Natuurbeheer als melkkoe

Kan de bescherming van landschap en milieu aan boeren worden overgelaten? Veel boeren menen van wel, maar organisaties als het Wereldnatuurfonds en Natuurmonumenten zien niets in het 'agrarisch natuurbeheer'.

Een moderne landbouw kan goed samengaan met een aantrekkelijk landschap en een rijke natuur, vindt veehouder Pieter de Jong in het Friese Eastermar. De streek waarin hij woont, de Friese Wouden ten oosten van Leeuwarden, is daarvan het bewijs. Het is een van de best bewaarde coulissenlandschappen van Nederland met percelen van gemiddeld slechts 1,8 hectare, die van elkaar gescheiden zijn door zogenaamde dykswâlen en elzensingels. Dykswâlen zijn aarden ruggen van anderhalve meter hoog die eeuwen geleden werden opgeworpen en beplant met eikenhakhout. Ze zijn te vinden op de hogere zandgronden en uniek in Europa. De elzensingels staan op de lager gelegen gronden langs de ontwateringsloten. Die komen uit in het Bergumermeer en de Leijen, waarlangs zich botanisch rijke schraalgraslanden en rietvelden bevinden. Het gebied is rijk aan weidevogels en wild. Doordat er veel dobbes (grote kuilen die vroeger gegraven zijn voor het drenken van het vee) bewaard zijn gebleven, zitten er ook veel kikkers en salamanders.

Ondanks de hoge natuur- en landschapswaarden floreert hier de landbouw. Dertig veehouders verdienen er een goed inkomen met een melkquotum van zo'n 450.000 kilo, wat boven het landelijk gemiddelde ligt. Slechts 11 procent van de bedrijven heeft geen opvolger. De Jong heeft 100 koeien, 66 hectare grond, een melkquotum van 600.000 kilo en twee zonen die boer willen worden.

De rijksoverheid dreigde het evenwicht tussen landbouw en natuur te verstoren met de zogenaamde Ecologische Richtlijn. Daarmee wilde men zuurgevoelige landschapselementen als houtwallen en elzensingels beschermen tegen de ammoniakuitstoot. Toepassing van de Ecologische Richtlijn zou de verdere ontwikkeling van de landbouw onmogelijk maken omdat de houtwallen en elzensingels vlakbij de stallen liggen. De boeren in Eastermar voelden zich gestraft voor hun goede gedrag.

De Jong: 'Wij vonden de Ecologische Richtlijn onrechtvaardig. Boeren die in het verleden houtwallen hebben gerooid, kunnen wel vergunningen krijgen voor uitbreidingen. Als je ze hebt laten staan en goed onderhouden, zoals wij, kan dat niet. Volgens de Ecologische Richtlijn zou een collega van mij nog maar één koe en twee pinken mogen houden.' In 1992 hebben de boeren de Vereniging Eastermar's Lânsdouwe opgericht, die zich bezighoudt met natuur- en landschapsonderhoud. Vice-voorzitter De Jong: 'Wij hebben gedaan gekregen dat de Ecologische Richtlijn niet wordt toegepast mits wij ervoor instaan dat het landschap behouden blijft en onderhouden wordt. Wij willen precies hetzelfde bereiken als de Ecologische Richtlijn, alleen op een andere manier.' Zijn vereniging kreeg van het ministerie van VROM subsidie om een plan uit te werken. Inmiddels is er ook een Plan van Aanpak opgesteld dat in maart van dit jaar gehonoreerd werd. Tegelijk met Eastermar worden vier vergelijkbare experimenten in de Achterhoek, Friesland, het Westland en de Peel uitgevoerd. Door een ontheffing van milieumaatregelen kan men onderzoeken hoe de officiële doelstellingen op het gebied van milieu, natuur en landschap kunnen worden bereikt op een manier die boeren minder beperkingen oplegt.

Nieuwe trend

Agrarisch natuurbeheer, waarbij de boeren zelf een actieve rol spelen, is de nieuwe trend. In veel streken verzetten de boeren zich tegen de grootschalige grondaankopen door de overheid en het in beheer geven van die gronden aan Staatsbosbeheer, de Provinciale Landschappen en Natuurmonumenten, door hen wel 'de nieuwe grondbaronnen' genoemd. De boeren claimen dat zij die gronden net zo goed en goedkoop zelf kunnen beheren. Natuurproduktie zien ze als een nieuwe bron van inkomsten, nu de maatschappij geen behoefte blijkt te hebben aan nog meer melk of graan en de subsidiëring van landbouwoverschotten ten einde loopt. Volgens de nieuwe Prioriteitennota van minister Van Aartsen moeten de boeren immers marktgerichter produceren. De mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer wil hij verruimen.

