Dieper, heser, gevaarlijker; Gesprek met Tom Jones, zanger van zondige gedachten

De klank van zijn stem is groot, rond en rauw maar dat laatste deed de carrière van Tom Jones in de jaren zeventig bijna de das om; zijn geluid paste niet bij de gekunstelde klanken van de disco. Daarom maakte de zanger vijf country-platen, tot hij zijn come-back beleefde met een cover van 'Kiss' van Prince. “Mijn muziek is fundamenteel sexy, dat blijft.”

Van Tom Jones bestaan verschillende, meer of minder uitgebreide, verzamel-cd's. Zijn nieuwe cd heet The Lead and How To Swing It.

Het is vijf over acht. Om acht uur zou het concert beginnen en niemand in de vrijwel uitverkochte Ahoy-hal had vreemd opgekeken als het nog even geduurd had. Maar daar galoppeert hij het podium op: Tom Jones, wat zwaarder van profiel, verder zo leeftijdsloos energiek als hij op zijn dertigste al was. Of hij niet net een krante-interview achter de rug heeft en nog tot voorbij kwart voor acht de televisieploeg van Nova te woord heeft gestaan, grijpt hij de microfoon en barst uit in een van de wildere songs van zijn jongste cd. Zijn stem, wat zeg ik, zijn STEM schalt uit boven de echo die de geluidsinstallatie verzorgt. Zijn lichaam deint en dist zelfs even een glimp op van de bekken-swing waarmee hij dertig jaar geleden al zijn publiek choqueerde en verrukte. Nog geen uur eerder verzekerde Tom Jones, gespierd, gebruind, met een open gezicht dat zelden wegkijkt, me in een raamloos voorgeborchte van zijn kleedkamer dat zijn concerten tegenwoordig kalmer zijn dan vroeger. “Wat wil je, volgende week word ik vijfenvijftig. Vroeger ging ik direct tekeer als een waanzinnige. Ik wilde me elk concert bewijzen zo snel ik kon. Ik moest en zou meteen doorstoten tot iets dat op een grens leek en dat dan direct overtreffen. Nu heb ik geleerd om niet alleen te boksen maar ook te vechten. Ik bouw op, ik begin rustig.”

Wat je rustig noemt. Misschien beweegt hij wat minder gul, maar voor we het door hebben zit hij al in de derde song, Help Yourself. Het lied dateert van 1968 en welbeschouwd is het een draak, muzikaal en inhoudelijk. Jones zingt het of hij het net heeft leren kennen en zorgt ervoor dat je de tuttigheid van het eerste couplet kwijt bent zodra hij bij het refrein is aangeland. Uitgelaten dondert hij het ons toe: 'Just help yourself, to my lips, to my arms/ just say the word and they are yours...'. De Ahoy-hal staat op, wordt een wiegend geheel en schalt het mee, de sjieke vrouw met de roze vilten hoed naast me net zo goed als de dronken studenten die eigenlijk zijn gekomen om te keten.

Luister naar Tom Jones, naar Love Me Tonight (1969) bijvoorbeeld, en je hoort een onbrave 'boy next door', zo een die mannen willen zijn en die vrouwen willen meemaken. 'I've waited so long/ for the girl of my dreams to appear' zingt hij slepend - allemaal gelogen natuurlijk, maar who cares. Stem en song roepen een Casanova op vol loze beloften voor de toekomst, maar niet te versmaden voor de nakende nacht. Het is er een die charmant kan zeuren: 'I know that it's late/ and I realy must leave you alone...'. Een die na het eerste couplet een vleiend 'Ahh' laat klinken, en bij het tweede al zoveel terrein blijkt te hebben gewonnen dat 'Ahh' een opgewonden 'Oohh' is geworden.

