Blauwbaards bruiden bij Holla potige wreeksters

Voorstelling: Blauwbaard, door Stichting Schreeuw/Karina Holla. Concept en regie: Karina Holla; tekst: Georg Trakl; vertaling: Tom Kleyn; dramaturgie: Loes Heijligers. Spel: Barbara Duijfjes, Armin Dallapiccola, Annette Hildebrand. Gezien: 31/5 Machinegebouw Westergasfabriek, Amsterdam. T/m 17/6, 21u. Res. 020-6277555.

“Er was eens een man die prachtige herenhuizen bezat in de stad en op het land, serviezen van goud en zilver, stoelen met borduurwerk en koetsen die van boven tot onder verguld waren. Maar die man had het ongeluk dat hij een blauwe baard had en dat maakte hem zo lelijk en schrikbarend dat er geen vrouw en geen meisje was die niet voor hem op de loop ging.” Zo begint een van de sprookjes van Moeder de Gans, opgetekend door Charles Perrault. Perraults Blauwbaard ontpopt zich tot seriemoordenaar omdat de vrouwen niet van hem gediend zijn. Alleen onder dwang krijgt hij hen binnen de omheiningen van zijn kasteel en daar wacht hun dan een gruwelijke bloedbruiloftsnacht.

In de door Karina Holla geregisseerde bewegingstheaterproduktie Blauwbaard is de blauwe baard geheel uit beeld verdwenen. De hoofdrolspeler, de Oostenrijkse danser Armin Dallapiccola, oogt bepaald niet als een lelijkerd maar als een knappe vent met een wat ouderwetse middenscheiding in het gladde haar. Warempel, hij lijkt op zijn landgenoot Georg Trakl. Dat kan geen toeval zijn, want Holla baseerde haar voorstelling op een door Trakl vervaardigde versie van Perraults boze sprookje. Het artistieke niveau van Blaubart, geschreven in 1910, is niet om over naar huis te schrijven. Trakls dramafragment wordt pas interessant wanneer je de biografie van de dichter erbij haalt.

En dat is precies wat Karina Holla gedaan heeft. In haar enscenering ìs Blauwbaard Georg Trakl. Haar Blauwbaard voelt zich lelijk, zonder lelijk te zijn, omdat Trakl zijn lijf en alle lichamelijkheid haatte. Als kind had hij de liefde bedreven met zijn jongste zusje Gretl en die zonde zou hij zichzelf nooit vergeven. Een diep ongelukkige man die overhoop ligt met zijn driften: zo'n man is Blauwbaard in de ogen van Karina Holla. En Blauwbaards bruidje Elisabeth, gespeeld door de fragiele danseres Barbara Duijfjes, zou Trakls zusje kunnen zijn. Het zusje moet dood: hun liefde heeft geen bestaansrecht.

De dood is ook alomtegenwoordig in het decor. Akelig blauw licht schijnt door hoge vensters naar binnen. De vloer is bezaaid met dorre bladeren, rechts en links staan dode bomen en tussen die bomen dansen drie bleke jonge mensen. Steeds extatischer wordt hun dans, steeds ongecontroleerder hun elektronisch versterkte gehijg. Georg en Gretl hebben we al gevonden, maar wie is die andere vrouw? Dat moet nòg een bruidje van Blauwbaard zijn.

Deze bruid, de rijzige Duitse actrice Annette Hildebrand, legt in de loop van de avond een ware doodsverachting aan de dag. Ze hangt ondersteboven aan een balk in de nok van het gebouw, ze jongleert met brandende fakkels, ze buitelt van een trap naar beneden zonder een spier te vertrekken. Krachtige vrouwenfiguren zijn al sinds haar eerste voorstelling Valeska, ich bin eine Hexe een handelsmerk van Karina Holla en dit keer zorgt ze ervoor dat Blauwbaards bruiden van willoze slachtoffers transformeren tot potige wreeksters.

Deze Blauwbaard, begeleid door bombastische dreunmuziek, is schaamteloos decadent en pathetisch. Haar theatrale middelen, ontleend aan circus, neo-expressionistische performancekunst en opera, zet Holla in als zwaar geschut - en haar zwoele en heftige beelden passen wonderwel bij de door en door katholieke symbolentaal van Georg Trakl.