De verjaardag van de boktor; Echt

'Wanneer ben jij eigenlijk jarig,' vroeg de eekhoorn op een dag aan de boktor. Hij kon zich niet herinneren dat de boktor ooit jarig was geweest.

'Dat zou ik moeten opzoeken,' zei de boktor.

'Het lijkt me zo gezellig om op jouw verjaardag te komen,' zei de eekhoorn. 'Als je me tenminste uitnodigt.'

'Ja,' zei de boktor.

De eekhoorn was op weg naar de rivier. Het was in de zomer, de zon scheen en in de verte zong de lijster. De eekhoorn groette de boktor en liep weer verder. De boktor zat op een krukje voor zijn deur. Hij dacht heel vaak aan zijn verjaardag. In zijn gedachten was hij wel tien keer per dag jarig. De ene keer kreeg hij schitterende cadeaus, de andere keer zag hij dieren die hij nog nooit had gezien en die hem hartelijk feliciteerden. Soms zag hij uitbundig dansen in zijn gedachten. Of hij snoof de geur van de heerlijkste taarten, puddingen, honingraten en zoete wortelen diep in zijn gedachten in zich op. Zijn gedachten zweefden altijd om hem heen als kleine witte wolkjes.

Echt jarig zijn, dat wilde hij niet.

Echt is zo ingewikkeld, dacht hij. Denken is veel makkelijker.

Zo zat hij voor zijn deur en bedacht de mooiste verjaardagen. Soms leek het zelfs wel of die verjaardagen konden praten en vleugels hadden en konden vliegen en met glinsterende ogen naar hem keken en wuifden.

Maar zijn echte verjaardag vierde hij nooit. Misschien later eens, dacht hij. Misschien wordt echt later wel makkelijk. Maar dat vond hij zo'n ingewikkelde gedachte dat hij vlug aan een kleine verjaardag dacht, met de eekhoorn en de krekel en de schildpad. Ze aten gestoofde honingkoek en de krekel tsjirpte een klein liedje. De zon ging onder en achter hem lagen zijn cadeau's. Die moest hij nog bedenken. Kleine cadeaus, maar wel heel mooie cadeau's.

Hij wreef zich in zijn handen en leunde tevreden achterover, op zijn krukje, voor zijn deur.