Het gaat steeds meer om de academische houding

Zestien hoorzittingen zijn er de afgelopen periode over het hoger onderwijs geweest.

Staatssecretaris Nuis kan nu zijn conclusies trekken. Krijn van Beek en Gerrit Kronjee stellen vast, dat het hoger onderwijs drastisch zal moeten veranderen. Maar de massaliteit blijft, want de wereld draait nu eenmaal om human capital.

De debatten zijn voorbij, er kan nu gewerkt worden aan het Hoger Onderwijs- en Onderzoekplan (HOOP). Daarin zal de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het komende najaar zijn plannen met het hoger onderwijs publiceren. De nadruk lag in het debat tot nu toe op de noodzaak van bezuinigingen. Er zijn echter veel betere argumenten om het stelsel te moderniseren. Die argumenten zijn gelegen in een aantal structurele veranderingen van de omgeving waarmee het hoger onderwijs rekening moet houden. In het dit voorjaar gepubliceerde WRR-rapport 'Hoger onderwijs in fasen' worden die maatschappelijke ontwikkelingen beschreven. Op dit moment van bezinning is het nuttig nog eens de aandacht te vestigen op de drie belangrijkste ontwikkelingen.

Ten eerste gaat het om de massaliteit van het hoger onderwijs. Die massaliteit is niet alleen blijvend, het is ook ongewenst daar wat aan te willen doen in een wereld die in toenemende mate om human capital draait. Dit betekent echter niet dat allen die wetenschappelijk onderwijs volgen, onderwijs moeten krijgen volgens een negentiende-eeuws model waarbij de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker van meet af aan centraal staat. De meeste studenten worden in het geheel geen wetenschappelijk onderzoeker en hoeven daarom niet vanaf het begin een gespecialiseerde wetenschappelijke opleiding te volgen.

Daar komt bij dat aan het begin van een universitaire opleiding basiskennis en -vaardigheden kunnen worden onderwezen die zich prima lenen voor goed georganiseerde standaardcursussen. De voorbereidingstijd voor het doceren van dergelijke cursussen kan veel korter zijn dan de huidige praktijk, waarin voor elk uur college zo'n vier uur voorbereidingstijd staat. Zo kan ook de begeleiding van studenten in die basiscursussen veel intensiever worden. Op deze wijze kan recht worden gedaan aan de notie dat het hoger onderwijs een onderwijs is voor velen. In de loop van de studie, bijvoorbeeld na drie jaar, moet de student dan kunnen kiezen voor verdere en meer specifieke scholing in een professionele opleiding, in de beroepspraktijk of in een onderzoekersopleiding.

Ten tweede gaat het om veranderingen op de arbeidsmarkt. De leidende gedachte bij de huidige inrichting van het bestel is dat elke opleiding een eigen beroepsgroep bedient. Deze gedachte heeft ertoe geleid, dat er inmiddels ruim zeshonderd afzonderlijke opleidingen in het hoger onderwijs kunnen worden onderscheiden en dat die elk nog weer een veelheid aan afzonderlijke afstudeerrichtingen kennen.

Deze ontwikkeling staat haaks op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Kennis veroudert, functies veranderen, beroepen verschijnen en verdwijnen en in de praktijk wordt het merendeel van de hoger opgeleiden niet op hun afstudeerspecialisatie geselecteerd, maar op een 'attitude', een 'academische attitude' zo men wil, meer op 'weten hoe' dan op 'weten wat'. De drang naar superspecialisatie, die in het huidige bestel zit ingebakken, leidt er bijvoorbeeld toe, dat we met verbazing moeten constateren dat 83 procent van de letterenstudenten zijn 'uitgeweken' naar een ander beroep dan waar ze voor werden opgeleid, en dat heeft vervolgens tot resultaat dat we voor deze groep weer nieuwe beroepsgerichte specialisaties gaan ontwikkelen.

Dit is een doodlopende weg. De tijd is gekomen de aandacht te verschuiven naar het leren van een vak - dat wel - maar met de nadruk op de academische of professionele attitude die bij de uitoefening van een vak op hoog niveau vereist is. In het tweede deel van een studie kunnen dan vak- of beroepsspecifieke kennis en vaardigheden worden geconcentreerd. Op deze wijze kan het hoger onderwijs afgestudeerden afleveren die veel beter dan nu het geval is in hun opleiding een basis vinden voor een complete carrière.

