Het Hollands landschap komt uit Haarlem; 750 jaar verheerlijking van een mythische stad

Vooral in de zeventiende eeuw was Haarlem, dat nu 750 jaar bestaat, een stad om trots op te zijn: aan het Spaarne werden grote schepen gebouwd, in de drukkerijen rolden de mooiste boeken van de pers en nergens werd het linnen witter gebleekt dan daar, zoals schilderijen van de stad keer op keer tonen. Maar de belangrijkste tak van industrie was de schilderkunst zelf.

De trots van Haarlem. Promotie van een stad in kunst en historie. Frans Halsmuseum, Groot Heiligland 62 (ma t/m za 11-17u, zo 13-17u) en Teylers Museum, Spaarne 16 (di t/m za 10-17u, zo 13-17u). T/m 3 sept. Catalogus ƒ 45,- (ƒ 40,- voor wie beide tentoonstellingen bezoekt).

Het lijkt een schilderijtje zoals er zo veel in de vijftiende eeuw werden gemaakt. Op een houten paneel ter grootte van twee A-viertjes is de veroordeling van Christus door Pilatus afgebeeld. De gevangen genomen Messias, met doornenkroon, houdt zijn blik naar beneden gericht. Naast hem staan zijn bewakers, de een nog afzichtelijker dan de ander; tegenover hem, links voor de toeschouwer, staat Pilatus in een groene mantel afgezet met hermelijn. De Romeinse gouverneur en zijn paladijnen bevinden zich op de binnenplaats van wat waarschijnlijk het gerechtsgebouw is. Door de spijlen van het houten hek gluren enkele voorbijgangers naar binnen.

Pas wanneer je je blik iets verder naar boven richt, over de hoofden van de nieuwsgierigen heen, valt op dat er iets vreemds aan de hand is met het stadse uitzicht vanaf de binnenplaats van Pontius Pilatus. Wat je ziet is niet de skyline van het bijbelse of middeleeuwse Jeruzalem, en ook niet een of ander fantasiepaleis in Italiaanse renaissancestijl. Het is een groot rechthoekig gebouw met een opvallende bordestrap en twee asymmetrische torens dat uit duizenden te herkennen is: het Stadhuis van Haarlem, gebouwd in het midden van de veertiende eeuw en tot op de dag van vandaag naast de St.-Bavokerk en de Vleeshal de trots van de Grote Markt.

Natuurlijk was de anonieme meester van deze Christus voor Pilatus niet de enige die dit soort grapjes in zijn bijbelse schilderingen uithaalde. Op de afdeling oude kunst van het museum Boymans-van Beuningen, waar dit anachronistische tafereeltje doorgaans hangt, zou je er dan ook ongemerkt aan voorbij kunnen gaan. Maar niet op de expositie De trots van Haarlem in het Frans Halsmuseum, waar het als 'oudste Haarlemse stadsgezicht' een ereplaatsje inneemt.

Het uit omstreeks 1475 daterende Christus voor Pilatus is meer dan alleen de oudste afbeelding van een van de architectonische hoogtepunten van Haarlem. Het is ook een voorbeeld van een kunstwerk dat Haarlem (officieel stad sinds 1245) in verband brengt met een groots verleden - en daarmee een goede introductie tot een tentoonstelling die getooid is met de ondertitel 'Promotie van een stad in kunst en historie'.

Heer Lem

Haarlem, zo blijkt in het Frans Halsmuseum, is een stad die van oudsher heeft gezwolgen in mythen. Dat begon al in de late middeleeuwen, toen de ouderdom en daarmee de eerbiedwaardigheid van de nog jonge stad verhoogd werd met behulp van twee onwaarschijnlijke (en elkaar tegensprekende) stichtingsverhalen. Volgens sommigen zou Haarlem - in werkelijkheid in de negende eeuw ontstaan als handelsnederzetting aan het Spaarne - omstreeks 400 gebouwd zijn door een zekere 'Heer Lem'. Volgens anderen was het in 506 gesticht door de 'Heren van Haerlem', die, net als de Amsterdamse Heren van Aemstel, een slot bewoonden in de omgeving van de latere stad. Op een wandtapijt uit 1663 is te zien hoe dat mythische kasteel er volgens de opdrachtgevers, de burgemeesters van Haarlem, uit moet hebben gezien: een rustiek jachtslot omgeven door een arcadisch landschap met daarin een goed gedoseerde hoeveelheid oude bomen.

