Stadsbrom

Over 't algemeen schijnt men een mooie zomeravond het mooist te vinden op platteland of open water maar toch heeft ook de grote stad op een warme nacht wel het een en ander te bieden. Zo is er de behaaglijke uitstraling van de muren die overdag zo gloeiend heet werden, het nageuren van het warme asfalt en de zoete geur van huisvuil dat in zijn plastic aan de compostering is begonnen. Het verre gehuil van een zuigeling die de slaap niet vatten kan. Een late fluitketel.

En, na middernacht, de stadsbrom die in de loop van de avond langzaam boven het wegstervende gewone omgevingslawaai ging uitklinken en na enen, als het verkeer is stilgevallen opeens als enig achtergrondgerucht blijkt overgebleven. Totdat de wind opsteekt en lauwe regendroppels naar beneden kletteren. Stadsbrom is zo zwak dat de kleine stem van zachte regen haar moeiteloos overschreeuwt.

Velen is het bestaan van stadsbrom onbekend en velen zullen het ook nooit te horen krijgen. Daar is het middenoor verwoest door walkman of disco of door de stereo-installatie van de auto. De restgroep wordt erop gewezen dat stadsbrom het best is te beluisteren vanuit een openstaand venster op een hoge etage die uitziet op een onverlichte binnentuin waarin zich overigens niets verroert.

Voldoende ver na middernacht, als de tram in de remise is gezet en de trein in een hoek van het station staat bij te komen, als ook de automobilist eindelijk rust heeft gevonden, dan is daar in dat venster een eigenaardig gegons waarneembaar dat nauwelijks voor het gezoem van bijen of het geruis van de branding onderdoet.

De vraag is: waar komt de stadsbrom vandaan en wat zijn de omstandigheden waaronder zij het best is te beluisteren. Daarop is niet zomaar antwoord te krijgen. Prof.dr. M. Minnaert heeft in deel twee van 'De natuurkunde van 't vrije veld' vrijwel àlle bekende geluiden der natuur besproken en daarbij zelfs de modernste transportmiddelen (waaronder stoomsleepboten en elektrische trams) aandacht gegeven, maar het bestaan van stadsbrom is hem niet opgevallen. Omgevingsgeruis: dat is het niet.

Er moest dus op eigen kracht een inventarisatie van mogelijke bronnen worden gemaakt en dat leverde maar een korte lijst op. Wind als verwekker van zwieptonen, eigentrillingen en resonanties en dergelijke moest direct al afvallen omdat stadsbrom juist alleen goed hoorbaar is als wind ontbreekt.

Ook van explosiemotoren, vooral in auto's aan te treffen natuurlijk en tamelijk uitvoerig door Minnaert als bron van geluid geanalyseerd, kan geen belangrijke bijdrage worden verwacht. Na middernacht vinden er binnen de Nederlandse steden nu eenmaal niet veel motorexplosies meer plaats.

Zo komen we op de elektromotoren waaraan Minnaert wonderlijk genoeg voorbijging en waarvan er, tegenwoordig, toch zoveel meer zijn dan explosiemotoren, misschien wel tien keer zoveel. Het gemiddelde gezin beschikt over minstens vijftien, waarschijnlijk wel meer dan twintig elektromotoren en daar zijn heel stevige onder die vrijwel permanent staan bijgeschakeld: de cv-pomp, de afzuiginstallatie, de raamventilator, de pomp in ijskast of diepvries en - last but not least - de motor van de wasmachine die bij voorkeur op goedkope nachtstroom draait. Wat kan de betekenis zijn voor stadsbrom van die miljoenen elektromotoren in een stad als Amsterdam?

't Gaat een beetje tegen de dagelijkse ervaring in, maar erg groot lijkt ook die op het eerste gezicht niet te kunnen zijn. Geen wisselstroommotor die sneller draaien kan dan de frequentie van de wisselstroom waardoor hij wordt aangedreven en in Nederland is 50 Hz (overeenkomend met 3000 rotaties per minuut, de topsnelheid van een centrifuge) dus de bovengrens. De bladen van een driebladige propeller van een raamventilator kunnen daar in principe een toon van 150 Hz van maken (zoals beschreven in de AW over Spitfires van 23 maart) maar daar staat tegenover dat de propeller de motor gewoonlijk zo afremt dat het toerental ver beneden de 3000 rpm blijft. En dat geldt voor àlle belaste elektromotoren, waarvan vele bovendien zelfs onbelast veel minder dan 50 toeren per seconde kunnen maken. De tonen van elektromotoren liggen zo extreem in het spectrum dat een gezond mens kan waarnemen (20 tot 20.000 Hz) dat ze geen bijdrage lijken te kunnen leveren aan stadsbrom.

Dan is meer te verwachten van het verschijnsel magnetostrictie: de vormveranderingen van magnetiseerbare materialen (zoals ijzer) onder invloed van een wisselend magnetisch veld. Magnetostrictie is verantwoordelijk is voor het brommen van klassieke TL-armaturen (met 'ballast') en de mooie zware toon uit het transformatorhuisje: een 100 Hz-toon, want het dubbele van de netfrequentie.

Is stadsbrom een uiting van magnetostrictie? De woordvoerder van de Nederlandse Stichting Geluidhinder in Delft haalt het theorietje onderuit. In de beschouwing is tot dusver geen aandacht besteed aan de 'harmonische boventonen' van in trilling gebrachte voorwerpen. Voorwerpen die in een 50 Hz-trilling zijn gebracht geven, afhankelijk van hun configuratie, ook meer of minder waarneembare tonen af met frequenties die een veelvoud daarvan zijn: 100, 150, 200 Hz enzovoort, in afnemende intensiteit. Er is dus wel degelijk een flinke bijdrage te verwachten van de genoemde elektromoren

Een onderzoeker van TNO's Technisch Physische Dienst heeft nog minder waardering voor de AW-analyses. 'Stadsbrom', als dat al bestaat, is gewoon omgevingsgerucht dat van zeer ver komt. Hoe verder het geluid heeft moeten reizen hoe meer hoge tonen verloren zijn gegaan en daarom is dit zwakke geluid altijd tamelijk breedbandig (dus niet tonaal) en tamelijk laag van toonhoogte. TNO ziet ververwijdere snelwegen en fabrieken als een belangrijke bron.

Als dat juist is, conludeert de AW-redactie, dan moet stadsbrom op verschillende plaatsen in de stad anders klinken. Overheerst in stadsbrom toch de bijdrage van de elektromotoren in de directe omgeving dan is dat in veel mindere mate het geval. Bovendien zou dan in een land als de Verenigde Staten de stadsbrom - gemiddeld - hoger klinken. Daar is de netfrequentie immers 60 Hz.

    • Karel Knip