Geen geld, geen mensen

Er wordt wat afgelachen om de verwikkelingen in het Algemeen Ouderenverbond. Vooral politici van de meer traditionele partijen kunnen hun lol niet op. Voor hen heeft de 'soap-opera' die zich bijna dagelijks voor hun ogen voltrekt dan ook iets bevrijdends. Want zijn de schoppende en tierende bejaarden niet het levende bewijs van de stelling, dat de politiek voorbehouden dient te blijven aan de partijen die reeds lang zijn geworteld in de Nederlandse samenleving? Boeren, middenstanders, bejaarden, xenofoben, altijd weer blijken ze in partijverband binnen de kortste keren over een verbluffend zelfvernietigingsinstinct te beschikken.

Maar is met de implosie van het AOV nu ook de bejaardenopstand van een jaar geleden voorbij? Kunnen, met andere woorden, de oude partijen weer overgaan tot de orde van de dag? Het is een even voor de hand liggende als kortzichtige conclusie. Want het blijft een signaal als het meest partij-trouwe deel van het electoraat - dat zijn de ouderen nu eenmaal - in zo groten getale een politieke overstap maken. Meer dan 400.000 hoofdzakelijk oudere kiezers hebben zich vorig jaar gekeerd tegen de gevestigde partijen. Hun platform is weliswaar verdwenen, maar hun onvrede en het daaruit voortvloeiende recalcitrante stemgedrag nog niet. De teleurstelling en het cynisme over 'de' politiek zal door de recente gebeurtenissen alleen nog maar zijn toegenomen. Het betekent veel werk voor de serieuze politieke partijen.

Partijen waarvan de volksvertegenwoordigers elkaar nog niet naar het leven staan, maar die toch anderszins volop in de problemen verkeren. 'Hebben politieke partijen toekomst als organisaties die burgers bijeenbrengen rond visies op het algemeen belang', luidt het opwekkende thema van de discussiemiddag die de wetenschappelijke bureaus van de vier grote partijen over enkele weken organiseren. Twee jaar geleden bespraken ze hetzelfde onderwerp. De partijen bestaan nog steeds, maar de uiterlijke verschijnselen van het rottingsproces zijn de afgelopen jaren nog meer zichtbaar geworden.

Het electoraat blijkt tijdens verkiezingen nog wispelturiger, bij referenda worden de gekozen vertegenwoordigers hardhandig gecorrigeerd, het ledental loopt over het algemeen terug, bijna elke partij kampt met een ineenschrompelend actief kader en in zijn totaliteit is er weinig waardering voor de publieke zaak. Geen geld, geen mensen, geen ideeën, geen publiek, dat is op dit moment zo ongeveer de stand van zaken in de gemiddelde politieke partij. Waarheen, waarvoor, zingen zij Mieke Telkamp na.

Het zou Nederland niet zijn, als niet eerst gesproken werd over het geld. Want met steeds minder leden wordt dit voor de partijen een steeds nijpender probleem. Op de van hem bekende losse wijze filosofeerde vice-premier Dijkstal deze week voor de radio wat voor zich uit over de financiering van politieke partijen. Sponsoring onder wettelijke regels zou volgens hem een mogelijkheid zijn. Maar even los van de vraag of bedrijven hun naam wel willen verbinden aan een politieke partij kan sponsoring nu ook al, alleen zonder regels. Het is dus niet echt een oplossing voor partijen die in financiële nood verkeren.

Dijkstals gedachte om de bestaande doelgerichte subsidies aan partijen te vervangen door één algemene uitkering is dan ook interessanter. Voor een 'nazaat' van Thorbecke gaat Dijkstal wel heel ver door dit te bepleiten. 'Generiek' mag in liberale kring dan wel een geliefd begrip zijn, als het gaat om de financiering van politieke partijen, komen er andere overwegingen in het spel.

Zeer bewust is in Nederland rechtstreekse subsidiëring van politieke partijen altijd afgewezen. De laatste keer gebeurde dit vier jaar geleden in het rapport van de Commissie subsidiëring politieke partijen. En terecht. Het verhaal bij een directe financiering van politieke partijen zal zijn, dat het geld nodig is om de partij als belangrijk onderdeel van het democratisch proces optimaal te kunnen laten functioneren. Te vrezen valt dat de praktijk aanzienlijk banaler zal zijn. Stemmenmaximalisatie is het voornaamste doel van de politieke partij. Op de geont-ideologiseerde en genivelleerde kiezersmarkt moet het 'produkt' partij volop aanwezig zijn. Dus kan meer geld al gauw leiden tot meer Gordon bij de VVD, nog mooiere videoclips van Kok, enzovoort. Partijen worden bij een rechtstreekse subsidiëring juist zó afhankelijk van de rijksbegroting, dat dit ten koste kan gaan van hun afstandelijke positie tussen overheid en kiezer.

De van overheidswege gerichte uitkeringen aan partijen, voor posten als de wetenschappelijke bureaus, jongeren en scholing, zijn dan ook niet voor niets in het leven geroepen. Ze zijn juist bedoeld als garantie, opdat het geld wordt aangewend voor het kwalitatieve werk van partijen. Dat politieke partijen door sterk teruglopende ledentallen met een financieel probleem zitten om hun apparaat draaiende te houden is ontegenzeggelijk waar. Dat kan echter geen reden zijn om op deze ultieme vorm van belangenverstrengeling over te stappen.

Dezelfde Dijkstal kwam deze week ook nog met voorstellen om tegemoet te komen aan het recruteringsprobleem van partijen. Want behalve minder geld, beschikken partijen vandaag de dag ook over minder goede mensen om af te vaardigen naar een bestuurlijke functie. Vandaar Dijkstals voornemen gemeenten en provincies de mogelijkheid te geven wethouders en gedeputeerden van buiten de gemeenteraad en de provinciale staten te benoemen. Het duidt op een professioneler aanpak van het openbaar bestuur. Iemand kan een uitstekend wethouder zijn zonder ambitie te hebben voor het lidmaatschap van de gemeenteraad. Hoeveel nationale politici zijn niet begonnen als minister of staatssecretaris?

Het kabinet is er onder leiding van Dijkstal echter in geslaagd dit voornemen te transformeren in een bestuurlijke hutspot. In afwachting van de wijziging van de grondwet - een procedure die veel tijd vergt - wordt gemeenten en provincies als tussenoplossing de mogelijkheid geboden, zowel mensen van binnen als van buiten te benoemen. Het kan ertoe leiden dat één en dezelfde gemeente wethouders kent die tevens raadslid zijn en wethouders die van buiten de raad komen. De één heeft een monistische verhouding met de raad; de ander een dualistische. Er worden op die manier twee soorten countervailing power gecreëerd. Het zal het bestuur nog ondoorgrondelijker maken.

Dat er wordt nagedacht over het functioneren van de politieke partijen is geen overbodige luxe. De wijze waarop minister Dijkstal hier vorm aan geeft, belooft echter weinig goeds.