Een derde omgevingsverandering betreft de ontwikkeling in de wereld om ons heen. Steeds minder kan Nederland afwijken van wat er in het buitenland gebeurt. Het huidige stelsel werd In de jaren zestig ontworpen door regeringsadviseur Posthumus. Hij wist dat het slecht aansloot bij stelsels in het buitenland, maar gaf expliciet aan dat dat niet belangrijk was. Dat is het nu in elk geval wel. Het is nu al zo dat Nederlandse hogescholen via buitenlandse omwegen masters-opleidingen aanbieden, terwijl de Nederlandse doctoraal-titel in het buitenland soms niet meer waard blijkt dan een bachelor-diploma. Vermeden zou toch moeten worden dat de geschiedenis zich herhaalt en het hoger onderwijs hetzelfde lot ondergaat als de Hilversumse media; de vernieuwing van het Nederlandse hoger onderwijs hoeft toch niet in Luxemburg vorm te worden gegeven? Om dat te voorkomen moet de Nederlandse titelstructuur dus weer internationaal herkenbaar worden. Daarnaast zullen topopleidingen in welk vakgebied dan ook, weer tenminste vijf jaar moeten gaan beslaan.

Deze veranderingen hebben een blijvend karakter en vragen dus om een structureel antwoord. De WRR heeft in zijn rapport gepoogd zo'n antwoord te formuleren. Daarin zullen universitaire studenten niet langer vanaf het begin van hun studie studeren aan één faculteit in één specialisme, zij zullen studeren aan een academie waar ze een vak leren en zich een academische attitude eigen maken. Na drie jaar kunnen zij een titel van bachelor verwerven, waarbij op het diploma de geleverde prestaties worden aangetekend. Vervolgens kunnen zij solliciteren naar een plaats in een vervolgopleiding. De vervolgtrajecten worden verzorgd door professionele scholen voor professionele opleidingen op academisch niveau en gerelateerd onderzoek en door onderzoekscholen voor wetenschappelijk onderzoek en opleidingen tot onderzoeker. Pas na deze vervolgopleiding verwerft men de gebruikelijke titels (ir, mr, drs) die dan vergelijkbaar zijn met de internationaal geldende master-titel.

Aldus opgeleide bachelors zullen echter ook op de arbeidsmarkt een gewilde partij zijn. Ook nu is het zo dat op de arbeidsmarkt academische of professionele vorming vaak zwaarder weegt dan de bereikte graad van specialisatie in het onderwijs. De voor het werk vereiste kennis wordt in veel beroepen pas verworven door learning on the job.

Daarnaast biedt een dergelijk systeem studenten de mogelijkheid na een aantal jaren terug te keren op de universiteit om met de ervaring die ze inmiddels op de arbeidsmarkt hebben opgedaan gericht een (nieuwe) kop op hun opleiding te zetten. De stelselwijziging past dan ook wonderwel in een veel breder gesteund streven naar éducation permanente.

Voor de hogescholen hebben de voorstellen minder ingrijpende gevolgen. Wel geldt ook daar dat het model 'bamboebos van afzonderlijke opleidingen' zal groeien naar een model 'eikeboom met brede stam en rijk bladerdak', maar deze verandering sluit beter aan op ontwikkelingen die nu al zichtbaar zijn aan de hogescholen en kan ook gemakkelijker worden ingepast in de bestaande structuur van de hogescholen. Immers, schotten zoals die aan universiteiten tussen faculteiten en vakgroepen bestaan, zijn aan de hogescholen minder prominent aanwezig.

In dit laatste punt schuilt wellicht de meest fundamentele koerswijziging voor de universiteiten. De bestaande bestuursstructuur met zijn sterke nadruk op de autonomie van vakgroepen en faculteiten heeft zichzelf overleefd. Kernbegrip voor een nieuwe inrichting van de structuur is een 'functionele scheiding van bevoegdheden'. Dat betekent dat de verschillende doelstellingen van de universiteit in afzonderlijke organisaties gestalte krijgen, zoals hiervoor beschreven: de academie, de professionele en de onderzoeksschool.

Daarnaast komt er een eind aan de situatie dat de samenstelling van het curriculum, de verzorging van de colleges en de beoordeling van de kwaliteit allemaal in één hand zijn, zoals nu het geval is. Onder het principe van 'functionele scheiding van bevoegdheden' worden deze taken uit elkaar gehaald. Zodoende kan een onafhankelijke curriculum-organisatie vaststellen welke vakken gedoceerd worden, daar vervolgens de docenten bij zoeken en een onafhankelijk oordeel vellen over de kwaliteit van het geleverde.