Opera Esmée is meer boodschap dan drama

Voorstelling: Esmée, een opera van Theo Loevendie en Jan Blokker. Door het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Friedemann Layer. Met: Jeanne Piland, Michael Myers, Marie Angel, Christoph Homberger, e.a. Regie/ decors/ kostuums: Herbert Wernicke. Gezien: 31/5, Theater Carré in Amsterdam. Herhaling: 2, 4, 6 en 8/6 Carré; 29 en 30/6 Deutsche Oper Berlin.

De wereldpremière van de opera Esmée, het verhaal van een verzetsstrijdster die ten onder gaat aan non-conformisme, van componist Theo Loevendie en librettist Jan Blokker, in een enscenering van de vermaarde Duitse regisseur Herbert Wernicke, in het sfeervolle Theater Carré. Op papier leek de opening gisteravond van het Holland Festival 1995, bijgewoond door koningin Beatrix en prins Claus, burgemeester Patijn, premier Kok en een groot aantal leden van zijn kabinet, diverse Kamerleden en andere hoogwaardigheidsbekleders, te kunnen leiden tot een geniale voorstelling. Maar helaas, het pakte anders uit.

Het verhaal van de frivole Amsterdamse Esmée van Eeghen had alles in zich voor een groots en meeslepend drama. Ze was 'jong èn mooi èn vrouw', zoals Blokker schrijft, kwam in het begin van de oorlog in het gereformeerde Friese verzet terecht, maar moest haar verliefdheid op een Duitse Wehrmachtofficier uiteindelijk met de dood bekopen. Dit verhaal hoefde eigenlijk alleen maar verteld te worden en je had een pracht van een opera. Librettist Jan Blokker deed dat echter niet. Hij liet de feiten voor wat ze waren - op zichzelf terecht, want het gaat hier niet om een documentaire maar om drama - en veralgemeende het verhaal tot het gevecht van een individu tegen de gemeenschap.

Blokker laat in het midden wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor de dood van Esmée; regisseur Wernicke bedacht dat alle vier mannelijke hoofdpersonen maar het beste gelijktijdig het fatale schot konden lossen. Verzet en nazi's verschillen in de optiek van Blokker en Wernicke niet zo heel erg van elkaar. Esmée stierf vooral door jaloezie - van mannen die haar niet in de buurt van andere mannen wilden zien, van vrouwen die haar sowieso niet bij mannen wilden zien en van mannen en vrouwen samen die niets moesten hebben van haar eigenzinnigheid.

Ook bij Loevendie zijn nazi's en verzet de keerzijde van dezelfde medaille: de noten waarop de passages over het verzet zijn gebaseerd vormen een soort omkering van de noten die horen bij de nazi's, schrijft hij in de toelichting. Dat moet je wel weten, want horen doe je het, althans na één keer luisteren, niet.

Het libretto lijdt ernstig onder deze wil om iets te betekenen. Het drama is geabstraheerd tot een boodschap. De personages zijn, op Esmée na, levenloze poppetjes, clichés van de stijle verzetsleider, de meedogenloze politieman, de jaloerse verraadster, enzovoort.

De enscenering van Wernicke, in Nederland vooral bekend door zijn ingenieuze Blauwbaard bij De Nederlandse Opera, draagt niet bij tot verlevendiging, in tegendeel. Het enorme, knalrode, gebroken hakenkruis dat in Carré lijkt te zijn neergeploft, half op het podium, half tussen het orkest, is een vondst. Maar als die vondst na een kwartier is uitgewerkt, is het vooral een onding, eigenlijk alleen maar een kale, schuinoplopende speelvloer. Zeker omdat met de belichting over het algemeen niet veel meer wordt gedaan dan een beetje meer rood of een beetje meer bleek.

De barscène, die zich afspeelt in een hoekje waar een piano staat, komt bijna als een verademing, hoe weinig er ook dan verder gebeurt. Met een eenvoudige voorschoot is van de barman een echte cafébaas gemaakt - zoals de verzetsstrijders herkenbaar zijn aan hun petjes en de militairen aan hun helm, maar verder dragen ze allen gewoon een keurig pak.

