In Liefde Bloeyende

OOTE

Oote oote oote Boe Oote oote Oote oote oote boe Oe oe Oe oe oote oote oote A A a a Oote a a a Oote oe oe Oe oe oe Oe oe oe oe oe Oe oe oe oe oe Oe oe oe oe oe oe oe Oe oe oe etc. Oote oote oote Eh eh euh Euh euh etc. Oote oote oote boe etc. etc. etc. Hoe boe hoe boe Hoe boe hoe boe B boe Boe oe oe Oe oe (etc.) Oe oe oe oe etc. Eh eh euh euh euh Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh Ah ach ah ach ach ah a a Oh ohh ohh hh hhh (etc.) Hhd d d Hdd Ddddda D dda d dda da D da d da d da d da d da da da Da da demband Demband demband dembrand dembrandt Dembrandt Dembrandt Dembrandt

Jan Hanlo

Ik citeer maar een deel van het gedicht, het gaat nog even door. Met da da, da da. Met Dembrandt, Dembrandt. Woordflarden uit de schilderkunst. Wil Oote een schilderij zijn?

Hoe praten we over een visueel gedicht?

Aan een schilderij komen geen woorden te pas. De schilderkunst beschikt over een eigen taal die wel een parallel, maar geen verklaring vindt in de woorden van de literatuur en de conversatietaal. En als een gedicht een schilderij wil zijn? Een gedicht moet het hebben van letters en klanken. Wil iemand de schilderkunst dus naäpen, dan zal hij die letters en klanken van hun burgerlijke conversatiekarakter moeten ontdoen, hij zal de woorden moeten uitkleden. Dat is in Oote gebeurd.

De rol van de taal in de schilderkunst, daar noemt u een probleempje. De kunstkritiek, die met een taal van woorden over een taal zonder woorden moet schrijven, is er het schrijnendste voorbeeld van. “In het werk van Pietersen vindt een constante wisselwerking plaats tussen het blauw en een poging het blauw met zichzelf in gesprek te brengen.” Dat soort taal.

Maar ook buiten de beroepskritiek zijn we voortdurend bezig om schilderijen dichterbij te brengen met woorden. Om gedichten uit te leggen met illustraties. Er is sprake, zal ik maar zeggen, van een constante wisselwerking tussen beeld en taal. Veel schilderijen gaan onder essays gebukt. Dankzij tekenaars weten we hoe Don Quichotte en Ophelia er uitzien. Omgekeerd weer, zou ik zó een paar schilderijen kunnen noemen waarbij, onwillekeurig en onstuitbaar, een gedicht door mijn hoofd komt spoken. Er bestaat een picturale begeleiding van het woord, en een verbale begeleiding van het beeld: van beide zonden komt de laatste het veelvuldigst voor.

Het praatje bij het plaatje. Onze behoefte aan uitleg en verklaring. Als het ons niet lukt de bedoeling van een kunstwerk duidelijk te maken, dan ondernemen we doorgaans nog een laatste poging door datgene waarin onze redenering tekortschiet tot het raadsel in het schilderij uit te roepen. Maar er zijn geen raadsels. We zitten alleen ons zelf in de weg. We vertikken het gewoon om het eigen taaluniversum van de schilder te respecteren.

Ook op dit terrein zijn het de kunstcritici die het het bontst maken: ze 'gaan een dialoog aan' met het kunstwerk, waardoor het schilderij 'zichzelf ontdekt' en dankzij hen 'een nieuwe betekenislaag' krijgt. De ijdeltuiten.

Gewoon kijken! roept de beeldende kunstenaar. Naar Oote zullen we gewoon moeten kijken. Het kan niet geïllustreerd worden, het is zijn eigen illustratie. Al suggereert de verdomde kunsteducatie ons, goegemeente, nog zó dat we bij het zien van een kunstwerk onder woorden moeten brengen wat we voelen, de taal van de schilderkunst is niet het domein van woorden, en Oote is schilderkunst, en om schildertaal weer met een bestek van letters op te lepelen, 't is even absurd als het gedicht De tuinman en de dood te willen verklaren met een plaatje.

Oote oote boe is de verbale begeleiding bij zichzelf, een van de manieren om de onoverbrugbare kloof tussen twee kunsttalen - die van schilderij en gedicht - te overbruggen. Door bluf, wel te verstaan. Een tegennatuurlijk gebruik van de poëzie, maar een manier die zeker geen maller figuur slaat dan de andere. Het onmogelijke willen, 't is de poëzie nu eenmaal aangeboren.

Of is Oote muziek?