Holocaust was gewoon massamoord

Er zijn van die woorden die mij niet over de lippen willen komen. Nooit zal ik vragen om wokkels of een big whopper. Zulke kinderachtige klanken zijn hoorbaar bedacht door sluwe reclameboys. Ook het woord holocaust klinkt als een maakwoord, zeker als het op zijn Amerikaans wordt uitgesproken 'hollowkhost'. Per slot van rekening is het een Grieks woord.

Mijn weerzin tegen deze term is niet in de eerste plaats die van de leraar oude talen, die vindt dat men de Bataafse uitspraak van Griekse en Latijnse woorden moet hanteren en niet de Engelse. Het gaat mij om de betekenis van het Griekse 'holokaustos'. Een 'holokauston hieron' was een 'totaal-verbrandings-offer', waarbij het offerdier met huid en haar werd verteerd door het vuur. Gewoonlijk gingen de Grieken niet zover. Ze waren wel goed, maar niet gek. Er werden wat botten en oneetbare delen voor de goden verbrand, terwijl het offervaardige volk de karbonaden en biefstukken tijdens een massale barbecue oppeuzelde. Dit vrome bedrog werd goedgepraat met een mythe: de listige Prometheus, die ook het vuur aan de mensen had gegeven, had ontdekt dat de goden met de vetdamp al dik tevreden waren.

Een geheel-verbranding gebeurde alleen in hoge nood, om de enge goden van de onderwereld gunstig te stemmen. Hoe komt het dat het woord de technische term is geworden voor de massamoord op de joden? Iedereen, behalve ik, spreekt tegenwoordig van de holocaust. Hebben we hier te doen met de heiligheid van de klassieke talen, die ook Kaloderma uittilt boven een ordinair huidsmeersel en aan sigaretten van het merk Mythos verhevenheid geeft?

Er is bij holocaust toch iets meer aan de hand dan geraffineerde reclamespraak. In de Griekse Sepuagint-vertaling van het Oude Testament wordt 'holokaustos' gebruikt als vertaling van het Hebreeuwse Sjoah, bijvoorbeeld in 1 Samuel 7:9. Daar verzoent deze Richter het joodse volk met Jaweh door een bijzonder offer: “Toen nam Samuel een melklam, en hij offerde het geheel den HEERE ten brandoffer.” (Statenvertaling).

Door het gebruik van het woord holocaust wordt gesuggereerd dat de vernietiging van miljoenen een brandoffer is: uit de as van de slachtoffers is de staat Israël verrezen. De idee dat de vernietiging van joden toch een zin had, doet denken aan wat de leiders van de Joodsche Raad tot hun rechtvaardiging hebben aangevoerd: “Wij moesten wel medejoden selecteren om in ieder geval een kern van ons volk te behouden.”

Spreken van holocaust is onbewust de mythe van de staat Israël aanvaarden. Nu is dat niet het ergste. Wat mij vooral afkeer inboezemt, is dat 'holocaust' toedekt wat de filosofe Hannah Ahrendt de “banaliteit van het kwaad” heeft genoemd. De moordenaars waren geen geniale schurken, maar zielige burgermannetjes, mensen zoals wij. Eichmann was een ambtenaartje, Hitler speelde zo leuk met honden en Goebbels was een modelvader.

Als Auschwitz een zin heeft, dan is het dat wij beseffen dat we allemaal tot misdaden in staat zijn. Die les lijken we wel geleerd te hebben. Toen er onlangs geruchten opdoken over wandaden door leden van Dutchbat in Joegoslavië, was de eerste reactie niet: “Maar zoiets doen onze jongens toch niet.” Er werd meteen rekening mee gehouden dat ook Nederlanders onder uitzonderlijke omstandigheden zich kunnen misdragen.

Om dit besef in stand te houden moeten de dingen bij hun naam genoemd worden. Men heeft wel beweerd dat er na Auschwitz geen theologie, muziek of beeldende kunst meer mogelijk was. Laat alsjeblieft taal mogelijk blijven. Dingen moeten bij hun naam genoemd kunnen worden. Daarom moet de vernietiging van joden niet worden gemythologiseerd tot holocaust. Het was massamoord.