Erger is nog dat door de vormgeving, waarbij de zangers om het prominent aanwezige orkest heen staan te zingen, de (Nederlandse, Duitse en Engelse) teksten op een enkel zinnetje na volkomen onverstaanbaar zijn. Soms ligt dat ook wel een beetje aan de zangers zelf, zoals aan Michael Myers, die niet erg overtuigt als gemene politieagent, en aan Christoph Homberger, een aarzelende Max (vriend van Esmée).

Maar ook de uitstekend acterende en krachtig zingende kastelein (Lieuwe Visser), de dellerige verraadster Ingrid (Marie Angel, met een stem als een scheermes, die eerder dit seizoen een hoofdrol vertolkte in Louis Andriessens Rosa), de 'goede' Duitser Dieter (Tomas Möwes, stevige bariton) en de stijle verzetsman Johannes (fraaie rol van Henk Smit) zijn uiterst moeizaam te volgen.

En Esmée zelf? De Amerikaanse Jeanne Piland, een hoge mezzo-sopraan, heeft het juiste sensuele stemgeluid, maar dat geluid komt pas goed tot zijn recht in de meer bespiegelende, introverte passages aan het eind als ze eenmaal haar lot onder ogen ziet. Ze heeft meer moeite met de uitbeelding van de daadkrachtige vrouw die iedere man om haar vinger weet te winden. En haar Nederlands klinkt, net als trouwens dat van Christoph Homberger (Max), een stuk buitenlandser dan haar Duits en Engels.

Loevendie gebruikt voor zijn muziek een breed orkestraal palet - nauwkeurig gespeeld door het Radio Filharmonisch Orkest, maar door dirigent Friedemann Layer (was er nou niemand anders te vinden voor zo'n belangrijk evenement?) met weinig geestdrift geleid. Maar ook hier wreekt zich het gebrek aan dramatische ontwikkeling. Het quasi-liedrecital waarmee de opera begint en eindigt (waardoor het een soort raamvertelling wordt, vanuit een hedendaags perspectief) is met zijn subtiele verwijzingen naar de 19de-eeuwse muziek briljant, ook de daaropvolgende aanzet tot een wals klinkt weldadig. En de eerste keer dat een gestopte, schreeuwerige trompet en andere koperblazers de slechteriken begeleiden, word je lekker meegesleept.

Maar na een tijdje worden de instrumentale typeringen net zo voorspelbaar en soms zelfs wat gemakzuchtig als de karakters waar ze bijhoren. Gelukkig blijft er in de orkestratie wel wat te genieten over - vooral als Loevendie het opsplitst in delen. Zoals het verstilde kinderliedje dat Esmée voor Max zingt (op de prachtige tekst: 'Het meisje had geen ouders meer,/ geen broertje en geen zusje,/ dus gaf ze voor ze slapen ging/ aan haar pistool een kusje'), het gebruik van een lyrisch salonmuziekje, door de barpianist en een violist op het podium, in wisselwerking met het grote orkest, bij de eerste ontmoeting van Esmée en de Duitse officier, de hakkerige ritmiek bij de eerste ontmoeting met het Friese verzet en de lange stilte als de verzetsleider voor het eerst openlijk twijfelt aan Esmée.

Pas als Esmée beseft dat er voor haar geen terug meer mogelijk is, wordt de muziek echt dramatisch en toont Loevendie zich eindelijk de operacomponist die hij is, zoals hij precies tien jaar geleden in dezelfde zaal bewees met Naïma, en een paar jaar geleden met de kameropera Gassir, the Hero. De eerdere muzikale elementen komen bijna allemaal terug, maar nu in verhevigde vorm. Zoals het langdurige, kale slagwerk in de achtste scène, dat wordt gevolgd door een opeenstapeling van trompetten, trombones en ander koper. En de muzikaal met vol orkest onderbouwde schoten, uit vier pistolen tegelijk, die Esmée ten slotte doden - waarna achter het podium het kille licht van de tl-buizen ontnuchterend werkt.

Dat laatste is misschien een mooi, onderkoeld dramatisch effect. Maar toch is het de vraag wat sterker werkt: één kogel uit vier pistolen, zoals in deze opera, of dertien kogels uit één pistool, zoals het gebeurd is in de werkelijkheid.