Passie

Tom Jones is niet een idool als veel van zijn collega's die, te beginnen met The Beatles, opkwamen in dezelfde periode als hij. Geen suggestie van adolescenten-romantiek bij hem. Uit zijn songs destilleert zijn aanhang geen gedroomde hoop op een man voor een leven lang, in voor- en tegenspoed. Integendeel. Dit is er een voor de zondige gedachten, voor de verloren uurtjes, voor het overspel. Een macho vechtjas is hij in She's a Lady (1971), een viriele minnaar, wanhopig-maar-niet-heus, in I Who Have Nothing (1970). In What's New Pussycat (1965) klinkt het woord 'you' als het 'miauw' van een krolse kater en een hese crime passionel begaat hij in Delilah (1968).

Wat is dat toch, hoe kan iemand met zulke rudimentaire teksten en zulke simpele muziek zo consequent verleidelijk zijn? Het zit 'm in het geluid en wat Jones ermee doet. Hij zingt groot en rond en zuiver, maar niet glad. Het suikerzoete repertoire dat hij aanvat, neemt hij met zijn stem in een houdgreep van rock 'n' roll. Het gekreun, het rulle 'yeah!', de provocerende uithalen, de zware, naar de g neigende h's die woorden als 'h-eart', en 'h-eaven' en zelfs 'w-h-y?' van een grom voorzien, overweldigen de lievige liedjes, ze geven ze borsthaar. Liefde wordt subiet een flirt, tederheid passie en liefdesleed iets dat vraagt om energie, niet om tranen.

Jones houdt van rock 'n' roll, vooral van Jerry Lee Lewis (“de Sun-records waren het best”). En van Elvis Presley natuurlijk, al was het maar omdat Presley hem ook bewonderde. In de vroege jaren zestig, toen Tom Jones nog Tom Woodward was, een mijnwerkerszoon en bouwvakker uit Wales die nog niet zijn naam had aangepast onder invloed van het succes van de film Tom Jones (van Tony Richardson met Albert Finney), trad hij in de locale pubs op als Elvis-imitator. Maar dat betekent niet dat hij ooit precies als zijn rock 'n' roll-voorbeelden heeft willen zingen. “Ik heb nooit mijn best gedaan om Amerikaans te klinken. Ook niet Brits. I'm Welsh! Ik rek en trek aan de woorden zoveel ik kan. Wanneer ik een song te overwinnen heb, zijn de zinnen soms belangrijker dan de melodie. Ik brutaliseer ze, ik duw er net zolang een bluesy gevoel in tot ze me aangrijpen.”

Smoking

Oude zo goed als nieuwe songs zitten vol met de tatoeages die het Tom Jones-geluid met zich meebrengt: zuchten, kreunen, een plotseling gesproken frase, onverwacht vibrato en steeds weer die nauw beteugelde lust. Maar hoe vertrouwd ook, de klank is anders. Dieper, heser, gevaarlijker. Jones weet het: “Mijn stem is dikker, zwaarlijviger: same sound, more body. Met het vorderen van mijn leeftijd is er meer timbre in gekomen en bovendien is hij een hele noot gezakt. Toen ik in de twintig was, haalde ik zonder moeite een zuivere hoge C. Nu lukt dat alleen als ik een goeie dag heb, eigenlijk is B-flat het maximum.”

Ons gesprek wordt onderbroken doordat er een zware, slordige man van een jaar of vijfendertig binnenkomt. Jones veert op. Ze begroeten elkaar met een dikke kus. Trots: “Dit is Marc. Mijn zoon. Hij is mijn manager”. Marc is niet de enige streekgenoot in de entourage van Jones. Tussen het beton van de Ahoyhal klinkt voortdurend het zangerige geknauw van de Welsh, om te beginnen uit de mond van een dienstmeisje dat komt checken of de catering in orde is en met een doekje wat onzichtbaar stof van de champagnekoeler veegt.

