Merkwaardige kanaalresten

Bij het stadje Suez mondt, behalve het zoutwaterkanaal dat de twee zeeën verbindt, in de Rode Zee ook een smal, 17 meter breed en 2,25 meter diep zoetwaterkanaal uit, dat water van de Nijl aanbrengt via de Wadi Tumilat, die bij Ismaïlia uitmondt. Het kanaal vertakt zich daar en zet zich voort naar het zuiden met een arm die ongeveer evenwijdig met het scheepvaartkanaal langs de westelijke oever van de Bittermeren naar Suez loopt.

De watervoorziening van die stad en van de duizenden arbeiders die in 1859 begonnen met het graven van het scheepvaartkanaal was een groot probleem voordat dit zoetwaterkanaal in 1863 was voltooid. De ingenieur Conrad, die als voorzitter van de Internationale Suezkanaal Commissie het stadje Suez in 1855 bezocht schreef: 'In den omtrek van Suez is alles woestijn, er groeit niets; er zijn verscheidene mensen in Suez die nog nooit een boom hebben gezien. Alles moet van Caïro of van elders worden aangebragt.'

In de klassieke Oudheid was de scheepvaartverbinding tussen de Nijl en de Rode Zee er een die door middel van een zoetwaterkanaal plaats vond, ongeveer volgens het tracé van het moderne zoetwaterkanaal; op enkele plaatsen is zelfs bij de aanleg van dit moderne kanaal gebruikt gemaakt van de resten van het oude. Er was dus in de Oudheid geen afzonderlijk kanaal voor de aanvoer van het Nijlwater nodig. De zorg die men in Suez toen wel had, was dat het zeewater zich met het zoetwater zou kunnen vermengen voor het de stad bereikte.

De resten van het oude kanaal werden in het begin van de jaren 20 van onze eeuw nauwkeurig bestudeerd en in kaart gebracht door de Franse luitenant-ter-zee Claude Bourdon, die dit vastlegde in een boek over de geschiedenis van het oude kanaal dat in 1925 uitkwam, maar dat helaas niet de aandacht trok die het verdiende. Misschien was dit te wijten aan het feit dat het een kostbaar werk was dat in een kleine oplage in Kaïro verscheen.

Het tracé van het oude kanaal tussen de Bittermeren en Suez zoals Bourdon dit beschrijft, is redelijk te volgen in het landschap doordat er hier en daar nog kanaaldijken te zien zijn en doordat op sommige plaatsen waar dat niet het geval is, het wordt gemarkeerd door een zone van zwart Nijlslib waarin tuinen zijn aangelegd. De monding ligt tussen twee ruïneheuvels, de Tell el-Hadji en de Tell Jehudieh iets ten oosten van Suez, een paar honderd meter van de doorwaadbare plaats in de vroegere pelgrimsweg naar Mekka. Er staat water tussen de sterk beschadigde kademuren die uit buitengewoon hard beton zijn vervaardigd. Hun configuratie is merkwaardig en suggereert sterk dat het hier om de resten van een sluis gaat. De beschrijving die Bourdon er van geeft wordt hier vrij uitvoerig aangehaald omdat ze vrijwel onbekend schijnt te zijn.

Het kanaal, dat daar 24 meter breed is, verwijdt zich geleidelijk over een afstand van 210 meter om tenslotte over te gaan in een bassin van 50 meter breedte en 200 meter lengte, gevolgd door een geleidelijke vernauwing over 80 meter tot een breedte van 20 meter. Daarna volgt een vernauwing door naar voren springende brede muren, die de doorvaartbreedte reduceren tot 8,5 meter. Een tweede vernauwing van dit type tot 9 meter volgt 54 meter verder; tussen de twee ligt een bassin van 20 meter breed. Zoals Bourdon opmerkt, is het vrijwel onmogelijk hierin iets anders te zien dan de resten van een schutsluis met twee deuren, met daarvoor een bassin waar schepen konden wachten tot het hun beurt was geschut te worden. Er is geen reden deze interpretatie te betwijfelen; het gaat hier om de resten van de eerste schutsluis in de geschiedenis. Verder is het duidelijk dat op deze wijze een vermenging van het zoete water in het kanaal met het zoute water van de Rode Zee effectief kon worden voorkomen.

