Sanering van de Duitse bruinkoolindustrie; Een eigentijds maanlandschap

God heeft de Lausitz geschapen, en de duivel heeft er de kolen in begraven, zo luidt een Oostduits spreekwoord. Iedere bezoeker aan de Lausitz, het bruinkoolgebied in de deelstaat Brandenburg ten zuidoosten van Berlijn, zal dat onmiddellijk beamen. Na de Duitse eenwording in 1989 is een miljardenprogramma op poten gezet om deze vervuilende industrietak te saneren. Hiervoor is in 1990 33,5 miljard D Mark aan de bruinkoolindustrie toegezegd.

Bodemkundigen waarschuwen echter dat de verzurende bodemlagen die aan de oppervlakte komen als het landschap op zijn kop wordt gezet, nog tientallen, zo niet honderden jaren voor problemen zullen zorgen. Pakt men de zaken verkeerd aan, dan ontstaat een woestenij, waarin niets meer wil groeien.

Het hart van de Lausitz is de stad Cottbus, zo'n 150 kilometer ten zuidoosten van Berlijn, niet ver van de Poolse grens. De bruinkool werd hier al in 1789 ontdekt en de eerste winningen dateren van omstreeks 1850. De voorraad bedraagt zo'n 13 miljard ton, uitgesmeerd over een dunne laag, die zich uitstrekt over n 4000 vierkante kilometer. Hiervan denkt de Lausitzer Braunkohle Aktiengesellschaft Laubag, tot het jaar 2030 zo'n 2,7 miljard ton te winnen. De rest is niet rendabel of sociaal acceptabel. De winning is sinds de Wende al met de helft verminderd en bedroeg vorig jaar nog 80 miljoen ton.

De stroomproduktie - die van verre te ruiken is - is in handen van de Verenigde Energiebedrijven (Veag) die het leeuwendeel van de bruinkoolproduktie afneemt. Van de zes elektriciteitscentrales en briketfabrieken in de Lausitz gaan er vier dicht, twee andere worden gerenoveerd om aan de nieuwe milieu-eisen te kunnen voldoen. In 1996 moeten ze ontzwaveld zijn en met stoffilters uitgerust. Verder leidt een hoger rendement naar verhouding tot lagere stikstof- en kooldioxide-emissies.

Van de negen mijnbouwvelden die eind jaren tachtig in bedrijf waren zijn er nog maar vijf over. Er staan in deze regio inmiddels heel wat bedrijfsgebouwen leeg, en ook voor het uitgestrekte Russische kazernecomplex, dat twee jaar geleden werd verlaten, zoekt men nog gegadigden.

Vóór de Duitse eenwording leefden 80.000 mensen van de bruinkool. In 1994 werd de Laubag geprivatiseerd, er staan nu nog maar 12.000 mensen op de loonlijst en rond de eeuwwisseling zullen dat er nog maar 7.000 zijn. De sociale ellende is niet te overzien.

“Ik heb altijd ploegendiensten gedraaid, mijn huishouden gedaan en drie kinderen grootgebracht. Nu zit ik thuis, helemaal afgesneden van de wereld,” verzucht oud-medewerkster Brigitte Münzberg van de 80 jaar oude brikettenfabriek 'Fortschritt' die op 31 maart werd gesloten. Ze hoopt nog in aanmerking te komen voor omscholing.

Laubag produceert niet alleen stroom en briketten, maar levert ook afvalwarmte en bruinkoolstof, een grondstof voor asfalt. “Als men een andere stroombron ontwikkelt, hebben we de bruinkool niet meer nodig, maar voorlopig blijft het een belangrijke economische factor,” stelt waarnemend perschef Heinz Müller. “De vijf nieuwe Bundesländer dragen maar 9 procent bij aan het Bruto Nationaal Produkt van Duitsland en de bruinkool speelt daarbij een sleutelrol. Onze afnemers zitten in heel voormalig Oost-Duitsland, en hier in de regio draait 80 procent van de stroomvoorziening op bruinkool.”

Koolzaad

Voor het jaar 2000 mikt men op een vermogen van 7200 MegaWatt. Alleen al de fabriek in Jänschwalde, de jongste en modernste van de winningen, is goed voor zo'n 3000 MW, voldoende om een stad als Berlijn, met 3,5 miljoen inwoners, van stroom te voorzien. Er staat een woud van elektriciteitsmasten, omringd door knalgeel koolzaad. Volgens Müller heb je zeker 10.000 behoorlijke windmolens nodig om deze ene centrale te vervangen. Eentje hebben ze er uit pr-overwegingen alvast neergezet.

De bruinkool, die de naburige centrale voedt, bevindt zich op 60 tot 80 meter diepte in een betrekkelijk dunne laag van 8 tot 14 meter dik, met een gemiddelde dikte van 12 meter. Deze laag is zo'n 17 miljoen jaar geleden ontstaan uit moerassige plantenlagen in het Tertiair. In het bedrijfsmuseum naast de kantine in Janschwälde liggen de prachtigste gesteenten tentoongesteld, waaronder Gneiss van 2,5 miljard jaar geleden, Stockholmgraniet van 1,7 tot 1,8 miljoen jaar oud en allerlei fossielen. Visseschubben en slakkehuizen, bladeren van eik en linde, trilobieten uit het Siluur en andere getuigen van een ver verleden zijn uit de groeven opgedolven.

