Dollen met ongeschoolden; Rauwe debuutroman van Arjan Witte

Arjan Witte: Rode zeep. Uitg. In de Knipscheer, 160 blz. Prijs: ƒ 29,50.

Intellectuelen vechten niet. En schrijvers, in het bijzonder Nederlandse, al helemaal niet. Waar het op geweld aankomt zijn zowel Nederlandse auteurs als de meeste van hun personages geneigd te handelen in de traditie van Menno ter Braak, die ooit verklaarde dat zijn schrijverschap onder meer was voortgekomen uit 'een stille haat tegen de directe physieke kracht'.

Het gevolg van die weinig agressieve instelling is dat er in Nederland (na Jan Cremer) weinig literaire personages te vinden zijn die 'van binnenuit' de milieus beschrijven waarin een schrijver net zo zeldzaam is als het lezen van een boek, en het uitdelen van een dreun net zo gewoon als het bestellen van een patatje-oorlog. Al snel doemt het Ter Braak-probleem weer op: hoe maak je als auteur geloofwaardig dat je schrijvende ik-figuur - een soort intellectueel eigenlijk - ronddoolt en zich zelfs handhaaft tussen het zich door 'physieke kracht' onderscheidende schorem?

In zijn debuutroman Rode zeep heeft ook Arjan Witte met dit probleem geworsteld. Op het eerste gezicht heeft hij er een oplossing voor gevonden door van zijn jeugdige, semi-criminele ik-figuur een leerling van het atheneum te maken. Een intellectueel in de dop dus, net als de hoofdpersoon van Bor, de debuutroman van Joris Moens ('93), die op het Havo zat, maar vrolijk met zijn LTS-vrienden meedeed met het in elkaar slaan van mormomen. Voor Witte, net als voor Moens, biedt deze constructie volop mogelijkheden. Enerzijds kan hij zijn hoofdpersoon rustig mee laten doen met de vechtpartijen, diefstallen en andere vormen van criminaliteit, anderzijds onderscheidt die zich van zijn ongeschoolde vrienden door een zeker vermogen tot reflectie. Aanvankelijk levert dat verschil ook nog weinig problemen op voor de vriendschap; uiteindelijk blijkt toch de intellectuele afstand de definitieve verwijdering tussen de verteller en zijn vrienden te veroorzaken.

In sommige opzichten zou je Rode zeep een ontwikkelingsroman kunnen noemen. Nauwgezet schets Witte het milieu waarin de hoofdpersoon, die ook 'Witte' wordt genoemd, zich bevindt: een omgeving waar de snackbar, de sportschool en de ongenaakbare buurtschoonheid Angelique schijnbaar de toon aangeven, maar waarin alles uiteindelijk draait om de subtiele hiërarchie tussen de verschillende mannetjesputters. De verteller weet zich daartussen slechts te handhaven doordat Coens, de leider, hem als een vriend beschouwt. De ik-figuur komt pas in problemen als de criminaliteit waaraan het gezelschap zich overgeeft steeds zwaarder wordt.

Rode zeep begint nog met een flinke, in de ogen van alle betrokkenen onschuldige vechtpartij, maar al snel duiken types met verdwaasde SS-sympathieën op en wordt er steeds meer gestolen. De roman eindigt met een aanranding van een meisje in Coens' auto. Parallel daaraan verandert de houding van de snackbarvrienden ten opzichte van de hoofdpersoon als ze merken dat hij niet het vereiste enthousiasme voor hun activiteiten kan opbrengen. Eerst maken ze hem steeds vaker uit voor 'homo', vervolgens slaan ze hem half in elkaar en uiteindelijk ziet 'Witte' de verstoting uit het koekoeksnest van zijn omgeving bezegeld met het definitieve afscheid ('Flikker maar op, vuile kuthond') van Coens, zijn beschermer en laatst overgebleven vriend.

Arjan Witte vertelt het verhaal op een puntige, kortaangebonden toon die goed bij de door hem geschetste 'rauwrealistische' omgeving past. Rode zeep zou dan ook een adequate realistische roman zijn geweest als de schrijver de verleiding had kunnen weerstaan zijn vertellersperspectief te verklaren. Waar Joris Moens in Bor - op z'n Kees de Jongens - nog laconiek heenstapte over het feit dat zijn ik-figuur geen erg plausibele verteller was, heeft Witte het niet kunnen laten daarvoor een verklaring te geven. Hij laste in Rode zeep korte, in de tegenwoordige tijd gestelde intermezzo's in, waarin de ouder geworden hoofdpersoon terugkijkt op de vertelde gebeurtenissen: 'Laatst was ik nog in Zuilen. Met vrouw en kinderen. 'Opa' was jarig. (-) Iemand vertelde ons dat Coens was doodgestoken in de bajes. Bewakers hadden zijn celdeur opengelaten. Met opzet. Zo gaan die dingen.'

Zulke opmerkingen hebben formeel gezien wel een functie, maar ze halen ook een groot deel van de spanning uit de roman. Nu weet de lezer al na het eerste hoofdstuk dat de hoofdpersoon zich uiteindelijk aan zijn omgeving zal weten te onttrekken en niet aan zijn worsteling met zijn milieu ten onder is gegaan. Dat geeft de roman net iets te veel de sfeer van melancholie en van 'opa-vertelt', waardoor de prikkelende en schrijnende passages in de bladzijden daaromheen pijnlijk teniet worden gedaan.