De resten van een ander kanaal kwamen twintig jaar geleden in het nieuws door een publicatie van een ploegje Israelische archaeologen die hun waarnemingen verrichtten tijdens de bezetting van de Sinaï. Van het abrupte einde bovenop een duin bij Ismaïlia, slingerde dit kanaal, waarvan dit deel overigens al in 1872-73 door Linant de Bellefonds was beschreven, zich met grote kronkels in ongeveer noord-noordwestelijke richting om tenslotte juist ten westen van de resten van Pelusium, Tell el-Farama, te eindigen op de plaats van de kustlijn van ongeveer AD 25 (± 90 jaar), een datum die werd vastgelegd met behulp van C-14 analyse. Het kanaal, dat we in het volgende als het 'kanaal van Pelusium' zullen aanduiden, is merkwaardig omdat het aan de zuidzijde onafgemaakt abrupt eindigt boven op een duin, ongeveer anderhalve kilometer ten noorden van de oever van het meer van Timsah. De bodem van het kanaal is ongeveer 40 meter breed, en bevindt zich 14 meter boven het niveau van de Middellandse Zee. Enkele honderden meters voor de uitmonding van het kanaal in de Middellandse Zee wordt het tracé doorsneden door die van de meest oostelijke oude Pelusische Nijlarm, die nu geen water meer draagt.

Het nieuwe was de ontdekking van het tracé bij de monding; de rest was al veel langer bekend. Er is reden voor het vermoeden dat het hier om een kanaal gaat dat niet alleen als scheepvaartweg was bedoeld, maar ook als grensafscheiding. Het is mogelijk afgebeeld in een reliëf in de tempel van Ammon te Karnak dat koning Sethos I (die regeerde van 1294-1279 v. Chr.) weergeeft. Sethos keert hierop terug (in triomf, uiteraard) van een veldtocht in 'Azië'. dat wil zeggen het gebied ten oosten van Egypte, over een door een fort beveiligde brug over een water dat wemelt van de krokodillen. Volgens de begeleidende tekstinscriptie gaat het hier om een kanaal met de naam Ta Denit, het 'Scheidende Water'.

Zelfs als deze identificatie juist is, moet natuurlijk wel opgemerkt worden dat het zuidelijke einde van dit kanaal, dat zover boven zeeniveau lag dat in ieder geval de bodem droog was, toch niet een erg goede grensafscheiding kan zijn geweest. De hoogte waarop dit kanaal eindigt, duidt er op dat dit het gevolg van een fout in de waterpassing is. Het is niet goed mogelijk dat het kanaal verder uitgegraven had moeten worden beneden zeeniveau, zoals onderzocht door Linant de Bellefonds, of dat het via Wadi Tumilat met Nijlwater gevoed had kunnen worden, zoals door Aly Shaffey (1946) werd vastgesteld.

Over blijft de mogelijkheid van een fout in de waterpassing bij de aanleg van het kanaal van Pelusium, een mogelijkheid die, zoals uit het volgende duidelijk zal worden, niet onwaarschijnlijk is, en die toegeschreven kan worden aan een fysisch-optisch effect, de 'straalkromming'. Deze wordt veroorzaakt door dichtheidsgradiënten in de atmosfeer, die kunnen ontstaan door temperatuurverschillen tussen het aardoppervlak en de lucht daar boven. Lichtstralen, die zich normaal voortplanten langs rechte lijnen, kunnen dat dan gaan doen langs gekromde banen, vandaar de naam 'straalkromming'. Een door ons waargenomen lichtstraal die min of meer parallel loopt met de bodem buigt af, hetzij naar boven, hetzij naar onder zoals door Minnaert wordt uitgelegd in zijn bekende 'Natuurkunde van het vrije veld'. Is het aardoppervlak relatief warm ten opzichte van de lucht, dan wordt een lichtstraal naar boven gekromd, is het aardoppervlak daarentegen kouder dan de lucht, dan kromt de lichtstraal zich naar onder.

Bij het bepalen van hoogteverschillen in een terrein kan dit tot foutieve metingen leiden, daar voorwerpen in een koude lucht boven een warm oppervlak te laag worden waargenomen, en die in een warme lucht boven een koud oppervlak te hoog. Over een afstand van een kilometer kan een dergelijke hoogtefout gemakkelijk een meter of meer bedragen. Het is goed denkbaar dat de bodem van het eind van het kanaal van Pelusium bij het optisch waterpassen door landmeters in de Oudheid als onder het niveau van de Middellandse Zee werd bepaald, al lag hij er in werkelijkheid 14 meter boven.

Niet bekend

De gang van zaken laat zich als volgt reconstrueren: toen het kanaal van Pelusium werd gegraven stond het Timsahmeer niet in verbinding met het Nijl-Suez kanaal; het was daardoor geheel opgedroogd, zoals het ook was toen het moderne Suezkanaal werd aangelegd. Toen het eind van het kanaal van Pelusium in de buurt van het Timsahmeer was gekomen, werd de verbinding met het Nijl-Suezkanaal doorgegraven en toen het meer zich daarna vulde, kwam de fout in de waterpassing aan het licht. Het kanaal van Pelusium kon niet via het Timsahmeer worden verbonden met het kanaal naar Suez.