Gestraft met verbanning uit de stad

Dagenlang hebben alle Griekse kranten geschreven over de vooruitzichten van Theo Angelopoulos' nieuwste film De blik van Odysseus, op het filmfestival van Cannes, waar hij tenslotte 'slechts' de tweede prijs kreeg, achter Kusturica's Underground. Deze overweldigende Griekse belangstelling stond in merkwaardig contrast met die voor de première, enige weken tevoren, van Theodorakis' nieuwe opera Elektra, in de culturele hoofdstad van Europa Luxemburg, waar geen enkele Griekse krant een criticus of ook maar een reporter had heen gezonden en die ook op de televisie onvermeld bleef. Nog steeds moeten er vele Grieken zijn die niets weten van deze gebeurtenis.

Dit contrast is des te paradoxaler als men bedenkt dat de Griekse toeloop naar Angelopoulos' films tot nu toe minimaal is geweest - De imker heb ik nog niet eens gezien omdat hij slechts één week in Athene heeft gedraaid - terwijl de gemiddelde Griek toch wel minstens vijftig van Theodorakis' liedjes en liederen kan meezingen. Een rol speelde natuurlijk dat het in Cannes om een soort wedstrijd ging - de Grieken zijn vanouds gericht op elke vorm van 'agonía'. In Luxemburg kon geen prijs worden gewonnen. Maar dit levert maar een klein deel van de verklaring.

Theodorakis is - en hij is er zelf een beetje schuld aan - het slachtoffer van een andere oeroude Atheense instelling: het ostracisme of schervengericht. In de Oudheid verbanden de Atheners, bij meerderheid van stemmen (scherven) stadgenoten van wie ze een beetje genoeg begonnen te krijgen. Dit konden heel verdienstelijke lieden zijn - klassiek is het geval van Aristides de Deugdzame. Maar de Atheners vonden dat ze te veel aan de weg begonnen te timmeren.

Toen Theodorakis in 1974 in zijn land terugkeerde na ruim zeven jaar juntadictatuur waarin zijn liederen waren verboden, kreeg zijn muziek vanzelf een voorkeursbehandeling die het karakter van een monopolie dreigde aan te nemen. Na een jaar kwam er een reactie, die zich in de eerste plaats daarin uitte dat men geen belangstelling meer had voor zijn nieuwe produkten. Van al zijn na de junta geschreven liederen is er maar één - op de dood van verzetsstrijder Panagoulis - ingeslagen. Van de rest kon men steeds weer - ten onrechte - horen: “Mikis is niet meer wat hij geweest is”. Zelfs de cycli die hij in '68 en '69 in zijn deportatieoord Zatouna, hoog in de bergen van de Peloponnesos, schreef en die tot zijn beste werk behoren, zijn bij de meeste Grieken totaal onbekend.

Tot nu toe kunnen we niet spreken van 'schuld' van de componist aan de ontwikkeling, maar in een latere fase heeft hij zelf aan het ostracisme bijgedragen. Ziende dat hem de oude waardering van zijn eigen volk begon te ontvallen - iets wat hij verschrikkelijk vond - begon hij op allerlei manieren te proberen, de aandacht voor zijn persoon vast te houden. Op muzikaal gebied ging hij sneren tegen de rebetika, oude zelfkantliederen die weer helemaal in de mode kwamen ten koste van zijn muziek, samen met de door hem gehate tsiftetèli, de uit Turkije overgewaaide buikdans. Maar, net als vroeger, zocht hij het ook weer meer en meer in spectaculaire politieke initiatieven.

Eerst steunde hij de Moskougetrouwe Communistische Partij, zelfs in haar bijval voor de Russische inval in Afghanistan. Daarna toonde hij een tijdlang sympathie voor de socialist Andreas Papandreou, die als premier onverwacht toenadering ging zoeken (maar niet vond) met Turkije. Ten slotte zakte hij af naar steun voor de rechtse leider Mitsotakis, aan wiens zijde hij in het parlement terechtkwam. Ook daar kreeg hij genoeg van, en hij zegde de politiek - voor hoelang? - vaarwel.

Het gevolg is dat hij in Griekenland nu van alle kanten een 'warhoofd' wordt genoemd, en ik kan daar een heel eind in meegaan, al blijf ik nog steeds begrip en waardering houden voor het middenpaneel. (Feit is dat de componist in Turkije intussen razend populair is geworden.)

Ik ben ervan overtuigd dat de vreemde schaats die Theodorakis sinds 1975 is blijven rijden voor een groot deel is terug te voeren op de behoefte, in het nieuws te blijven - zo niet met zijn muziek, dan maar met andere middelen. Een tijdlang bombardeerde hij zichzelf ook tot potentieel object van het terrorisme, met openlijke beschuldigingen dat Papandreou's PASOK de gevaarlijkste groep, de 17de november, de hand boven het hoofd hield. Al dit stuntwerk leidde ertoe dat ostracisme in een vicieuze cirkel geraakte.

Momenteel zijn er in Griekenland tallozen die zijn naam niet meer willen horen, en eigenlijk zitten we in een absurde situatie. De vier grootste zangers en zangeressen, die allen Theodorakis in hun repertoire hebben, hebben afgelopen winter grote optredens gegeven zonder één van zijn liederen, oudere of nieuwe, ten gehore te brengen. Op de radio is het mooi als je nog eens iets van hem hoort, en dat dient dan als bewijs dat de junta niet terug is. Er was één uitzondering: in een overdekt stadion heeft hij met Maria Farandouri een groot concert gegeven ten bate van het opkalefateren van het archief van zijn oude communistische partij. Dit onschatbaar materiaal dreigde na een overstroming verloren te gaan. Daar heerste weer iets van de oude atmosfeer, het was ook een avond van diepe symboliek.

Maar zijn opera Medea ging in Bilbao in première, Elektra in Luxemburg, zijn zeventigste verjaardag op 29 juli zal hij in München vieren, zijn zegetocht door de wereld buiten Griekenland duurt voort. Het vreemdste is dat er hier sprake is van een zoveelste paradox. Een van de laatste exclamaties waaraan hij zich in zijn jacht op publiciteit heeft bezondigd, is de stelling dat Griekenland zich uit de Europese Unie moet laten zetten, omdat men daar niets begrijpt van de Macedonische kwestie, van de Griekse mentaliteit. “Wij Grieken staan nog open voor een naam, een vrouw, een mythe. We moeten weer op onszelf terugvallen. Trikala (een Griekse provinciestad) moet geen Utrecht worden.”

Maar in Trikala wordt hij niet meer gehoord, in Utrecht des te meer. Onlangs maakte de componist, niet voor de eerste keer, bekend zich definitief in Parijs te zullen vestigen. “Psychologisch heb ik Griekenland verlaten”, zei hij in interview met een Cyprisch weekblad vanuit Luxemburg. Maar daarin vertelde hij ook dat hij zijn huizen in Athene - uitkijkend op de Akropolis - en Vracháti, aan de zee bij Korinthe, aanhield. Er kan ook hier natuurlijk wel weer wat veranderen.