De creatieve rechter is een zegen

Kaptein en Werdmölder werpen zich in NRC Handelsblad van 27 mei op als spreekbuis van de 'gewone burger' ter bestrijding van de opvattingen van NRC-redacteur Kuitenbrouwer en de Rotterdamse rechtbank, die vonden dat het Openbaar Ministerie in de zogenoemde Ramolazaak op straffe van niet-ontvankelijkheid inzicht had moeten verschaffen in de wijze waarop de politie te weten was gekomen wat zij wist.

De gewone burger als autoriteit in een debat is altijd een beetje hachelijk, want daar bestaan veel variëteiten van. De gewone burger die Kaptein en Werdmölder hebben geraadpleegd vindt dat de rechter betaald wordt om boeven te straffen en niet om lastige vragen te stellen aan politie en Openbaar Ministerie. De juristen schieten die burger te hulp met de stelling dat die rechter geen strafrechtelijke beginselen (in casu het beginsel van interne openbaarheid van het strafproces) buiten de wet om mag formuleren, want dat zou op gespannen voet staan met het legaliteitsbeginsel. Ten slotte vinden zij dat in ieder geval eerst het strafproces had moeten worden afgemaakt, voordat rechterlijke kritiek op de opstelling van het OM tot vrijuitgaan van de verdachten had kunnen leiden.

Wat het beginsel van interne openbaarheid betreft, dat houdt in dat de verdachte er recht op heeft te weten wat er bij de opsporing en vervolging zoal is gebeurd. Een verzinsel van de rechter is dat niet: volgens het wetboek van strafvordering hebben politiemensen de plicht proces-verbaal van hun doen en laten in een strafzaak op te maken en heeft de verdachte recht op alle processtukken, die hem in uitzonderingsgevallen tijdelijk mogen worden onthouden, maar in ieder geval niet meer in het stadium van de uiteindelijke berechting. Voorts eist het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) dat de verdachte beschikt over de processtukken; het Europese Hof in Straatsburg dat de gezaghebbendste uitlegger van dat verdrag is, is daar duidelijk over. Dat er niet altijd eenstemmigheid heerst over wat processtukken zijn is een andere kwestie, maar het is apert onjuist dat het beginsel van interne openbaarheid niet op de wet gebaseerd is.

Overigens is het ook niet zo bedenkelijk als de schrijvers menen, dat bepaalde beginselen van strafprocesrecht door de rechter en niet door de wetgever worden ontwikkeld. Het legaliteitsbeginsel waarop de auteurs zich beroepen, ook zo'n rechtsstatelijk beginsel en eveneens verankerd in het EVRM en in de grondwet, is immers vooral bedoeld om de verdachte te beschermen tegen willekeurig overheidsoptreden: buitenwettelijk straf(proces)recht mag niet ten nadele van de verdachte worden gecreëerd. De ontwikkeling van het strafrecht kent echter tal van rechterlijke creaties die het rechtsgehalte van ons strafrecht verhoogd hebben en die dat strafrecht begrijpelijker en aanvaardbaarder hebben gemaakt voor weer andere gewone burgers. Bijvoorbeeld de regel dat men niet gestraft kan worden wanneer men de wet heeft overtreden zonder dat men daar iets aan kan doen; deze staat niet in de wet maar geldt door toedoen van de rechtspraak wel.

Overigens is diezelfde rechtspraak er debet aan dat toch een groot aantal opsporingsmethodes wordt toegelaten ten nadele van de verdachte, die de wet niet noemt: het gebruik van infiltranten en pseudokopers, om er enige te noemen die in de Ramolazaak centraal staan. Zonder 'creatieve rechtspraak' zou het met de opsporingsmethodes nooit zover hebben kunnen komen als het nu is gekomen. Zo begrijpen gewone burgers die ik af en toe ontmoet niet goed hoe de politie kon uitgroeien tot een van de grotere drugsorganisaties van ons land.

Ten slotte het argument dat in ieder geval eerst het proces voltooid had moeten worden en de telasteleggingen besproken hadden moeten worden voordat de verdachten vrijuit konden gaan, bijvoorbeeld door onrechtmatigverklaring van het bewijs. Het gaat bij rechterlijke reacties op onjuist politieoptreden om gradaties: bij 'gewone' onrechtmatigheid volgt uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijs, wanneer de politie of het OM zover gegaan zijn dat dat proces zelf niet meer eerlijk kàn zijn naar de normen van een behoorlijk strafproces zoals o.m. neergelegd in het EVRM, volgt niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Nu in de Ramolazaak het OM bewust gekozen heeft voor het niet prijsgeven van elementaire gegevens die nodig zijn om de verdediging en de rechter in staat te stellen het politiewerk althans marginaal te kunnen controleren, was de sanctie in dit geval niet-ontvankelijkheid. Omdat de beginselen van de rechtsstaat meebrengen dat een rechter niet accepteert dat hij bij de beoordeling van het bewijs buitenspel gezet wordt door de politie. Een buitenwettelijk verzinsel van rechters? Mogelijk, maar wel een dat tenminste nog een kleine barrière opwerpt tegen een bestel waarin de politie volledig ongecontroleerd te werk kan gaan. Is zorg voor de integriteit van het politieapparaat wellicht een argument dat deze juristen aanspreekt? Gelukkig sommige rechters wel en hopelijk ook voldoende gewone burgers.