Artiest uit armoede; Hoe joods was het Nederlandse amusement?

Het joodse aandeel in het Nederlandse amusement in de periode 1840-1940 was groot, zo laat de tentoonstelling ...Dat is de kleine man... in het Joods Historisch Museum zien. Maar is het onderscheid tussen joden en niet-joden in het vooroorlogse amusement daardoor ook relevant? “De zo vaak aan joden toegeschreven galgehumor - het lachen tegen de verdrukking in - was niet het exclusieve arbeidsterrein van joodse artiesten.”

...Dat is de kleine man..., 100 jaar joden in het Amsterdamse amusement 1840-1940. Joods Historisch Museum, Jonas Daniel Meijerplein 2-4 Amsterdam. T/m 26 nov. Dag. 11-17u. Het gelijknamige boek, met bijdragen van Hetty Berg, Salvador Bloemgarten, Joost Groeneboer, Jacques Klöters en Piet de Rooy, verscheen bij uitg. Waanders. Prijs ƒ 39,50.

Louis Davids zag, te elfder ure, opeens geen brood meer in het nummer. Het leek hem hoogst onwaarschijnlijk dat het bij het publiek in de smaak zou vallen. Hij drong er, anno 1929, bij de directie van de revue Lach en vergeet dan ook op aan geen kostbaar achterdoek te laten schilderen; een simpel bordje met het woord Stembureau leek hem wel voldoende - als de scène dan alsnog wegens gebrek aan succes moest worden geschrapt, was er tenminste niet te veel geld in het water gegooid. De dag na de première bleek uit de kranten dat het gebrek aan opsmuk nu juist de meeste indruk op publiek en kritiek had gemaakt: zo'n iel mannetje op een kaal toneel, dat precies de gevoelens vertolkte die nog nooit zo puntig onder woorden waren gebracht.

Eerst in een monoloogje, geschreven door de journalist en revue-auteur Philip Pinkhof: 'Ik moet gaan stemmen en ik voel er niets voor. En nou hebben ze me verteld, als je niet gaat, krijg je drie gulden boete. En ze bennen met honderd man in die kamer. Dat is drie centen per persoon. Dat gun ik ze niet. Wat kan mij nou die kamer schelen, de keuken interesseert me niet eens. Maar ik heb er een truukkie op. Ik stem blanco, dan kennen ze je niks maken. Wat kan mij dat nou schelen. Als je stemt of niet stemt, het blijft allemaal hetzelfde: de kleine man krijgt de klappen...'

En daarna, op tekst van zijn lijfschrijver Jacques van Tol:

Het is op ons kleine wereldje een beetje raar gesteld/ Want de ene mens neemt veel te grote happen/ De een woont in een villa en de ander bij de belt/ En die moet zich op z'n teentjes laten trappen/ De ene slaat zijn slag, doet wat ie soms niet mag/ En de andere, dat is een feit, betaalt steeds het gelag/ Dat is de kleine man, die kleine burgerman/ Zo'n hele kleine man met een confectiepakkie an/ De man die niks verdragen kan, blijft altijd onder Jan/ Zo'n hongerlijer, zenuwelijer van een kleine man...

Het was niet alleen een onbedoeld zelfportret van de populaire Louis Davids, die in zijn dagelijkse doen een nogal benepen man moet zijn geweest, maar ook een exacte beschrijving van de manier waarop de kleine burgerij in de jaren twintig en dertig (en niet alleen toen) mokte over het potverteren der politici en de hoogte van de werkloosheidsuitkeringen. Het nummer, dat nadien vaak door slechte luisteraars als links-geëngageerd werd beschouwd, beschreef in werkelijkheid de a-politieke en anti-parlementaire instelling van de brede massa van ontevredenen waaruit de NSB later met succes haar leden kon recruteren. Alleen het socialistische dagblad Het Volk doorzag al meteen dat Davids links en rechts op één hoop had gegooid, onder het aloude motto: of je nou door de hond of door de kat wordt gebeten...

Antisemitisme

...Dat is de kleine man... is nu, 66 jaar na dato, de titel van een tentoonstelling in het Joods Historisch Museum in Amsterdam over het joodse aandeel in het Amsterdamse amusement tussen 1840 en 1940. Dat beeld wordt opgeroepen door de overblijfselen uit die honderd jaar: kostuums, foto's, prenten, affiches, bladmuziek, theater-attributen, filmfragmenten en ruisend antiek geluid (met een zeldzame opname van de humorist Abraham de Winter die in 1901 de eerste Nederlandse artiest was van wie een grammofoonplaat werd gemaakt). Maar het is een rare titel - niet alleen wegens de strekking van het lied over die kleine man, maar ook omdat het werd geschreven door Jacques van Tol, die weliswaar het jiddische Mokums als geen ander beheerste, maar niet joods was (en die tijdens de bezetting zelfs verantwoordelijk was voor een antisemitische parodie op het nummer).