Ter introductie van de vierde song (It Looks Like I'll Never Fall in Love Again, uit 1967) graait Tom Jones naar zijn keel en trekt zijn boordeknoop los. Het gebaar is sedert zijn Amerikaanse carrière zijn handelsmerk. Hij vestigde zich in Los Angeles en kreeg een eigen televisieshow in Las Vegas. “Ze gaven me een orkest en een smoking. Tegen die smoking had ik niks, maar dat strikje hinderde me de eerste keer al bij het zingen. Ik had ruimte nodig en trok het van mijn nek. Omdat ik altijd weer die smoking aanmoest, bleef dat zo. Dat was geen behaagziek effect, het was noodzakelijk. Rock 'n' roll in smoking bleek moeilijker uit te dragen dan ik dacht. Als de mensen zo'n pak zien, horen ze niet waar ze naar luisteren maar wat ze verwachten. De losse das en de open boord waren nodig, echt waar, maar inderdaad, ze hielpen ook om het publiek wakker te maken. Op het orkest had ik net zo min iets tegen als op die smoking. Ik ben wendbaar, ik ben enthousiast over de meeste muziek, daarom hadden ze me geëngageerd voor die shows. Alleen probeerden ze me toch steeds meer op te schuiven naar de middle of the road. Om dat een beetje in te dammen stond ik erop om tegenover elke gast die de tv-maatschappij uitnodigde een gast van mijn eigen keuze te inviteren. Wilson Pickett bijvoorbeeld, en Jerry Lee Lewis is ook geweest.”

Tijdens het concert worden de oude bekende songs afgewisseld met nieuw werk. Maar nieuw of oud, alles steekt in een weldadig ouderwetse vorm. Ze zijn heel dichtbij, deze avond, de late jaren zestig. In de gebarentaal waarmee Jones zijn songs begeleidt: zingt hij 'fight' dan heft hij een vuist, bij Lift Me Up (van de nieuwe cd) gaan beide armen gestrekt omhoog alsof wij de marionetten zijn en hij aan de touwtjes trekt en betrapt de 'ik' uit Delilah zijn trouweloze minnares ('I saw the light/ on the night/ that I passed by her window...') dan stapt Jones met een lang gehoekt been over een onzichtbare vensterbank. De jaren zestig zitten ook in de bewegingen van het driekoppige begeleidingkoortje, in de 'twist 'n' shout' waarmee Jones hun 'twist 'n' shake' beantwoordt, in de smalle pijpen van zijn zwarte broek, in de punten van zijn laarzen. De bakkebaarden zijn weg, maar de bekende klanken van het James Bond-thema dat Jones' titelsong Thunderball aankondigt, klinken niet eens nostalgisch. Ze zijn hier op hun plaats, net als de uitbarstingen van swing, waarbij Jones vaak een hand met gespreide vingers op de gesp van zijn broekriem legt voor een niet mis te verstaan accent op de fameuze, wentelende pelvis.

Jones zelf vindt zijn stage act niet alleen een stuk rustiger dan vroeger maar ook anders van toon. “Mijn muziek is fundamenteel sexy, dat blijft. Maar ik dender niet langer als een wild beest over het podium. Vroeger wel. Was er een instrumentale solo dan bleef het spotlight op mij en ging ik tekeer tot ik iedereen gek had gemaakt. Nu ben ik meer sensueel en ik hoef dat niet meer de hele tijd uit te dragen. Mijn macht zoek ik niet onder mijn gordel, die ligt in mijn vocale kracht. Ik zie weinig in die overdaad van ballet in de rockshows vandaag de dag. Zo'n doorgechoreografeerd concert van Madonna, ik zou het niet willen. Al die dans leidt veel te veel af. Ik zag Prince optreden in Londen en ik kon hem eerst bijna niet vinden tussen dat gedoe van meiden en show-effecten en dansers. Pas toen dat even stilviel en hij overbleef met zijn gitaar en zijn stem, viel hij me op: Jesus, daar heb je 'm, dacht ik, en wat is hij eigenlijk goed.”

