Een Centrum voor stripgekken; Alles in het teken van het beeldverhaal

Omdat enkele Belgische ministers stripfanaat waren, kon in Brussel het Centrum van het Beeldverhaal worden geopend, een museum gewijd aan getekende helden als Guust, Suske en Wiske, en Lucky Luke. Ook in Nederland bestaan plannen voor een stripmuseum.

Belgisch Centrum van het Beeldverhaal, Zandstraat 20, Brussel. Di t/m zo van 10-18u. Van 20 juni tot 1 okt is de tentoonstelling Suske en Wiske: 50 jaar te zien.

De roomblanke gevel steekt fris af bij de dichtgespijkerde ramen en de grijsbruin uitgeslagen gevels in de Brusselse Zandstraat. Dit moet het Belgische Centrum van het Beeldverhaal zijn. Met de treurnis buiten nog vers op het netvlies zijn de eerste indrukken bij binnenkomst verbijsterend. Achter de gevel gaat een uit gietijzer, steen en glas opgetrokken complex schuil met de allure van een luxueuze winkelgalerij. Alles in dit Art Nouveau-gebouw staat in het teken van de strip. De permanente opstelling behandelt de Belgische stripgeschiedenis, en toont in een hilarische semi-realistische opstelling (inclusief koffiemokken en volle asbakken) het ontstaansproces van een stripalbum: van de eerste krabbels op papier tot de merchandising rond een stripfiguur. Een kleine ruimte toont experimenteel werk van jonge tekenaars en er zijn altijd een of meer tijdelijke tentoonstellingen. Op de begane grond bevinden zich de bibliotheek (comfortabele kussens ruimschoots voorhanden), het documentatiecentrum en de (omvangrijke) stripwinkel. Ook is hier een kleine tentoonstelling ingericht over de architect van het pand: Victor Horta (1861-1947).

“Het heeft veel moeite gekost de overheden ervan te overtuigen dit gebouw níet plat te gooien,” zegt Charles Dierick, directeur van het centrum. Met hulp van onder meer Kuifje-schepper Hergé werd in het begin van de jaren tachtig een krachtige lobby ingezet voor een centrum voor Belgische stripcultuur. In 1983 kocht de Staat het pand en zes jaar later kon het Centrum de eerste bezoekers verwelkomen. Dat vooraanstaande Belgen stripliefhebber bleken te zijn, kon geen kwaad. Dierick: “Onder de ministers waren een paar stripfanaten.” Na aanschaf en renovatie was het met de regeringssteun afgelopen. “Afgezien van een bescheiden subsidie bedruipen we onszelf”, stelt Dierick trots.

België is een stripgek land dat veel toonaangevende tekenaars heeft voortgebracht. Naast Hergé zijn ook Willy Vandersteen (Suske en Wiske), Peyo (de Smurfen), André Franquin (Guust), Morris (Lucky Luke) en Edgar P. Jacobs (Blake en Mortimer) tot ver buiten de landsgrenzen bekend. Het Centrum wil het werk van deze en andere Belgische tekenaars toegankelijk te maken. Dierick beschouwt striptekenaars als kunstenaars en acht de Saint-Roch-zaal, waar originele tekeningen worden tentoongesteld, het belangrijkste deel van het Centrum. “Dat is ons prentenkabinet. We behandelen die tekeningen uiterst voorzichtig. Ze worden niet aan fel licht blootgesteld en hangen er nooit langer dan drie maanden achtereen om te voorkomen dat er verkleuringen optreden.” Het Centrum bezit veel originelen, maar het grootste deel wordt door tekenaars (of hun nazaten) in bruikleen gegeven. Het werk van Hergé en Jacobs is bijvoorbeeld ondergebracht in aparte stichtingen die driemaandelijks een aantal pagina's ter beschikking stellen.

In stripkringen wordt al jaren gedebatteerd over zin en onzin van het exposeren van originelen. Zijn striptekeningen geen middelen die - vergelijkbaar met het manuscript van een roman - de publikatie van een boek tot doel hebben? Dierick: “Je kunt aan originelen precies zien hoe een tekenaar zichzelf heeft verbeterd.” Dat laatste is voor sommigen juist een argument om hun werk níet beschikbaar te stellen. De fouten die met 'dekwit' (tipp-ex) of opgeplakte stukjes papier werden hersteld zijn op de originelen duidelijk te zien.

Op de permanente tentoonstelling worden alleen kopieën getoond. Deze opstelling heeft een wat 'speelse' aanpak. Zo zullen de aria's van Bianca Castafiore die op het aan Kuifje gewijde deel uit de luidsprekers schallen vooral kinderen plezieren, evenals de bolhoeden en wandelstokken van de tweeling Jansen en Jansen die hier als museumstukken getoond worden.

Andere afdelingen zijn informatiever van opzet en richten zich op een ouder publiek. Op de animatie-afdeling is het uit 1914 daterende oudste tekenfilmpje 'Gertie the trained dinosaur' van Winsor McCay te zien is. Stapsgewijs wordt aanschouwelijk gemaakt hoe tekenfilms tot stand komen, onder meer met de originele achtergronden van in België gemaakte animatiefilms van Kuifje en de Smurfen.

Hoewel er een kloof gaapt tussen de plichtmatige Rode Ridder- verhalen die met straffe hand door de Vandersteen studio's op de markt worden gegooid en het woeste experimentele werk uit de underground-scenes van Brussel, Parijs of New York, kunnen beide in Brussel aan bod komen. “Ik probeer een evenwicht tussen die uitersten te vinden en de interesse van het hele strippubliek te bestrijken”, aldus Dierick. Op exposities worden overigens niet alleen strippagina's getoond. “Veel tekenaars hebben ook boekillustraties, covers, schilderijen of sculpturen gemaakt.”

Het Brusselse Centrum is niet enig in zijn soort. Angoulême in Frankrijk beschikt al langer over een stripmuseum. Tijdens het belangrijkste Europese stripfestival dat hier jaarlijks in januari gehouden wordt is het er drie dagen vreselijk druk en de overige 362 dagen van het jaar komt er niemand kijken, aldus Dierick. De intellectuele aanpak van de Fransen bevalt hem niet. “Je krijgt bij elke tekening een pretentieuze uitleg. Wij staan meer een populaire benadering voor. Een groot deel van de strips richt zich toch op de jeugd.”

Ook Nederland beschikt binnenkort wellicht over een stripmuseum. Een groep Groningse stripliefhebbers heeft vergaande plannen ontwikkeld in die richting. Jan Kruis, tekenaar van de strip Jan, Jans en de kinderen en bestuurslid van de Stichting Nederlands Stripmuseum bevestigt dat het Brusselse Centrum een belangrijk voorbeeld is voor Groningen. “Maar in België maken strips echt deel uit van de volkscultuur, dat is in Nederland minder.”

“Het zou van mij nog wel iets vrolijker mogen dan in Brussel,” zegt Kruis. “Het is belangrijk dat kinderen er zich thuisvoelen. Het moet in ieder geval geen hands off-museum worden. Niet dat kinderen aan de originele tekeningen mogen zitten, maar ze moeten wel strips uit de kast kunnen trekken en kunnen knutselen.” Toch richt de stichting zich wel degelijk op volwassenen en wil ze bijvoorbeeld ook werk van Nederlandse illustratoren tonen. Kruis hoopt dat het museum een rol zal spelen bij het conserveren van de Nederlandse stripcultuur. “Jean Dulieu, de maker van Paulus de Boskabouter, heeft een deel van zijn werk met de vuilnisman meegegeven. Dat is toch verschrikkelijk?”