Opvang oorlogswezen in grote weeshuizen pakt goed uit

Oorlogen, hongersnoden en natuurrampen hebben bijna onveranderlijk tot gevolg dat grote aantallen kinderen wees worden of het contact met hun ouders kwijtraken. Volgens schattingen gebeurde dit met dertien miljoen kinderen in de Tweede Wereldoorlog. Tegenwoordig doen de grootste problemen zich voor in ontwikkelingslanden.

Hoe moeten de ontheemde kinderen worden opgevangen? Volgens de Amerikaanse kinderpsychiater Peter Wolff (Journal of Child Psychology and Psychiatry, Vol. 36, p633-644, 1995) wordt adoptie of opvang in pleeggezinnen gezien als de enige humane oplossing. In ontwikkelingslanden is dit echter meestal niet haalbaar. Kinderen die niet aan hun lot worden overgelaten, komen terecht in massale weeshuizen, waarvan bekend is dat ze de lichamelijke, emotionele, sociale en intellectuele ontwikkeling ernstig kunnen schaden. Het Solomuna Weeshuis in Eritrea vormde in het midden van de jaren tachtig geen uitzondering op deze regel. De weinige volwassenen in het weeshuis hadden hun handen vol aan taken als het halen van brandhout en water, koken en het beschermen van de kinderen tegen het voortdurende oorlogsgeweld. Bovendien wisselden de verzorgers vaak, zodat de kinderen geen enkele vastigheid hadden. Het was dan ook geen verrassing dat tijdens wetenschappelijk onderzoek werd gevonden dat de jonge wezen alles behalve floreerden.

De Eritrese overheid begon daarom op advies van psychologen het weeshuis te hervormen. De vier- tot zevenjarige kinderen werden voortaan ondergebracht in slaaphuizen voor maximaal tien kinderen die bemand werden door een vaste 'surrogaat moeder' en twee 'hulpmoeders'. Al deze 'moeders' waren uitgezocht op grond van hun opvoedkundige kwaliteiten en kregen een cursus over de ontwikkeling van kinderen.

Ondertussen duurde de afscheidingsoorlog met Ethiopië echter voort en daardoor bleven de leefomstandigheden in het weeshuis zeer problematisch. Toch ontstaat een opvallend positief beeld, wanneer in 1990 de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van nieuw aangekomen wezen wordt getest. De weeskinderen verschillen nauwelijks van Eritrese kinderen die met hun ouders in een vluchtelingenkamp wonen. Ze plassen alleen wat vaker in bed en vertonen iets meer agressief gedrag. Daar staat tegenover dat zij verder zijn in hun verstandelijke ontwikkeling en een iets betere taalbeheersing hebben.

Wolff concludeert dat een enthousiaste staf en een kindgerichte werkwijze een overbezet en armoedig weeshuis kan veranderen in een plaats waar kinderen redelijk goed kunnen opgroeien. De gunstige resultaten sluiten aan bij onderzoek in Westerse landen. Kinderen beschikken veelal over voldoende veerkracht om het verlies van hun ouders te boven te komen, maar sommige wezen worden het slachtoffer van een opeenstapeling van moeilijkheden in de periode na de dood van hun ouders.