'Serviërs schenden het oorlogsrecht'

De wijze waarop de Bosnische Serviërs gevangen genomen VN-militairen behandelen gaat in tegen het geldende oorlogsrecht zoals vastgelegd in de Conventie van Genève van 1949 en de aanvullende Protocollen uit 1977, aldus overste Beekman van de Koninklijke Militaire Academie in Breda.

Dat de Bosnische Serviërs geen erkende staat en partij bij de Conventie zijn, maakt dit recht niet irrelevant. De Conventie is niet slechts van toepassing op landen in staat van oorlog maar spreekt van 'strijdende partijen'. Dat betekent, aldus Beekman, dat ook een partij die niet in een staatsvorm is georganiseerd een beroep op de bepalingen kan doen en anderzijds ook geacht kan worden zich aan de Conventie te houden als zij soldaten gevangen neemt.

Op basis van het gewoonterecht, dat volgens de overste echter altijd een element van interpretatie bevat, zouden ook de Bosnische Serviërs zich dus aan de bepalingen voor krijgsgevangenen moeten houden. Als dit niet gebeurt, is er sprake van een oorlogsmisdrijf. Een gevangene dient te worden verwijderd uit een oorlogsgebied. Het vastketenen van een gevangengenomen soldaat aan een militair object is absoluut niet toegestaan omdat hij doelwit wordt.

Het gebruiken van uniformen van de tegenpartij, zoals de Bosnische Serviërs afgelopen weekeinde deden in Sarajevo, wordt in de aanvullende Protocollen uit 1977 expliciet onder de categorie 'perfidie' - trouweloosheid - als oorlogsmisdrijf gecategoriseerd, waarvoor geen enkel excuus mogelijk is.

Voorafgaand aan de behandeling van gevangenen zijn de Bosnische-Serviërs met het gevangennemen van VN-personeel bovendien ingegaan tegen de afspraken waarop de aanwezigheid van de VN is gebaseerd: vredeshandhaving met toestemming van de strijdende partijen in het gebied, aldus Beekman. De VN zijn zelf geen strijdende partij en dus had hun personeel nooit gevangen mogen worden genomen.