Het joodse aandeel in het amusement was groot. In de Verenigde Staten en in Groot Brittannië is dat nog steeds zo. Een paar jaar geleden verscheen in Amerika een lijvig boek over de rol van de joden in de ontwikkeling van de filmindustrie; die is, met machtige producenten als Sam Goldwyn en Louis B. Mayer, cruciaal geweest. Hetzelfde geldt voor Broadway en voor het Londense theater. Dat is een nuchter vast te stellen feit, dat niet met positieve of negatieve gevoelens behoeft te worden beladen. De breuk, die hier door de Tweede Wereldoorlog is bewerkstelligd, bleef daar achterwege.

Ook in de Nederlandse verstrooiingssector - theater, film, muziek - hadden de joden tot 1940 een aandeel dat hun numerieke aanwezigheid ver overtrof. Zelfs in Amsterdam, waar veruit de meeste joden woonden en werkten, vormden ze maar 12 procent van de bevolking, terwijl hun percentuele rol in het amusement vele malen groter was. 'Een onevenredig groot percentage, in verhouding tot hun aandeel van de hele bevolking, maakte als artiest, muzikant, regisseur of als directeur en impresario deel uit van deze nieuwe bedrijfstak,' schrijven de directeuren van het Joods Historisch Museum en het Theater Instituut Nederland in het voorwoord van het boek dat achtergrondinformatie bij de tentoonstelling verstrekt. En hoe kwam dat? 'Het antwoord lijkt te liggen in de grote armoede van de meeste joden, zeker in Amsterdam. Het amusement gaf werk, per week, als elders geen werk was. Het amusement kende geen sociale barrière, het artiestenvak stond laag op de sociale ladder.'

Het was al begonnen in de dagen van de rondreizende kermissen halverwege de negentiende eeuw, toen joodse families als Kinsbergen, Blanus en Boesnach met kleine circusjes en acrobatengezelschapjes het hooggeëerd publiek kwamen vermaken. 'Het artiestenvak was voor joden relatief makkelijk toegankelijk,' schrijft Hetty Berg in het levendig geïllustreerde boek. 'Maar niet alleen was het amusement een manier voor joden om hun brood te verdienen, het was ook een manier om deel te nemen aan de omringende cultuur, iets waar ze tot die tijd goeddeels van uitgesloten waren geweest. Voor joden, die over het algemeen geen enkele status genoten, was het een middel om te stijgen op de sociale ladder. En juist in het amusement, een kunstvorm met een relatief laag aanzien, konden joden integreren, en met hen het joodse publiek.'

Dat verklaart iets, maar lang niet alles. Zo blijft de vraag naar de kwaliteit van hun werk onbeantwoord. Had een joodse artiest per definitie een scherper ontwikkeld instinct voor massa-vermaak dan een niet-jood? Waarom was het nu juist de joodse ex-diamantbewerker Eduard Jacobs die in Nederland het geëngageerde cabaret introduceerde? Waarom kwam de Nederlandse film in de jaren dertig nu juist door joodse ondernemers tot grote bloei? En waarom was het het joodse kermiskind Simon David dat onder de naam Louis Davids kon opklimmen tot de man die, al was het maar door de titel, tot de hoofdpersoon van deze expositie kon uitgroeien?

Maar tijdens het schrijven van de voorgaande alinea's bekroop me steeds meer het ongemakkelijke gevoel dat ik in het voetspoor trad van de anonieme scribent die in juni 1942 in het NSB-blad Fotonieuws 'de waarheid' onthulde over de sleutelposities van de joden in het vooroorlogse Nederland. 'De joden vormen in getal slechts een zeer kleine minderheid in ons land,' begon zijn artikel. 'De invloed, welke deze volksvreemde minderheid echter op ons volk heeft uitgeoefend, is buitengewoon groot. De joden kozen namelijk vooral die beroepen, door middel waarvan zij over het volk zouden kunnen heersen.'

Op verontwaardigde toon somde hij op welke joden in welke maatschappelijke sectoren - de geldhandel, de journalistiek, de kunsten - de lakens hadden uitgedeeld. 'Wat de kleinkunst betreft: we herinneren slechts aan de banale liedjes van Louis Davids, Henriëtte Davids en Sylvian Poons, aan het gevaarlijk politiek karakter van de cabarets der Duitse emigranten, o.a. W. Rosen en R. Nelson, aan de inhoudloze operettes, welke het joodse gezelschap Fritz Hirsch opvoerde, aan de revue Bouwmeester, waarvan de zakelijk leider, de balletmeester en zeer vele leden van ballet, orkest en koor joden waren.' Ter illustratie bij het artikel was over de gezichten van organist Bernard Drukker, kinderkoordirigent Jacob Hamel en cabaretleider Rudolf Nelson een Davidsster gedrukt.