De winning geschiedt in dagbouw, in een langgerekte groeve. Reusachtige graafmachines verwijderen de dekzandlaag, waarna de kolen worden opgegraven en 'opzij gelegd' op transportbanden. Tachtig procent van de bruinkool gaat rechtstreeks over deze transportbanden naar de elektriciteitscentrales, waar ze meteen als brandstof dienen om de turbines aan te drijven. Een bruinkoollaag van een meter dik levert per hectare zo'n 140.000 ton kolen op, die zo'n 30 Mark per ton opbrengen. Overigens is bruinkool zeker geen hoogwaardige energiebron. De energie-inhoud bedraagt maar 8650 kJoule per kilo tegen 40.000 Kjoule voor benzine.

Om de bruinkool te delven wordt het landschap eenvoudig 'opgerold'. De Pleistocene zandlaag wordt tientallen meters diep afgegraven. Bossen en natuurgebieden, maar ook complete dorpen zijn de afgelopen 100 jaar in de afgrond verdwenen. Het laatste dorp dat nu nog vogelvrij is verklaard, is het gehucht Hornu, dat 300 zielen telt. De inwoners zijn nog met de Laubag aan het procederen, maar de kans dat zij straks op een eenzaam eiland, vele tientallen meters hoog, hun dagelijks leven zullen kunnen voortzetten temidden van gapende groeven, lijkt niet groot. Bovendien hebben zij het ongeluk op vrij vruchtbare grond te wonen en die kan de maatschappij nu juist prima gebruiken als afdeklaag voor groeven die uiteindelijk na de winning weer worden opgevuld.

Daarna moet men het ontstane maanlandschap opnieuw zien in te richten, wegen en waterwegen aanleggen, reliëf aanbrengen enzovoort. Deze 'Rekultivierung', zoals de Duitsers het noemen, was de afgelopen jaren flink achterop geraakt, alle aandacht ging uit naar een maximale bruinkoolwinning. Inmiddels is hier 74.000 hectare ontgonnen en daarvan is 38.000 hectare gerecultiveerd. Sinds de Wende echter wordt uit het bruinkoolsaneringsfonds 1,5 miljard Mark per jaar besteed om de achterstand in te lopen en de winning meer in overeenstemming te brengen met de recultivering. De kale vlakten zijn erosiegevoelig en veroorzaken zand- en stofstormen op de Autobahn.

Aan de rand van de groeve Jänschswalde geeft technisch medewerkster Astrid Hobracht tekst en uitleg. Zij werkt al sinds 1978 bij Laubag en gaat gretig in op alle vragen. Over dorpen en natuurgebieden die vroeger 'rücksichtslos' werden opgerold en over de omwenteling die heeft plaatsgevonden. “Das klappt jetzt ganz gut”, verzekert ze stralend. Niet alleen is er nu veel meer geld voor milieuzorg, maar ook het krakkemikkige machinepark van Russische makelij is vervangen door spullen van Mercedes, er zijn was- en doucheruimten voor de arbeiders gebouwd evenals een nieuwe kantine.

Voor de winning pompt men eerst het grondwater weg. Omdat het sterk zuur en zeer rijk aan ijzer is moet het uitgebreid worden voorgezuiverd en bekalkt, waarbij de pH wordt opgevoerd van 3 naar 6,5 tot 8. Het riviertje de Spree neemt het kolenwater op. Als het zes weken niet regent, bestaat de Spree, die ook het naburige natuurreservaat Spreewald voedt en als drinkwaterbron voor Berlijn dient, uit louter kolenwater.

Vooral in de jaren zeventig en tachtig, toen de bruinkoolwinning op zijn hoogtepunt was, werd de waterhuishouding sterk beïnvloed. Jaarlijks werd zo'n 1200 miljoen kuub grondwater weggepompt. Dat heeft geresulteerd in een 'gat' in de regionale waterhuishouding van maar liefst 13 miljard kuub. Dit verdrogingsprobleem hoopt men de komende 25 jaar aan te pakken.

Uiteindelijk wordt het opgepompte water weer in de bodem teruggeperst. Men kan de grondwaterspiegel echter maar heel langzaam laten stijgen, in de loop van 15 tot 20 jaar, omdat anders gevaarlijke aardverschuivingen kunnen ontstaan op de steile taluds (1:20). Er wordt springstof gebruikt om de bodem zozeer te verdichten, dat er weer een nieuwe aardlaag kan worden opgebracht. Soms zaait men tussentijds gras of wilde bloemen in, om de verstuiving tegen te gaan en het landschap alvast wat aan te kleden. Pas als het ophogen helemaal klaar is heeft het zin om bomen te planten. Bij Jänschwalde verwacht men de winning in 2017 te sluiten en de recultivering in 2030 te voltooien. Dat laatste kost gemiddeld 20 tot 50.000 gulden per hectare.