De Jong haalt er een substantieel deel van zijn inkomen uit. Voor ruim 20 hectare heeft hij met de overheid overeenkomsten afgesloten voor weidevogelbeheer en het onderhoud van dykswâlen, bloemrijke slootkanten en dobbes. Hij schat dat hij daar jaarlijks 25.000 gulden voor betaald krijgt. Omdat een deel daarvan bedoeld is als compensatie voor produktieverliezen (weidevogelbeheer betekent later maaien en dus minder hooi; slootkantenbeheer impliceert minder of geen bemesting en dus minder gras), bedragen zijn werkelijke verdiensten zo'n 15.000 gulden. Dankzij deze extra inkomsten hoopt hij een levensvatbaar bedrijf te kunnen overdragen aan zijn twee zonen. De landbouwschool en het landbouwbeleid hadden van De Jong een echte produktieboer gemaakt, maar inmiddels heeft hij veel aardigheid gekregen in natuurbeheer. 'Dankzij de natuurbeschermers' heeft hij oog gekregen voor de natuur. Trots laat hij zien welke natuurwaarden hij op zijn bedrijf behouden heeft en hoe hij die nog zou kunnen vergroten.

De natuurbeschermingsorganisaties staan gereserveerd tot afwijzend tegenover agrarisch natuurbeheer. De voorzitter van het Wereldnatuurfonds, ex-milieuminister Ed Nijpels, noemde agrarisch natuurbeheer vorig najaar een 'financieel worstje' dat de overheid de boeren voorhoudt en dat past in een politiek van 'pappen en nathouden'. Dat zijn partijgenoot minister Van Aartsen agrarisch natuurbeheer in zijn begroting 'goedkoop en effectief' noemde, was volgens Nijpels 'ronduit misleidend'.

Het Wereldnatuurfonds liet vorig jaar twee studies uitvoeren, naar de kosten en de effectiviteit van het natuurbeheer. De kosten van aankoop en beheer door organisaties als Natuurmonumenten werden vergeleken met die van de beheersvergoedingen aan boeren. De aankoopstrategie bleek de eerste 33 tot 39 jaar duurder, maar na 45 tot 67 jaar duiken de cumulatieve kosten onder de uitgaven voor beheersovereenkomsten met boeren. Na die tijd wordt er winst gemaakt en zijn de aanvankelijke meerkosten terugverdiend. Het onderzoek naar de effecten van verschillende beheersvormen liet zien dat passief en licht beheer (waar boeren een voorkeur voor hebben) nauwelijks of geen rendement oplevert. Zwaar beheer en reservaatsbeheer heeft een positievere invloed.

Aankoopstrategie

Het Wereldnatuurfonds en Natuurmonumenten vinden daarom dat doorgegaan moet worden met de aankoopstrategie. Leen de Jong van het Wereldnatuurfonds: 'Voor soorten en ecosystemen waar het op aan komt, heb je niets aan agrarisch natuurbeheer. Alleen niet-bedreigde, algemene soorten profiteren ervan.' Dat vindt hij 'mooi meegenomen', maar de biodiversiteit is er volgens hem niet mee gediend en natuurlijke ecosystemen kunnen er niet mee worden gered.

Volgens Klaas Voetberg en Jan Gorter van Natuurmonumenten is aankoop de beste garantie voor continuïteit. Boeren sluiten beheersovereenkomsten voor zes jaar en zijn dan vrij om deze al dan niet te verlengen. Resultaten kunnen dan verloren gaan, zeggen zij. Bovendien staat de agrarische produktie bij boeren altijd op de eerste plaats en missen zij de deskundigheid voor het beheer van ecosystemen. Ze zijn bang dat 'er scholeksters komen in plaats van lepelaars en tureluurs en madeliefjes in plaats van orchideeën'. De natuur oogt dan wel aardig, maar is achteruitgegaan.

Pieter de Jong is het hiermee niet eens: 'De overheid sluit contracten voor zes jaar, maar ik wil best een beheersovereenkomst afsluiten voor bijvoorbeeld 25 jaar. En wat de ecosystemen betreft: laat overheid en natuurbeschermers maar zeggen wat ze willen en langs welke weg wij dat kunnen bereiken. Zij laten het werk ook uitvoeren door employées en loonwerkers. Wij hebben het voordeel dat we dichtbij de natuurgebieden wonen en flexibeler met onze tijd kunnen omgaan. Als het pas om 11 uur droog wordt, hoef ik de tijd tussen 8 en 11 niet vergoed te krijgen. Ik doe dan ander werk, de natuurbeheerder komt van ver en kan moeilijker iets anders verzinnen. Bovendien kunnen wij het eindprodukt, bijvoorbeeld gemaaid gras dat in het kader van verschralingsbeheer afgevoerd moet worden, veel makkelijker integreren in onze bedrijfsvoering. Staatsbosbeheer moet het verbranden, composteren of ergens zien kwijt te raken. Ik kan het altijd wel ergens gebruiken, in de stal of als voer voor jongvee en droogstaande koeien die geen eiwitrijk gras nodig hebben. Het gaat er mij om dat de gelden voor natuurbeheer aan de plaatselijke bevolking ten goede komen en dat de plattelandsvernieuwing zo gestalte krijgt.'