'Extreme droogte leidde tot ondergang Maya's'

ROTTERDAM, 1 JUNI. Onderzoekers van de Universiteit van Florida hebben vastgesteld dat de ondergang van de klassieke Maya-beschaving, die zich in de periode 800-1000 na Christus voltrok, samenvalt met een periode van extreme droogte in een deel van het gebied. Door in de bodem van het Chichananab-meer, het grootste zoetwaterbassin op het Mexicaanse schiereiland Yucatan, een gat van 4,9 meter diep te boren, kon aan de hand van isotopenonderzoek in de verscheidene sedimentlagen de verhouding tussen verdamping en neerslag, en daarmee de droogte, over een periode van 3.000 jaar worden vastgesteld. De gegevens zijn vandaag gepubliceerd in het Engelse tijdschrift Nature.

Vooral in de zuidelijke Maya-laaglanden, het gebied waar nu Guatemala, Mexico, Belize en Honduras gesitueerd zijn, was de ineenstorting van de Maya-beschaving opvallend. De afgelopen decennia heeft het ontcijferen van Maya-hiëroglyfen het archeologisch onderzoek nieuwe impulsen gegeven. Duidelijk is geworden dat de Maya-cultuur destijds onder druk stond: de bevolkingsdichtheid was hoog, de tropische leefomgeving raakte aangetast en tussen steden bestond grote rivaliteit. Dit alles was in de Maya-geschiedenis niet nieuw, maar in combinatie met twee eeuwen van droogte leidde het tot volksverhuizingen, het terugtreden van de machtselite en uiteindelijk tot de totale ondergang van het rijk.

De onderzoekers maten de relatieve droogte aan de hand van het voorkomen van een zuurstof-isotoop in calciumverbindingen. Door de locatie in het meer is menselijk ingrijpen in de sedimentlagen uitgesloten.

Het Maya-onderzoek werpt een antropologisch bredere vraag op die ons allen aangaat: hoe sterk moet een beschaving door interne strubbelingen in verval zijn geraakt, wil een geologisch onbeduidende klimaatwisseling de aanzet betekenen tot volledige ineenstorting?