'Encycliek drijft verschillen tussen kerken op de spits'

VOORBURG/KAMPEN, 1 JUNI. Door de encycliek van paus Johannes Paulus II over de betrokkenheid van de rooms-katholieke kerk bij het oecumenische denken, worden de sluimerende verschillen die er tussen de kerken bestaan weer op de spits gedreven.

Die opvatting huldigt de katholieke theoloog dr. R.G.W. Huysmans, die behalve hoogleraar in Utrecht ook voorzitter van de (oecumenische) Raad van kerken in Nederland is.

In de encycliek van 25 mei zegt de paus dat hij vóór het 'heilige jaar' 2000 vooruitgang wil boeken in het proces van de eenwording van de kerken en dat daarom andere kerken worden uitgenodigd om 'geduldig en broederlijk' met elkaar over onder meer het pausambt te spreken. Huysmans veronderstelt dat de paus daarbij allereerst de oosters-orthodoxe kerk van Rusland en van Griekenland op het oog heeft. Volgens Huysmans komen in de encycliek de oosterse niet-orthodoxe kerken op de tweede en de westerse, protestantse kerken op de derde plaats.

De voorzitter van de Nederlandse Raad van kerken noemt de encycliek op eerste gezicht een heel open stuk waar het gaat om de plaatsbepaling en de invoeging van de katholieke kerk in de oecumenische beweging en het zoeken van christelijke eenheid. Maar Huysmans, die kerkelijk recht doceert, vraagt zich ook af of de paus er niet te veel aan vasthoudt dat de ware eenheid van de kerk van Christus moet liggen in een samenzijn van de gescheiden kerken in een eenheid van de bisschoppen in verbondenheid met de opvolger van de apostel Petrus. Dat wil zeggen: in verbondenheid met de bisschop van Rome, Johannes Paulus II.

Het engagement van de paus bij de oecumene valt volgens Huysmans niet te ontkennen. Wel noemt hij het opvallend dat in de encycliek niet gesproken wordt over de stagnatie die de oecumene, vooral de laatste jaren, heeft opgelopen en ook niet over de moeizame betrekkingen tussen Rome en Genève, waar de Wereldraad van kerken is gevestigd. Huysmans vermoedt dat de pauselijke encycliek het komend najaar in de Raad van kerken besproken zal gaan worden.

De gereformeerde dr. P.N. Holtrop die in Kampen hoogleraar in de zendingswetenschappen en in de oecumenica is, vindt dat de paus in zijn twaalfde encycliek, een document dat “geen dwingend karakter maar wel een hoge waarheidspretentie heeft”, van de verkeerde premisse uitgaat dat er vroeger, in de christelijke begintijd, sprake zou zijn geweest van een onverdeelde christelijke kerk. “Binnen de christenheid is er nooit eenheid geweest. Wie daar toch vanuit gaat, hanteert een gevaarlijke mythe. Er waren altijd spanningen en hemelsbrede tegenstellingen”, zegt Holtrop, “en die waren nog zegenrijk ook”. Omdat de paus ten onrechte uitgaat van het bestaan van vroegere eenheid, spreekt Holtrop van een weinig dynamische, sterk conservatieve encycliek waarmee gesuggereerd wordt dat het er vooral om gaat tot de herontdekking van verlorengegane eenheid te komen.

Holtrop, die ook hoofdbestuurslid is van de Wereldbond van hervormde en gereformeerde kerken, meent bovendien dat er weinig ontwikkeling zit in het pauselijke denken over de oecumene. Volgens Holtrop is de formulering in de encycliek dat de kerk van Christus 'bestaat in' de katholieke kerk die door paus en bisschoppen wordt geleid, nog altijd heel dubbelzinnig, en vormt dat een herhaling van wat in de jaren '60 bij het Tweede Vaticaans Concilie werd gezegd. Positief is volgens Holtrop dat de huidige paus het pauselijke ambt, de 'Petrusdienst', ter discussie stelt. Maar dat de paus in zijn encycliek schrijft dat er in andere kerken ook 'elementen van waarheid' zijn te vinden, noemt de Kampense hoogleraar 'nogal pedant'.