De stichtingslegenden van Haarlem komen naar voren in een beroemd lofdicht op de stad dat in 1628 verscheen: de Beschryvinge ende lof der stad Haerlem van de Haarlemse predikant Samuel Ampzing. In zijn ijver om zijn geboortestad op te stoten in de vaart der volkeren, zette Ampzing de geschiedenis naar zijn hand. Haarlem kreeg een verleden om trots op te zijn. Ampzing memoreerde hoe de Haarlemmers in 1188, tijdens de Vijfde Kruistocht, de Nijlhaven Damiate hadden ingenomen na met hun schepen de havenkettingen te hebben kapotgevaren; en hoe Haarlem zich tijdens de Tachtigjarige Oorlog tot het bittere einde had verweerd tegen de Spaanse belegeraars. Glorie was wat telde, en dus maakte Ampzing geen woord vuil aan de historische feiten. Zo werd Damiate pas in 1219 ingenomen, en was dat de verdienste van de samenwerkende legers van Holland en Friesland. En wat het beleg door de Spanjaarden betreft: Haarlem mocht het dan een paar maanden hebben volgehouden, aan het succes van andere belegerde steden als Alkmaar en Leiden kon het niet tippen. Toen de slag op de Haarlemmermeer (mei 1573) eenmaal verloren was en de honger toesloeg, gaf de stad zich zonder omhaal over.

Ampzing schetste het verleden zoals de Haarlemmers het graag zagen, het verleden zoals Haarlemse kunstenaars het, al dan niet in opdracht, tot ver in de negentiende eeuw zouden verbeelden. Op De trots van Haarlem zijn daarvan een paar mooie voorbeelden te zien. In de eerste pronkzalen van het museum hangt niet alleen Hendrick Vrooms indrukwekkende Slag op het Haarlemmermeer (1629) met op de achtergrond het brandende Haarlem; maar ook, tien meter breed, een onlangs gerestaureerd wandkleed uit het Stadhuis met daarop het moment suprême uit de strijd om Damiate: de Haarlemse schepen gaan in volle vaart af op de havenhoofden, die met een regen van pijlen en katapultkogels verdedigd worden; het voorste schip ramt de havenketting met een ijzeren kartelrand op de boeg. Twee zalen verder duikt het in 1629 gemaakte kleed nog eens op: in miniatuur, hangend van het balkon van het Stadhuis, op een schilderij van Gillis Rombouts dat de afkondiging van de Vrede van Münster op de Grote Markt verbeeldt.

Stadsheks

Samuel Ampzings Beschryvinge, een mengeling van een humanistische 'laus urbis' (lof van de stad) en een stadsbeschrijving in proza, is de leidraad van De trots van Haarlem. Ter illustratie van de traditionele thema's van het stededicht - roem van het verleden, commercie en nijverheid, trots op de burgers, verheerlijking van stad en landschap - is de collectie van het Frans Halsmuseum op een verrassende manier opnieuw gegroepeerd en aangevuld met goedgekozen bruiklenen. De bezoeker ziet, naast de nooit vervelende regenten- en schuttersstukken van Hals, werken uit het Boymans en het Rijksmuseum, uit het Mauritshuis en verschillende Duitse musea. Het schilderij van Rombouts is afkomstig uit Kaapstad (meegenomen door Jan van Riebeeck?), en het los gepenseelde, bruin gloeiende Frans Hals-portret van de stadsheks Malle Babbe, waarmee de 'galerij der Haarlemse prominenten' pronkt, werd bij hoge uitzondering uitgeleend door de Gemäldegalerie in Berlijn.

Vooral in de zeventiende eeuw, zo tonen de meer dan 300 schilderijen en kunstvoorwerpen, was Haarlem een stad om trots op te zijn. Handel en nijverheid maakten een ongekende bloei door. Langs de kades stonden meer dan vijftig bierbrouwerijen, aan het Spaarne werden grote schepen gebouwd, in de vele drukkerijen rolden de mooiste boeken van de pers, en in de duinen werd het linnen witter gebleekt dan waar ook in Holland. Maar als we Ampzing mogen geloven, was de belangrijkste tak van industrie eigenlijk de schilderkunst. 'Het Florence van het Noorden' noemde de schilder-schrijver Karel van Mander Haarlem al omstreeks 1600, toen Frans Hals nog naar de stad moest emigreren. Graveurs en schilders als Hendrick Goltzius en Cornelis van Haarlem (op de tentoonstelling vertegenwoordigd met vier kolossale bijbelse en mythologische stukken die hij in 1591-93 maakte voor het pasverbouwde Prinsenhof achter het Stadhuis) waren internationaal vermaard en legden de basis voor de enorme produktie en de constante hoge kwaliteit van de Haarlemse schilderkunst in het midden van de zeventiende eeuw.