Verdroging

Omdat men hier pal tegen de Poolse grens aan zit en de Oosterburen klagen over verdroging van het landschap, zal in het Neissedal tussen 1997 en 2008 een 70 meter diepe wand van bentoniet (een soort waterdichte klei) worden ingegraven die als afscherming moet dienen. De grondwaterspiegel zal dan aan Duitse zijde 10 tot 20 meter lager staan dan aan de Poolse kant van het scherm. Uiteindelijk, als hij niet meer nodig is, kan men deze wand perforeren, zodat het grondwater zijn vrije loop herneemt.

Het weghalen van de circa 12 meter dikke bruinkoollaag resulteert in een aanzienlijke bodemdaling en op den duur lopen de ontstane gaten vol met water. Zo zullen de komende decennia in het gebied zo'n 45 meren ontstaan. Vlakbij de stad Cottbus is een groot meer gepland als natuur- en recreatiegebied. De komende tien jaar gaapt de bodem van het toekomstige meer nog als een open, kale vlakte. Daarna zal het nog zo'n 20 jaar duren voordat het meer geheel is gevuld met een combinatie van grondwater, Spreewater en regenwater. Zou men alleen de ontwateringspompen uitschakelen en de natuurlijke stijging van het grondwater afwachten, dan zou men zeker 60 jaar geduld moeten hebben.

Specialist op het gebied van landschapsherstel is Prof. Dr. Reinhard Hüttl, hoogleraar bodembescherming en recultivering aan de Technische Universiteit van Cottbus. Nadat hij decennia lang heeft gehamerd op de noodzaak tot ecologisch verantwoorde recultivering, beschikt hij plotseling over de financiële middelen om 22 promovendi aan het werk te zetten. Hij bruist dan ook van enthousiasme. Hoe het niet moet was hem in de jaren vijftig al duidelijk geworden. Toen zette de bruinkoolwinning het hele bodemprofiel eenvoudig op zijn kop. De bovenste grondlagen verdwenen in de diepte, de diepste lagen kwamen boven en werden in grote kegels gestort. Daar staan ze dan, omringd door sterk verzuurd water, en vermoedelijk nog honderden jaren onbegroeid. Hüttl: “De verwering van deze geologisch geconditioneerde mineralen heeft rampzalige gevolgen. Het gaat om extreme pyrietafzettingen uit het Tertiair. Als die naar boven worden gehaald en worden bevochtigd, treden bepaalde chemische reacties op, waardoor het milieu sterk verzuurt.”

IJzersulfide (uit het mineraal pyriet) wordt, eenmaal aan de lucht blootgesteld, geoxideerd tot ijzerionen en vrij zwavelzuur. “Als je dat op je kleren morst heb je er zo een gat in”, zegt Hüttl.

Om de verwering van de geologisch geconditioneerde mineralen te voorkomen moet men deze 'kieplagen' isoleren. In een gebied van zo'n 210 vierkante kilometer moet het grondwater worden weggepompt. Een mogelijke herstelmaatregel voor de bovengrond is bekalken. De kalk moet 30 tot 50 centimeter diep in de grond worden gebracht in de hoop dat de aangeplante eiken en dennen daarvan profiteren.

Het pyrietprobleem is typerend voor de in de Lausitz aanwezige bruinkoollagen uit het Mioceen. Elders, in de regio Leipzig, stamt de bruinkoollaag uit het Oligoceen. Deze substraten zijn lang niet zo agressief, ze zijn zwak zuur of zelfs basisch.

Ten zuidwesten van Cottbus, bij het plaatsje Senftenberg, waar de bruinkoolwinning al in 1968 beëindigd werd, kwam men al eerder op het idee om een meer aan te leggen als drinkwateropslag, natuur- en recreatiegebied en kuuroord. Hüttl: “Een naburig riviertje werd omgeleid en na zes tot zeven jaar was het meer volgelopen. Inmiddels zijn we 20 jaar verder, maar nog altijd moet men het meer bekalken. Zodra men daarmee stopt of de toevoer van het rivierwater stillegt, zie je het meer meteen weer verzuren.”

Groot probleem is bovendien de stroperige bodem. Dit drijfzand is vooral voor kinderen levensgevaarlijk. Verder kan het aanwezige ijzer voor een flinterdun roestbruin vliesje op het oppervlaktewater zorgen. Insekten kunnen niet meer aan het wateroppervlak leven, waardoor ook kikkers en jonge vogels niet meer aan de kost komen. Op al deze terreinen zijn inmiddels onderzoeksprojecten van start gegaan.

Hüttl: “Het kost 20 tot 30 jaar om die bruinkool uit de grond te halen, maar daarna zitten nog vele generaties na ons opgezadeld met een groot ecologisch probleem.”