Dirigent Jansons laat Rotterdams orkest zinderen

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Mariss Jansons, m.m.v. Armanda Roocroft, sopraan. Programma: o.a. Strauss: Till Eulenspiegels lustige Streiche; Debussy: Prélude à l'après-midi d'un faune. Bartok: Suite uit De wonderbaarlijke Mandarijn. Gehoord: 1/6 Vredenburg Utrecht. Herhaling: 2/6 De Doelen Rotterdam, 3/6 Concertgebouw Amsterdam.

Ook uit bekende repertoirestukken kan een verrassend programma worden samengesteld, zo bleek gisteravond tijdens het concert van het Rotterdams Philharmonisch Orkest in Utrecht. Onder de spirituele leiding van Mariss Jansons, de huidige chefdirigent van het Philharmonisch Orkest van St. Petersburg, veranderde wat op papier een loodzware aangelegenheid beloofde te worden in een avontuurlijke raamvertelling in klanken.

Mariss Jansons, die wat betreft vakmanschap en uitstraling zijn collega Valery Gergiev naar de kroon steekt, heeft het bijzondere vermogen om een partituur zo verhalend en plastisch weer te geven dat de noten als het ware zichtbaar worden. Niet de kunst van het overdrijven is daarbij van doorslaggevende betekenis, maar juist de kunst van het weglaten. De briljante Jansons dikt niets aan, maar dikt wel alles in. Hij analyseert een partituur tot in de kleinste details op het scherp van de snede, waarna hij met het perfectionisme van een horlogemaker en met het betoverende raffinement van een wonderdokter alle losse onderdelen weer aaneen voegt tot organisch ademende en volmaakt uitgebalanceerde klankstructuren.

Zo klonken Tijl Uilenspiegels 'lustige Streiche' niet als de grappen en grollen van een dronken Germaan, maar als de spitsvondige, en dus charmante streken van een universele schelm.

Net als Gergiev weet Jansons het Rotterdams Philharmonisch Orkest te prikkelen tot zinderende samenklanken, een intense muzikale betrokkenheid en een magistrale orkestdiscipline. Maar waar dat bij Gergiev tot hartverscheurende en bloedrode klankorgieën leidt, ontstaan bij Jansons veeleer oranje-rode taferelen, die in de eerste plaats het intellect aanspreken.

Na Till Eulenspiegel wist de Engelse sopraan Armanda Roocroft de essentie te raken van Strauss' zwanezang, zijn Vier letzte Lieder die de componist zelf nooit meer heeft horen uitvoeren. De puurheid en de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid waarmee de nog jonge Roocroft een kosmische dimensie verleende aan de teksten van Von Eichendorff, was uiterst ontroerend. Roocroft is een natuurtalent, met een prachtig heldere en zuivere, maar toch volle en warme stem. Net bij Jansons staat de eenvoud bij Roocroft hoog in het vaandel en juist dat maakte haar interpretatie van Strauss' Vier letzte Lieder onvergetelijk.

Daarna dirigeerde Jansons een lucide, dromerig, loom-zweverigvisioen van Debussy's Prélude à l'aprés-midi d'un faune, een ijle wereld van klank en kleur, die een schitterend contrast opleverde met de bezeten ritmes en maniakale noten van Bartoks Suite uit het ballet De Wonderbaarlijke Mandarijn.