Werkgevers prefereren blank

Veel werkgevers saboteren de nieuwe Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen, die verplicht tot registratie van de afkomst van hun personeel. Daardoor ondermijnen zij, volgens Ruben S. Gowricharn, de toch al zwakke positie van allochtonen op de arbeidsmarkt.

De werkloosheid van allochtonen stagneert op een hoog niveau ondanks grote investeringen in het onderwijs om hun marktpositie te verbeteren, positieve actie als 'inhaalbeweging' en bestrijding van discriminatie.

Zes jaar geleden adviseerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) om bedrijven te verplichten hun inspanningen en doelstellingen op dit terrein kenbaar te maken. Dit voorstel haalde het niet. Wel werd vorig jaar de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (WBEAA) van kracht, waarin de registratie van allochtonen verplicht wordt gesteld, teneinde hun werkgelegenheid te kunnen volgen.

Nu blijkt dat werkgevers de uitvoering van de WBEAA saboteren. Het werkgeversverbond VNO meent daarom bij monde van voorzitter Rinnooy Kan te moeten concluderen dat de wet “niet werkt”. De wet zou een “monstrum” zijn, veel geld kosten en niets opleveren.

Degenen die gehouden zijn aan de WBEAA zijn in drie groepen in te delen: 37 procent die de wet uitvoert, 38 procent die de wet vanwege de kostbare administratieve rompslomp niet uitvoert, en 20 procent die principiële bezwaren heeft tegen de wet. Ruim een derde voert de wet uit en wordt kennelijk niet gehinderd door bezwaren van financiële of principiële aard.

De financiële argumentatie van eveneens ruim een derde van de werkgevers doet curieus aan. Zou het gaan om noodlijdende bedrijven? Veeleer lijkt het verzet tegen de uitvoering van de wet voort te komen uit een verschil in prioriteiten: het geld kan worden besteed aan bijvoorbeeld scholing. Zo is het vaak met geld: er kunnen altijd 'leukere dingen' mee gedaan worden dan verplichtingen nakomen.

Het 'principiële' bezwaar geldt de associatie met de jodenvervolging. Daarmee is de benoeming van de etnische achtergrond verworden tot een Hollands taboe, zoals Herman Vuijsje eens opmerkte. Dit taboe zou thans doorwerken bij de registratie van allochtonen en niet bij de vastlegging van andere gegevens, zoals bijvoorbeeld het geslacht. Werkgevers en werknemers (voor het merendeel allochtonen) die menen dat etnische herkomst principieel niets van doen heeft met aanname van personeel, verwoorden een ideële norm: het hóórt zo te zijn. De feitelijke ontwikkelingen doen echter vermoeden dat de norm in de praktijk niet werkt.

De hoge werkloosheid van allochtonen ontstond in eerste instantie door hun kwetsbare economische positie: zij waren geconcentreerd in de lagere regionen van de bedrijfshiërarchie en bovendien ook nog eens in de economisch zwakke sectoren waar de grootste krimp plaatsvond. Economische recessie en de daaropvolgende arbeidsbesparende technische vernieuwingen troffen aldus vooral allochtonen in onevenredige mate.

Men kan erover twisten of allochtonen niet het eerst werden ontslagen. Interessanter is de vraag waarom ondanks het herstel van de economische groei hun hoge werkloosheid weinig veranderde. Wijzen op hun lage opleidingspeil en/of op het geringe aantal banen waar zij kunnen instromen, is een cliché. Niet alleen omdat er betrekkelijk veel hoog opgeleide allochtonen zijn die nauwelijks in- en doorstromen, maar vooral omdat recent onderzoek uitwijst dat in de onderste segmenten van de arbeidsmarkt grote blokkades worden opgeworpen voor allochtonen.

Dat allochtonen op uiteenlopende gronden worden geweerd bij toetreding tot de arbeidsmarkt is sinds het begin van de jaren tachtig genoegzaam gedocumenteerd. Onduidelijk was op welke schaal dit voorkwam en welk deel van de werkloosheid daaraan was te wijten. Een indruk van de hardheid van deze discriminatie geeft het proefschrift van de WRR-econoom Krijn van Beek. Hij stelde vast dat werkgevers in het onderste segment van de arbeidsmarkt een grote voorkeur hebben voor jonge, gezonde, blanke mannen. Het relatieve belang van deze kenmerken bij de aanname van personeel was liefst zeventig procent.

Van Beek ging in zijn onderzoek een stap verder. Hij 'bood' de werkgevers een subsidie aan, wanneer zij een immigrant aannamen. Een subsidie van 600 gulden per maand (dertig procent van het brutoloon in het onderzochte segment) was echter niet voldoende om het 'nadeel' van de afkomst op te heffen.

Gelet op de sterke uitstoot van allochtonen uit het arbeidsbestel en de harde afweer bij hun (her)intrede kan de arbeidsmarkt moeilijk als onproblematisch worden beschouwd. Voor veel allochtonen is de markt het probleem, vooralsnog niet de oplossing. Teneinde dit tij te keren is het noodzakelijk de stromen op de arbeidsmarkt te registreren. De WBEAA is een begin daartoe, zij het een halfslachtig begin.

Het geloof dat bij herstel van de economische groei de werkloosheid (ook van allochtonen) spontaan zal verdwijnen, is de afgelopen tien tot vijftien jaar systematisch gelogenstraft. Toch blijft premier Kok - op weinig eerbiedige afstand gevolgd door Rinnooy Kan - op dit aambeeld hameren. Dit geloof is onder meer gebaseerd op de gedachte dat de markt onpersoonlijk is en zonder aanziens des persoons functioneert. Vooral ten aanzien van de arbeidsmarkt is dit een hardnekkige misvatting: die markt is zeer, zeer persoonlijk.