Annexatiedrang

Ook de opzet van ...Dat is de kleine man... dwingt tot het determineren van joden en niet-joden in het vooroorlogse amusement. Het gevolg is zelfs dat ik in de kantlijn van het boek af en toe een rode streep heb gezet. De geliefde volkstoneelspelers Aaf en Herman Bouber waren immers, in tegenstelling tot wat hier wordt beweerd, niet joods. En evenmin is het juist de schrijfster Top Naeff een 'joodse critica' te noemen.

Zulke door annexatiedrang ingegeven foutjes zouden nog niet eens zo erg zijn, als het onderscheid tussen joden en niet-joden destijds relevant is geweest. Maar was het dat ook? Nee.

Salvador Bloemgarten wijst in het boek op de groeiende bovenlaag van joodse juristen, medici, ondernemers en bankiers die omstreeks de eeuwwisseling belangrijke maatschappelijke posities begonnen te bekleden. Bij die ontwikkeling 'hield een groeiende identificatie met het Nederlanderschap gelijke tred met een afnemende belangstelling voor de religieuze kanten van het jodendom'. Datzelfde gold voor de meesten in de amusementssector; voor zover bij hen nog sprake was van godsdienstige eigenheid, bleek daarvan naar buiten toe niets. Bloemgarten spreekt zelfs van 'de volledige acculturatie in de ontspannings- en vermaakssector': specifiek joodse onderwerpen kwamen in schouwburgzaal of cabaret niet of nauwelijks aan de orde.

Evenmin, zo lijkt het, hebben joodse artiesten vóór de oorlog te maken gehad met apert antisemitisme. Dat er destijds in brede lagen van de bevolking zoiets heeft bestaan - een gedachteloze, lichte vorm van discriminatie - is bekend, maar die strekte zich niet uit tot de helden van theater, film en radio. De populariteit van Heintje en Louis Davids, Sylvain Poons, Max Tak of Johnny & Jones is er allerminst door geschaad, en het heeft ook het succes van een theater-impresario als Max van Gelder of een bioscoopondernemer als Abraham Tuschinski niet in de weg gestaan. En dat de intussen ietwat versukkelde dichter-zanger J.H. Speenhoff in de jaren dertig tegen collega's klaagde over de concurrentie van 'de joden', was geen teken van virulente vijandigheid, maar van jalousie de métier. Speenhoff zou het trouwens niet in zijn hoofd hebben gehaald om zulke opmerkingen in het openbaar te maken; ze zouden alles wat hem nog van zijn carrière restte, onmogelijk hebben gemaakt.

Kibbezoeb

Was er dan wellicht sprake van specifiek joodse humor? Aan die vraag waagt ...Dat is de kleine man... zich niet. Ze zou ook niet te beantwoorden zijn geweest. De kordate grappenmakerij van Heintje Davids is niet op één lijn te stellen met de Mokumse melancholie van Sylvain Poons of de ironie in de Jordaan-tafereeltjes die Louis Davids bezong. Het enige gemeenschappelijke kenmerk was wellicht dat hun optreden zo door en door Nederlands was. Hooguit had het een sterk Amsterdams accent, maar die indruk is misschien vooral gewekt door de films die van hen bewaard zijn gebleven, en die allemaal in Amsterdam gesitueerd waren. De folkloristische tongval die van een p een b maakte en een s in een z veranderde ('kibbezoeb'), was een goedmoedig bedoelde karikatuur die voornamelijk opgeld deed in de door niet-joodse acteurs gespeelde kluchten over de textielhandelaren Potasch & Perlemoer.

De zo vaak aan joden toegeschreven galgehumor - het lachen tegen de verdrukking in - was niet het exclusieve arbeidsterrein van joodse artiesten. Ook een niet-joodse komiek als Lou Bandy was in dat genre uiterst bedreven. De conférences van Bandy waren niet wezenlijk anders dan die van Davids; ze hadden het alletwee bij voorkeur over demonische schoonmoeders en charmante vrouwtjes die zich na het huwelijk als feeksen ontpoppen. Pas na de oorlog specialiseerde Max Tailleur zich in het filosofische discours van Sam & Moos; voordien bestond zo'n uitgesproken jiddische moppentapper in Nederland niet. 'Zelden is er in het opgevoerde inhoudelijk een joods element aan te wijzen,' beaamt Hetty Berg in haar hoofdstuk. 'Er is dan ook geen sprake van 'joods theater'.'

De joodse artiesten waren voor de Nederlandse bevolking 'van ons'. Het was, godzijdank, zo goed als irrelevant of ze joods waren of niet.