John, Paul, George en Ringo in het Textiel-museum; 'Een Beatle-pruik dragen, ho maar!'

Toen de Beatles hier in 1964 optraden, kwam meteen de merchandising van het viertal op gang. In Engeland stonden hun gezichten al op aardewerk, bussen talkpoeder, en op kussenslopen. Een textielfabrikant in Enschede kocht de Nederlandse rechten voor 'Beatle- dessins'. Dat alles is nu geschiedenis, en wat geschiedenis is hoort in een museum.

The Beatles, populaire stof. Nederlands Textielmuseum, Goirkestraat 96, Tilburg, 3 juni t/m 24 september. Di t/m vr 10-17u, za en zo 12-17u. Inl 013-367475.

Mijn hemel, ze zijn alweer 25 jaar uit elkaar. Wie nu 25 is - een volwassen burger met een volwaardige functie in de samenleving - kent de Beatles alleen van horen zeggen. En van horen zingen, natuurlijk. In de supermarkt, waar continu Radio 10 Gold aan staat, hoor ik zes van de tien keer een Beatle-nummer, dat als auditieve confetti over de blikken knakworstjes, de potten capucijners en de zakken Foetsie-Bah wordt gestrooid. Maar de helft van de passerende winkelklanten heeft niet meer meegemaakt hoe opgewonden we waren bij elke nieuwe plaat die uitkwam. Voor hen zijn de Beatles iets dat vroeger heeft bestaan, iets dat onderdeel is geworden van de geschiedenis en zeker niet iets dat in 1963 opeens tevoorschijn kwam, de ene sensatie op de andere stapelde en tenslotte, in april 1970, in brokken uiteen viel tot diepe treurnis van ons allemaal.

Wat onderdeel van de geschiedenis is, hoort in een museum. De Beatles dus ook. Ze blijken zelfs in het Nederlands Textielmuseum in Tilburg te passen, dat daar op het eerste gezicht weliswaar niet de meest geëigende plek voor lijkt, maar het excuus is goed. Zodra hun succes de populariteit van hun muziek begon te overstijgen, kwam de merchandising op gang. John, Paul, George en Ringo werden afgoden wier opmerkelijke haardracht (toen als extreem lang beschouwd) een symboolfunctie kreeg voor de nieuwe welvaartsgeneratie. Hun gezichten kwamen op aardewerk, bussen talkpoeder, gordijnen, kussenslopen, lakens en jurken. Nooit eerder was de beeltenis van sterren uit de populaire muziek zo vaak vermenigvuldigd als bij de Beatles. En in navolging van Engeland wierp ook een Nederlandse textielonderneming zich op die handel.

Begin 1964, het jaar waarin de Beatles in Nederland optraden, kocht de nv Stoomweverij Nijverheid te Enschede de Westeuropese rechten voor de produktie van Beatle-stoffen naar drie dessins. Wie zo'n stofje kocht, moest er zelf een jurkje van maken. “Verwelkom straks de Beatles in deze door hen zelf uitgekozen dessins met gesigneerde portretten!” heette het in de advertenties. Op de publiciteitsfoto's zag men drie leuke meisjes - teenagers, ook wel tieners genaamd - in een vlotte pose, met op de achtergrond een eveneens met Beatles bedrukt gordijn.

Stoomweverij Nijverheid was daarmee de textielconcurrentie te vlug af. Maar ook in andere sectoren zat men dat voorjaar niet stil. Zo werd in maart 1964 de Haagse firma Ebro (in chocolade- en suikerwerken) voor de rechter gedaagd wegens de verkoop van kauwgom met Beatle-foto's zonder voorafgaande toestemming. De eiser was de Amsterdamse importeur Scope, die wel een licentie had voor kauwgom met foto's van de Beatles. Tijdens de zitting betoogde de advocaat van de gedaagde dat niemand in dit geval de exclusiviteit op hun gezichten kon opeisen. “Het uiterlijk van de Beatles is een cliché geworden,” aldus het verslag in het Algemeen Handelsblad. De president van de Haagse rechtbank, mr. G. Witsen Elias, velde een Salomonsoordeel: alleen foto's die speciaal voor de kauwgomhandel waren gemaakt, kwamen in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming.

Teneinde toch nog enige regulering tot stand te brengen, plaatste de heer Neil Rock in mei 1964 een advertentie in de Nederlandse kranten, waarin hij zich onder de naam Seltaeb (“omgekeerde van Beatles”) presenteerde als agent voor de handel in Beatle-rechten. Wie belangstelling had, kon zijn schreden richten naar het Hilton-hotel in Amsterdam, waar Seltaeb tijdelijk domicilie had gekozen.

De vraag is echter of daarvan nog op ruime schaal gebruik is gemaakt. Ik herinner me uit die tijd geen enkel meisje in een Beatle-jurk. Ook de bijbehorende gordijnen of kussenslopen heb ik toen in geen enkel meisjeskamertje gezien (maar nu ik erover nadenk, realiseer ik me dat ik natuurlijk nooit in meisjeskamertjes kwam). En de enige die ik ooit de befaamde Beatle-pruik heb zien dragen, was de harkerige CHU-lijsttrekker B.J. Udink, die zich op bevel van zijn campagneleider onsterfelijk belachelijk maakte door op de Dam te gaan zitten met zo'n ragebol-coupe op zijn christelijk-historische hoofd - in een mislukte poging om jeugdige kiezers te bekoren.

Al in juni 1964 beklaagde de zoon van een Amsterdamse sigarenwinkelier zich over het gebrek aan belangstelling voor dergelijke artikelen. In de winkel van zijn vader mocht hij een Beatle-shop inrichten met grammofoonplaten, ballpoints, talkpoeder, lipstick, glazen en pruiken. Maar alles was vergeefs, verklaarde hij tegenover een verslaggever van het Dagblad voor West-Friesland: “Nederlandse tieners zijn te conservatief. Ze hebben wel een grote mond en noemen zich wel fans, maar een Beatle-pruik dragen, ho maar!”

In het Nederlands Textielmuseum is vanaf zaterdag te zien wat er allemaal nog bewaard is gebleven: jurkjes, gordijnstoffen, T-shirts, vlaggetjes, sjaals, zakdoeken, kussens, dekens, kousen, gymschoenen, hoedjes, serviesgoed, poederdozen en wat al niet meer. Eén van de pronkstukken is bovendien een kraagloos colbert-jasje met ronde hals, zoals de Beatles die zelf in hun begintijd droegen. En opeens schiet me te binnen dat ik zelf ook zo'n jasje heb gedragen. Het ging me te ver om met hun beeltenissen op mijn kleren rond te lopen, maar het Beatle-model-colbertje was mij zeer lief. Waar zou dat jasje in vredesnaam zijn gebleven? Weggegooid natuurlijk, toen het niet meer in de mode was. Wie getuige is van historische gebeurtenissen, beseft nu eenmaal zelden dat die gebeurtenissen historisch zijn.