de waarheid zeggen'. Gewoonlijk is de taal zo plooibaar dat het zover niet komt.

Een volmaakte taal is een taal die geen voorbehoud mogelijk maakt: alles moet en kan slechts worden gezegd zoals het is. Dat is niet alleen de droom van de meest compromisloze oprechtheidsethiek maar ook van het totalitarisme, zoals Orwell met zijn newspeak liet zien. Niet toevallig gaat de utopie van de volmaakte taal vaak samen met de droom van een absoluut deugdzame wereld.

Eco raakt deze thema's in het laatste hoofdstuk van zijn boek terloops aan, maar houdt zich in zijn slotpleidooi voor de rijkdom van de natuurlijke talen nogal op de vlakte. Geen enkele 'ideale' kunsttaal zou ooit de subtiliteit en de eigen kleur van elk van hen evenaren, schrijft hij. Dat is veel te weinig gezegd. Die eigen kleur is er alleen maar dankzij de beperktheid van elk van hen (anders zouden ze wel gelijk zijn). En de subtiliteit bestaat slechts in de speelruimte die de taal biedt omdat zij niet op een rigide schema van exactheid is vastgelegd.

Belangrijker is dat de natuurlijke taal - anders dan de ideale - plaats biedt voor uitvluchten, verdoezeling en verhulling. Alleen zo'n onvolmaakte taal is een menselijke taal: niet alleen omdat ze communicatie mogelijk maakt, maar ook omdat ze voorkomt dat die communicatie onmiddellijk in een eindeloze reeks conflicten explodeert. Wanneer de utopie van de volmaakte eenheidstaal dwingt tot straffe deugdzaamheid en compromisloze transparantie, dan is de bestaande lappendeken van onvolmaakte talen voor de vrijheid, vrede en menselijkheid geen vloek maar een zegen.