'Men ziet ons nog steeds als reservespeler'

Het imago van Roemenië is nog steeds niet dat van een land dat onbelemmerd hervormt en democratiseert. Dat komt door de problemen van de minderheden en de rol die extremistische partijen spelen in de Roemeense coalitieregering. Een gesprek met TEODOR MELESCANU, minister van buitenlandse zaken.

Twee jaar geleden vroeg ik u naar uw ergste hoofdpijn. U zei toen: het imago van Roemenië. Hoe staat het nu met uw hoofdpijn?

“Die is nog steeds een probleem, maar de zaken gaan wel beter. Het imago verbetert. Maar we liggen nog achter. We betalen nog steeds de prijs voor het soort verandering dat we [na 1989] in Roemenië hebben meegemaakt. In de internationale media spelen we nog de rol van reservespeler.”

Ik heb de indruk dat de redenen zijn veranderd: niet meer de mijnwerkersrellen of de onlusten van Tîrgu Mures spelen een rol, maar de kwestie van de Hongaarse minderheid en de samenwerking van de regerende sociaal-democraten met drie extremistische partijen: de PUNR [Partij van Nationale Eenheid van de Roemenen, extreem nationalistisch], de PSM [Socialistische Partij van de Arbeid, communistisch] en de PMR [Partij van Groot-Roemenië, anti-semitisch en extreem-nationalistisch].

“Het probleem van de minderheden wordt inderdaad als iets negatiefs gezien. We zijn niet in staat duidelijk te maken dat we Europese standaarden aanhouden. Organisaties als de Raad van Europa en de Hoge Commissaris van de Minderheden van de OVSE kennen die werkelijkheid wel, maar bij de media ligt dat moeilijker, want een 'geval' is voor de media al gauw 'algemene praktijk'. Als een Roemeen wordt ontslagen, maakt dat deel uit van de economische ontwikkeling. Als een zigeuner of homoseksueel wordt ontslagen wordt geklaagd over andere redenen.

En wat die extremistische partijen betreft, Roemenië heeft nog geen gevestigde partijen. Dat proces is nog gaande. Wij hebben geen lange politieke ervaring. Als je hier zegt: ik ben een christen-democraat, weet iedereen wat je bedoelt. Bij ons niet. Bovendien - voor jullie is er de verleiding om een kwaliteitsetiket te plakken op wat een lid of leider van een partij zegt. Als [de Hongaarse bisschop-politicus] Tökés iets zegt, zeggen jullie dat zijn UDMR [Democratische Unie van Hongaren in Roemenië, de partij van de Hongaarse minderheid, PM] extremistisch is - wat ze niet is, en als [PUNR-leider] Funar iets roept vinden jullie de PUNR extremistisch. Dat zeg je dan op basis van je eigen ervaring in een ontwikkelde democratische samenleving.

Dat we met die partijen regeren is nu eenmaal een consequentie van de verkiezingen van 1992. We konden niet anders, er waren geen coalitie-alternatieven. Je hebt vijanden, dodelijke vijanden en coalitiepartners, zeg je toch? Alles bij elkaar hebben we het er eigenlijk best goed van af gebracht.''

Vormen volgens u PUNR, PSM en PMR een gevaar voor de Roemeense weg naar Europa?

“Nee - de Europese integratie is een zaak van nationale consensus.”

Zelfs bij de PSM??

“Jawel. De PSM heeft alleen bezwaar tegen militaire integratie, en dan nog alleen tegen de aanwezigheid van buitenlandse troepen in Roemenië. Verder steunt ook die partij de integratie. Net als de bevolking: volgens peilingen staat 83 procent er achter.

Terug naar de minderheden. Een basisakkoord met Hongarije is er na vier jaar onderhandelen nog steeds niet.

“Het is zo goed als rond.”

Dat hoor ik al heel lang. Het laatste stukje hangt op de paragraaf over de Hongaarse minderheid, en die is kennelijk héél moeilijk.

“Het gaat om de interpretatie. We moeten gevoeligheden vermijden. Maar vergeet niet: dat verdrag valt niet in een vacuüm, de relaties met Hongarije zijn voortreffelijk, hartelijk zelfs, economisch, politiek, militair.”

Des te vreemder is het uitblijven van dat verdrag.

“Dat is een simplistische opvatting. Het gaat niet om het verdrag op zich. Het is geen must. Belangrijk is dat het de betrekkingen beïnvloedt. Een te snel getekend verdrag leidt tot onenigheid en dat is erger dan géén verdrag te hebben. De Hongaren en wij weten dat ons gezamenlijk belang veel groter is dan onze meningsverschillen.”

Als dat zo is verbaast me soms het felle taalgebruik. U hebt Tökés genoemd. Maar neem uw collega van justitie Chiuzbaian, die in januari zei 'genoeg redenen te hebben om de UDMR te verbieden' [Melescanu trekt hier een zeer vies gezicht]. Als ik dat hoor denk ik: als je die redenen hebt moet je die partij verbieden, maar als je haar niet verbiedt moet je zulke dingen niet zeggen.

“Helaas, dat extremistische taalgebruik is er nog steeds. Extremisten zijn er altijd. We betalen de prijs voor het feit dat problemen vijftig jaar lang niet konden worden besproken. Formuleringen worden dan overdreven en dat wordt belangrijker gevonden dan verzoening. Het is een proces van evolutie: tolerantie komt er niet zomaar.”

De UDMR heeft dit weekeinde op haar congres territoriale autonomie geëist in de provincies waar de Hongaren de meerderheid vormen. De Roemenen zijn daar mordicus tegen omdat territoriale autonomie in strijd is met het concept van de eenheidsstaat.

“Sommige beslissingen van de UDMR scheppen problemen voor mij, vooral waar het gaat om territoriale autonomie op etnische basis. Minderhedenproblemen kunnen op twee manieren gevaar opleveren: als je eisen negeert of botweg afwijst, en als eisen worden overdreven en leiden tot reacties van de meerderheid. Hun eis betekent munitie in handen van diegenen die in het verdrag met Hongarije tegen elke verwijzing naar autonomie zijn. Ik begrijp die nu-of-nooit-benadering van de UDMR niet. De problemen van de Hongaarse minderheid kunnen niet van de ene dag op de andere worden opgelost. De verbetering van haar lot is een parlementair proces en is een gradueel proces. Er is naar beide kanten van het spectrum de verleiding het onderste uit de kan te willen.”

Is het niet een kwestie van formulering? Is autonomie niet een fors aangezet woord voor decentralisatie of lokaal zelfbestuur?

“Nee. Lokaal zelfbestuur en decentralisatie zijn iets anders, die gaan tenslotte ook de Roememen aan. We zijn zelf voor decentralisatie”.

Ja? En verloopt die naar wens? In januari zijn tweehonderd burgemeesters en gemeenteraadsleden ontslagen, de meesten van de oppositie, en volgens menigeen om politieke redenen.

“Nee, die decentralisatie verloopt helemaal niet goed. Roemenië was altijd een gecentraliseerde staat, een staat met een sterk centraal gezag. Maar ook dit is een proces. De decentralisatie verloopt inderdaad niet goed. Maar we kunnen wel zeggen: we hebben een kader geschapen.”