Schooljuffrouw

Tjoeketjoek, daar gaan de heupen weer, maar langzaam want nu wordt er een muzikaal vlechtwerk ingezet vol riedeltjes en uithalen. Jones zet zijn stem uit maar de song past hem niet. De zaal suft weg. Te barok, te veel franje. Hij houdt van alle soorten muziek, zegt hij, maar dat betekent niet dat alle muziek van hem houdt. De disco deed Jones' carrière bijna de das om. Gewoontegetrouw ging hij achterin de jaren zeventig mee met dat genre en het werd niets. Te geposeerd was die muziek met zijn falset-uithaaltjes, gekunsteld, zonder ruimte voor iets oprecht rauws: “Tien ton muziek op één ritme-patroon ging niet,” zegt Jones, “het werd al snel heel saai.”

Omdat disco hem niet beviel, sloot zijn platenmaatschappij in 1980 een contract met hem voor vijf country & western-platen. Hij deed het graag, vooral de eerste had een redelijk succes, maar toen er sprake was van een zesde album (“cd zeggen we tegenwoordig”) kreeg hij het bange gevoel dat hij achter slot en grendel ging. De nood was hoog, de redding nabij. Want toen hoorde Tom Jones de song Kiss van Prince. “Kiss was het keerpunt, Kiss bracht me terug waar ik wilde zijn.”

Het leven van een song is wat Jones betreft nooit uitgespeeld met een uitvoering. Hoe beroemd die ook wordt, maatgevend is een versie nooit: “Save the Last Dance For Me van The Drifters was van satijn en Jerry Lee Lewis schuurde het op tot boogie woogie. Allebei vind ik het even mooi.” De song Kiss wordt door Prince gezongen met een snerpende piepstem - een jongetje dat opgewonden door de gordijnen gluurt naar de onderbroek van de schooljuffrouw. Het gaat over seks maar het klinkt onerotisch en dat is de bedoeling. Tom Jones hoorde meer: “Voor mij was het onversneden rhythm & blues en ik voelde er klinkklare hartstocht in.” Hij nam het op en trok er in 1988 voor het eerst sinds jaren weer een groot en gevarieerd publiek mee. Niet als een opgedraaid jochie zingt hij het, maar met volle stem, brutaal, niet te stuiten. Een man die ongegeneerd zijn zinnen heeft gezet op een weifelende vrouw. Oftewel: “I sing it with me”.

Wat Prince van zijn versie vindt heeft hij hem, hoewel ze elkaar sporadisch spreken, nooit gevraagd. “Ken je de film The Rose? Daarin heeft Bette Midler, ze speelt een zangeres, een song van een country-zanger in haar repertoire opgenomen. Het is een groot succes en ze vliegt na haar optreden door regen en storm en ook nog middenin de nacht in een helicopter naar hem toe. Ze dient zich aan en put zich uit in lof en dankbaarheid. Die man heeft maar één reactie. Hij schreeuwt: haal het niet in je hoofd om ooit een song van mij op de plaat te zetten!! Dat wil ik niet meemaken. Ik kijk wel uit, ik spreek Prince er niet over aan. Voor de zekerheid.”

Met de rollende oerkreet van Jerry Lee Lewis ('rh-rh-rh-rh-rh-rh') gaat Tom Jones zijn toegift in. Eerst doet hij zijn allereerste hit, het uitdagende It's Not Unusual (1965) en dan Kiss, de song van zijn wederopstanding: “You don't have to be beautiful/ to turn me on/ I just need your body (...baby!...)/ from dusk till dawn...”. Hij zingt het los en blij en vol vuur. Helder articuleert hij elk woord en mooi getimed gesteun giet honing tussen de woorden, bijenhoning, geen bloemenhoning. Zijn stem is een dijk van een stem, het blijkt voor de zoveelste keer deze avond. Zijn jasje, een lange nachtblauwe blazer, is allang uit, de boordeknoop, weer dicht na de pauze, allang opnieuw open. 'I know how to undress me...' luidt de tekst en Jones ritst een imaginaire gulp open. Nu is het toch tijd voor serieuze obscene dans. De gespreide vingers glijden tot onder de gesp, de benen scharen en het bekken wordt het middelpunt van de Ahoyhal. Niet schoksgewijs beweegt het, als destijds dat van Elvis, maar in soepele draai. Met de muziek mee.