Haarlem gold als de bakermat van de Noordnederlandse landschapschilderkunst. In de informatieve, maar lelijk en onhandig vormgegeven catalogus bij de tentoonstelling wordt opgemerkt dat de vroegst bekende vermelding van de Nederlandse term 'landscap' in relatie tot de schilderkunst te vinden is in een contract uit 1490 voor een altaarstuk in de Bavo. De trots van Haarlem maakt aannemelijk dat het geen toeval is dat het landschap en het stadsgezicht juist in Haarlem tot grote bloei kwamen. De omgeving van de stad stond niet alleen bij de eigen burgers bekend als 'Hollands Arcadia' en leende zich voor weidse schilderijen van een afwisselend landschap met op de achtergrond een karakteristiek stadssilhouet. De beroemdste van deze zogenoemde 'Haerlempjes' (steevast met de linnenblekerijen op de voorgrond) waren die van Jacob van Ruisdael, en hoewel ze misschien overbekend zijn, komen ze in de context van deze tentoonstelling nog beter tot hun recht dan in het Mauritshuis of het Rijksmuseum waar ze gewoonlijk hangen.

Zelfvergroting

Het gesuggereerde verband tussen de trots van de Haarlemmers op hun stad, hun enthousiasme om die aan de wereld te tonen, en het ontstaan van de landschapschilderkunst levert de bijzonderste zalen van De trots van Haarlem op. Het is dan ook een goed idee geweest van de organisatoren om in het nabijgelegen Teylers Museum een pendant-tentoonstelling in te richten die geheel gewijd is aan de uitbeelding van stad en land van Haarlem in prenten en tekeningen - van de eerste zelfstandige stadsgezichten, die Pieter Saenredam maakte ter illustratie van Ampzings Beschryvinge, tot een hyperrealistische afbeelding van de onthulling van het Coster-standbeeld in 1856 die bij nadere beschouwing een van de eerste foto's van Haarlem blijkt.

De honderd merendeels kleine werken in Teylers vullen de spectaculairdere tentoonstelling in het Frans Halsmuseum mooi aan. Vanzelfsprekend ligt er in de vitrine een voorstudie van een Haerlempje van Ruisdael, een zacht-pluizig potloodtekeningetje met een gezicht op Haarlem vanuit het westen. Maar er is ook grafiek die een directere illustratie is van de zelfvergroting waar Haarlem beroemd om is. Bijvoorbeeld de titelpagina van de oudheidkundige lofzang Zegepralent Kennemerlant (1732), waarop de legendarische Kaninefatenhoofdman Brinio vanaf zijn schild uitkijkt over Haarlem en de Sint Bavo. Of de door Maarten van Heemskerck in 1564 gemaakte bijbelse prent met als decor het Haarlemse Stadhuis in spiegelbeeld.

De mythe regeert, in Teylers maar vooral in het Frans Halsmuseum, waar het laatste deel van de tentoonstelling zelfs is gewijd aan het ahistorische beeld dat in de negentiende eeuw werd gegeven van de Haarlemse beroemdheden Coster, Kenau en Hals. De aandacht van de samenstellers voor de artistiek verbeelde mythologisering van de stad Haarlem maakt De trots van Haarlem tot een tentoonstelling die ook fascinerend is voor de museumbezoeker die het gros van de werken goed kent. En wat ten minste zo bijzonder is: de Versproncks, Van Goyens en Heda's die normaal de wanden van het museum sieren, zijn niet voor de komende drie maanden naar de kelder verbannen. Ze hangen anoniem maar indrukwekkend bij tientallen in zaal 21, hutje-mutje op elkaar: als stille illustratie van de legendarische kunstproduktie van de Haarlemse Gouden Eeuw.